Tranen, Trouwringen en Tante Gerda

Een jonge man, Milan, verliest zijn grootvader en ontdekt bij de notaris dat hij alleen de volledige erfenis krijgt als hij trouwt vóór de begrafenis. Wat volgt is een krankzinnige race tegen de klok, waarin hij wanhopig op zoek gaat naar een bruid en van de ene absurde situatie in de andere belandt. Terwijl bemoeizuchtige familieleden, mislukte kandidaten en complete chaos zijn plan dwarsbomen, verandert zijn haastige missie langzaam in iets onverwachts. Het resultaat is een dolkomische komedie vol verwarring, familiegedoe, liefde en rampzalige timing.

Inspiratiebron is een strip van Urbanus genaamd Het Fritkotmysterie

Toen de dokter zei dat opa Hubert “niet lang meer had”, had iedereen in de familie daar een ander idee bij.

Tante Gerda begon alvast de zilveren kandelaars te poetsen, “voor als er deftige mensen op de koffie komen”.
Neef Karel informeerde heel toevallig of iemand wist waar opa zijn autosleutels bewaarde.
En Milan, opa’s enige kleinzoon, zat gewoon naast het bed en hield de oude man zijn hand vast.

Opa Hubert was een man van principes en geheimzinnigheid. Hij sprak weinig, maar als hij iets zei, klonk het alsof het in marmer gebeiteld hoorde te worden.

“Milan,” fluisterde hij met holle stem, “in de commode… derde la…”
Milan boog zich voorover.
“Ja, opa?”
“Niet die sokken aantrekken. Die jeuken als de hel.”

Dat waren zijn laatste woorden.

Een uur later zat de familie al in de salon alsof er een veiling op het punt stond te beginnen. En in zekere zin was dat ook zo, want notaris Van Heumen was gearriveerd. Een dunne man met een hoofd als een uitroepteken en een stem als een vastgelopen lade.

Hij kuchte plechtig.
“Volgens het testament van wijlen Hubertus Cornelis van der Waal gaat de volledige nalatenschap — woning, landerijen, aandelen, schilderijen en de opgezette fazant in de gang — naar zijn kleinzoon Milan.”

De kamer verstarde.

Tante Gerda kneep haar ogen samen alsof ze probeerde Milan spontaan te laten ontploffen.

Notaris Van Heumen stak echter nog een vinger op.
“Onder één voorwaarde.”

De familie leunde tegelijk naar voren.

“De erfgenaam dient in het huwelijk te treden vóór de begrafenis van de overledene. Bij gebreke daarvan vervalt het gehele vermogen aan de Stichting tot Behoud van Historische Duivenhokken.”

Er viel een stilte waarin je een erwtensoep had kunnen roeren.

“Wat?” zei Milan.

“Een huwelijk,” herhaalde de notaris, “vóór de begrafenis. Die staat gepland voor morgenmiddag om drie uur.”

“Maar dat is over twintig uur!”

“Inderdaad,” zei de notaris tevreden, alsof hij zelf bijzonder goed had gepresteerd door de klok te kunnen lezen.

Tante Gerda begon schril te lachen.
“Nou jongen, succes ermee. Je bent zevenentwintig, woont boven een bakker, en de langste relatie die je ooit hebt gehad was met een kamerplant.”

“Die plant liet hem ook nog zitten,” mompelde neef Karel.

Milan stond op alsof hij door de bliksem was geraakt.
“Ik ga trouwen.”

“Met wie?” vroeg zijn moeder.

Dat bleek een ingewikkeld detail.

 

De eerste kandidaat was Sanne, zijn ex-vriendin. Milan trof haar in haar yogastudio, waar ze in kleermakerszit zat en een groepje mensen leerde “hun innerlijke spons te voelen”.

“Sanne,” zei Milan buiten adem, “wil je met me trouwen vóór morgenmiddag?”

Ze glimlachte sereen.
“Ik probeer juist los te komen van aardse bezitssystemen.”

“Ik erf zes miljoen euro.”

Ze kneep één oog dicht.
“Hoeveel aardse bezitssystemen precies?”

“Een huis, grond, aandelen—”

“En waarom ben ik alweer je ex?”

“Omdat jij zei dat ik emotioneel ongeschikt was.”

“En wat doe je nu?”

“Ik vraag je ten huwelijk om fiscale redenen.”

“Helder,” zei ze. “Nee.”

 

Kandidaat twee was Romy, een collega van de boekhandel. Ze vond Milan altijd “wel lief, maar wat week in de pols voor iemand die vakken vult bij de thrillers”.

“Trouwen?” zei ze terwijl ze hem aanstaarde boven een stapel kookboeken. “Ik weet niet eens wat je sterrenbeeld is.”

“Maagd.”

“Dat verklaart veel.”
“Er is geld.”
“Dat verklaart alles. Hoeveel?”
“Zes miljoen.”
“Hmm.”
Milan begon te glimlachen.
“Maar,” vervolgde Romy, “ik trouw volgende maand al met Sven.”
“Kan je dat niet vervroegen?”
“Sven?”
“Nee, met mij.”
“Je klinkt niet als iemand met een duurzaam plan.”
“Ik heb een pak!”
“Nee.”

 

Om elf uur ’s avonds zat Milan in café De Kromme Kurk met zijn beste vriend Joep, die bij elk probleem dezelfde drie oplossingen had: bier, een slecht idee, of beide.

“Je denkt te klein,” zei Joep, terwijl hij met een pinda op tafel tekende. “Je hebt geen liefde nodig. Je hebt een bruid nodig.”

“Dat klinkt alsof ik een tweedehands fiets zoek.”

“Exact. Er moet ergens iemand rondlopen die snel wil trouwen.”

“Dat is krankzinnig.”

“Dat,” zei Joep trots, “is waarom het gaat werken.”

Een uur later hingen er op drie lantaarnpalen, twee supermarktdeuren en het prikbord van de bibliotheek A4’tjes met de tekst:

GEZOCHT: BRUID (M/V niet uitgesloten, maar opa was ouderwets, dus liever V)
Spoedhuwelijk vóór morgen 15.00
Goede voorwaarden
Geen ervaring vereist
Graag eigen pen meenemen

Om kwart voor één meldde zich de eerste gegadigde.

Ze heette Chantal, had vier Chihuahua’s in haar handtas en vroeg meteen:
“Mag ik na het huwelijk ook direct scheiden?”

“Van mij wel.”

“En hoe zit het met alimentatie, het huis, en de Chihuahua-clausule?”

“De wat?”

“Mijn honden slapen tussen ons in.”

“Wij gaan niet echt samenleven,” zei Milan.

Chantal stond op.
“Ik voel me gebruikt.”

“Dat is letterlijk de kern van de deal,” zei Joep.

Ze gooide een bitterbal naar hem en vertrok.

 

Tegen drie uur ’s nachts begon de wanhoop op een medisch verschijnsel te lijken.

Toen kwam buurvrouw Elsje binnen. Ze was zevenenzestig, droeg een regenjas met eenden print en bezat de energie van iemand die koffiedronk uit woede.

“Ik hoorde van de briefjes,” zei ze. “Hoeveel krijg je?”

“Zes miljoen.”

“En wat moet jij precies doen?”

“Trouwen voor de begrafenis.”

“Dat is alles?”

“Ja.”

“Nou,” zei Elsje, “ik heb dinsdag toch niets.”

Milan knipperde.
“U… u wilt met mij trouwen?”

“Waarom niet? Mijn tweede man was erger. Die at kiwi met schil.”

Joep tikte Milan onder tafel.
“Dit is goud. Zeg ja.”

Maar nog voor Milan iets kon antwoorden, stormde zijn moeder het café binnen.

“Dat gaat absoluut niet door!” riep ze.
“Waarom niet?” zei Elsje. “Ik heb een nette blouse.”
“Omdat jij vroeger met opa hebt geflirt!”
Elsje trok haar kin op.
“En hij had smaak.”
“Je bent bijna veertig jaar ouder dan Milan!”
“Hij wilde een bruid, geen rekensom.”

Het mondde uit in een ruzie waarbij twee barkrukken sneuvelden, iemand “schande!” riep zonder duidelijke aanleiding, en Joep probeerde iedereen te kalmeren door een schaal kaasblokjes uit te delen.

Uiteindelijk ging Elsje weg met de waardigheid van een keizerin en drie gratis bierviltjes.

 

Om acht uur ’s ochtends had Milan wallen tot halverwege zijn knieën. De begrafenisondernemer belde om te vragen of er witte of crèmekleurige rozen gewenst waren. De notaris belde om te zeggen dat “de tijd juridisch gezien in motion bleef”. Tante Gerda belde alleen maar om te lachen en weer op te hangen.

Toen er op zijn deur werd geklopt, verwachtte Milan niets goeds meer.

Op de stoep stond Noor.

Noor woonde twee straten verderop en had vroeger bij hem in de klas gezeten. Ze was slim, scherp, en had eens tijdens een schoolreisje een buschauffeur laten huilen omdat hij haar onterecht van zwartrijden had beschuldigd. Milan had al jaren een stille zwak voor haar, maar in haar buurt veranderde hij steevast in een meubelstuk.

“Ik heb gehoord wat er aan de hand is,” zei ze.

“Van wie?”

“Van heel het dorp. De slager verkoopt al ‘bruidsworstjes’.”

Milan sloot zijn ogen.
“Natuurlijk.”

Noor keek hem even aan.
“Is het waar dat je opa alles aan jou nalaat als je voor drie uur trouwt?”

“Ja.”

“En anders gaat het naar een duivenhokkenstichting?”

“Ja.”

“Wat een merkwaardige man was dat.”

“Je hebt geen idee.”

Noor haalde diep adem.
“Goed. Ik wil je helpen.”

Milan verslikte zich bijna in zijn eigen hoop.
“Echt?”

“Onder voorwaarden.”

“Welke?”

“Eén: je liegt niet tegen me. Twee: je doet niet alsof dit romantisch is als het dat niet is. Drie: als je die erfenis krijgt, betaal je eindelijk dat dak van je moeder. Dat lekt al jaren.”

Milan staarde haar aan.
“Dat is… verrassend redelijk.”

“Vier,” zei Noor, “ik wil na afloop een behoorlijke lunch.”

“Lunch?”

“Ik ga niet op een lege maag een schijnhuwelijk aan.”

Hij knikte heftig.
“Ja. Alles. Lunch, dak, waarheid, geen romantiek.”

Noor kneep haar ogen samen.
“Geen romantiek?”

Milan voelde hoe zijn gezicht begon te gloeien.
“Nou… ik bedoel… tenzij— niet dat ik— ik zeg alleen—”

“Daar is het meubelstuk weer,” zei Noor.

 

Wat volgde was een race tegen de klok waarin alles misging wat mis kon gaan.

Op het gemeentehuis bleek de ambtenaar van de burgerlijke stand bezig met een cursus “intuïtief vilten” en pas om half twee bereikbaar.
De printer voor de formulieren liep vast op pagina één.
Joep verscheen met ringen uit een automaat waarop “Forever Friends” stond gegraveerd.
De getuigen, Karel en Milans moeder, kregen onderweg ruzie over wie er ooit de kristallen schaal van oma had meegenomen.
Notaris Van Heumen kwam te laat omdat hij zijn leesbril in de koelkast had gelegd “naast de huzarensalade”.

Om kwart over twee stond iedereen eindelijk in een muffe trouwzaal die rook naar linoleum en bestuurlijke wanhoop.

De ambtenaar, een vrouw met een brilketting als scheepsanker, keek over haar papieren.
“Wij zijn hier bijeen om Milan van der Waal en… eh…”
Ze fronste.
“Waarom staat hier ‘Noor eventueel’?”

Joep stak zijn hand op.
“Werkversie.”

Noor gaf hem een blik die hout had kunnen splijten.

De ambtenaar kuchte.
“Goed. Wenst u beiden uit vrije wil met elkaar in het huwelijk te treden?”

Op dat moment vloog de deur open.

Tante Gerda.

“Ik teken protest aan!” riep ze. “Dit is een schijnvertoning! Een farce! Een belediging voor mijn broer zijn nagedachtenis!”

“Uw broer had letterlijk deze voorwaarde in zijn testament gezet,” zei de notaris.

“Dat maakt het nog geen nette toestand!”

“Hij verzamelde opgezette fretten,” zei Noor. “Volgens mij was netheid nooit het criterium.”

Tante Gerda hapte naar adem alsof ze was neergeschoten met een moreel argument.

De ambtenaar keek op de klok.
“Als er nog iemand een dramatische entree wil maken, graag nu. Ik heb om drie uur vrij.”

Niemand sprak.

Ze richtte zich opnieuw tot Milan.
“En u?”

Milan keek naar Noor. Voor het eerst die dag was het stil. Geen tikkende klok, geen ruziënde familie, geen Joep die ongevraagd confetti had meegenomen in een broodzak.

Alleen Noor.

“Noor,” zei hij, opeens verrassend helder, “eigenlijk lieg ik al sinds je hier bent.”

“Dat was voorwaarde één,” zei ze.

“Ik weet het. Ik zei dat het niet romantisch was, maar voor mij is het dat wel. Niet op een verstandige manier, eerder op een volstrekt rampzalige. Ik vond je op school al leuk. Ik vind je nog steeds leuk. Misschien is dit het slechtste huwelijksaanzoek uit de geschiedenis van het burgerlijk recht, maar… als jij nu nee zegt, snap ik dat.”

De ambtenaar zuchtte.
“Eindelijk iets menselijks.”

Noor keek hem een paar tellen aan. Toen glimlachte ze scheef.
“Je bent een idioot, Milan.”

“Dat is niet per se een nee,” fluisterde Joep hoopvol.

“Nooit geweest ook,” zei Noor.

Ze pakte Milans hand.
“Ja. Ik wil.”

Tante Gerda maakte een geluid alsof iemand op haar ziel was gaan staan.

“Dan verklaar ik u hierbij tot echtgenoten,” zei de ambtenaar snel, alsof ze bang was dat er anders nog een geit door de deur zou komen. “U mag elkaar kussen, of een hand geven, afhankelijk van uw emotionele ontwikkeling.”

Milan en Noor kusten elkaar.

Joep gooide de broodzak confetti te hard omhoog, waardoor de helft in de ventilator terechtkwam en de trouwzaal veranderde in een soort feestelijke sneeuwstorm van Action-kwaliteit.

 

Een uur later stonden ze op de begraafplaats.

De wind was zacht. De familie was stil, op een enkele snik van tante Gerda na, al was niet helemaal duidelijk of die om opa of om de misgelopen erfenis ging.

Notaris Van Heumen kwam naast Milan staan.
“Gefeliciteerd. Alles is nu rechtsgeldig.”

“Dank u,” zei Milan.

De notaris keek naar de kist, toen naar Milan.
“Uw grootvader was een eigenaardige man.”

“Noemt u dat maar.”

“Ik heb hem ooit gevraagd waarom hij deze clausule toevoegde,” zei de notaris.
“En?”

“Hij zei: ‘Die jongen denkt te lang na. Als hij ooit gelukkig wil worden, moet ik hem een beetje in brand steken.’”

Milan begon te lachen. Eerst zacht, toen harder. Noor ook. Zelfs zijn moeder moest glimlachen.

Uiteraard vond tante Gerda dat ongepast.

Maar toen de kist daalde en ergens achteraan een duif op het hoofd van neef Karel poepte, brak de plechtigheid definitief.

Joep schoot in een slappe lach.
De begrafenisondernemer verloor zijn ernst.
Milans moeder moest tegen een grafsteen leunen.
En Noor veegde tranen uit haar ogen terwijl ze zei:
“Je opa had humor.”

“Gruwelijke humor,” zei Milan.

“De beste soort.”

Ze haakte haar arm in de zijne.
“En nu die lunch.”

“Nu?”

“Wij zijn getrouwd. Ik stel meteen grenzen. Eerst lunch, dan rouw, dan miljoenenzaken.”

Milan keek naar haar en glimlachte.
“Deal.”

Achter hen mompelde tante Gerda nog iets over beschaving, eigendomsrecht en het verval van de familie-eer, maar niemand luisterde meer.

Opa Hubert lag onder de grond.
De duivenhokkenstichting ving bot.
En Milan had, tussen het verdriet, de chaos en een storm van confetti, precies gekregen wat hij niet had durven hopen:

Niet alleen de erfenis,
maar ook de bruid.

En een lunchrekening waar Joep zich, geheel ten onrechte, ook voor uitgenodigd voelde.