Het Zwaard van Sirius

Ridder Armand hoort in een afgelegen herberg over het legendarische Zwaard van Sirius, een mystiek wapen dat zijn bezitter ongekende macht zou geven. Vastbesloten om het te vinden, koopt hij een oude kaart en begint aan een gevaarlijke tocht door ruige landschappen en vijandig gebied.

Onderweg wordt hij geconfronteerd met zware beproevingen die al zijn moed, kracht en slimheid op de proef stellen. Zijn zoektocht voert hem steeds dichter naar een verborgen plek vol gevaar, mysterie en rijkdom. Het verhaal is een avontuurlijke actievertelling over moed, doorzettingsvermogen en de jacht op een legende.

In de dagen waarin koninkrijken nog werden begrensd door donkere wouden, verraderlijke bergpassen en rivieren zonder naam, leefde er een ridder die in alle uithoeken van het land bekendstond om zijn moed. Zijn naam was Armand van Valen, een man met brede schouders, een gehavend schild en een blik die zelfs in het donker recht vooruit bleef kijken. Hij had gevochten in veldslagen, roversbenden verdreven en dorpen beschermd tegen alles wat uit de schaduwen kroop. Toch was er één ding dat hij nog nooit had gevonden: iets dat groter was dan roem, groter zelfs dan eer. Een avontuur dat zijn naam voor altijd in de geschiedenis zou griffen.

Dat avontuur begon op een koude avond in een afgelegen herberg aan de rand van het Drenkende Woud.

De herberg zat vol met reizigers, handelaren en soldaten die te moe waren om verder te trekken. De lucht hing zwaar van houtrook, natte wol en morsig bier. In een hoek, dicht bij het vuur, zat een oude verhalenverteller met een stem als schurend perkament. Telkens als hij sprak, vielen de gesprekken in de zaal stil. Zelfs de meest dronken gasten luisterden dan aandachtig.

Armand, die die avond slechts op zoek was naar een warme maaltijd en een droog bed, ving een paar woorden op die hem direct rechtop deden zitten.

“...het Zwaard van Sirius,” zei de oude man, terwijl zijn ogen glansden in het schijnsel van de vlammen. “Een wapen dat niet slechts staal is, maar macht. Er wordt gezegd dat het de kracht van sterren in zich draagt. Wie het bezit, kan legers doen beven en koninkrijken naar zijn hand zetten.”

Een paar mannen lachten ongelovig, maar de oude man hief zijn knokige hand.

“Lach maar. Velen hebben ernaar gezocht. Geen van hen keerde terug met het zwaard.”

Na afloop van het verhaal wachtte Armand niet lang. Hij liep naar de oude man toe en zette een zware zilveren munt op tafel.

“U kent de plek?” vroeg hij.

De verhalenverteller keek hem lang aan, alsof hij probeerde te bepalen of de ridder dapper of dom was. Uiteindelijk haalde hij vanonder zijn mantel een opgerolde, verweerde kaart tevoorschijn. Het perkament was oud, de randen waren gescheurd en op verschillende plaatsen waren vreemde tekens in rode inkt aangebracht.

“Deze kaart wijst de weg,” zei hij langzaam. “Maar hij brengt je niet veilig terug. De weg naar het Zwaard van Sirius is bewaakt. Eerst door mensen, daarna door iets dat veel erger is.”

Armand legde nog twee zilverstukken neer.

“Dan neem ik de kaart.”

De oude man gaf haar zonder glimlach af. “Pas op, ridder. Niet elke schat is bedoeld om gevonden te worden.”

Die nacht sliep Armand nauwelijks. Hij spreidde de kaart uit op de houten tafel van zijn kamer en bestudeerde elke lijn, elke markering, elk symbool. De route leidde hem door het Drenkende Woud, over de Kale Heuvels en uiteindelijk naar een plek die op de kaart slechts aangeduid werd met een zwart getekende berg en één woord: Sirius.

Bij het eerste licht van de ochtend zadelde hij zijn paard, Rowan, borg de kaart veilig op in een leren koker en vertrok.

De tocht begon rustig, maar al snel werd het land ruwer. Het Drenkende Woud deed zijn naam eer aan. De bodem was drassig, mist hing tussen de stammen en overal klonk het druppen van water. De bomen stonden er zo dicht opeen dat het zonlicht nauwelijks de grond bereikte. Soms meende Armand beweging te zien tussen de wortels, flitsen van ogen in het grijze groen, maar wanneer hij zijn hoofd draaide, was er niets dan nevel en stilte.

Drie dagen reed hij door het woud. Op de vierde dag werd hij aangevallen door wolven, mager en wanhopig van de honger. Ze kwamen laag en snel uit de struiken geschoten. Armand trok zijn zwaard en Rowan steigerde, maar samen wisten ze de dieren af te slaan. Eén wolf viel dood neer, de rest vluchtte grommend weg tussen de bomen. Armand hield er enkel een scheur in zijn mantel aan over.

Toen hij het woud eindelijk achter zich liet, lag voor hem een troosteloos landschap van steen en wind. De Kale Heuvels waren kaal, zoals hun naam beloofde: geen bomen, geen schaduw, alleen scherpe rotsen en stof dat door de lucht joeg. Hier was het moeilijker reizen. Overdag brandde de zon genadeloos, en ’s nachts sneed de kou door zijn harnas heen. Toch hield Armand vol. Elke avond haalde hij de kaart tevoorschijn en volgde hij nauwgezet de weg die de oude verhalenverteller hem had verkocht.

Op de zevende dag zag hij in de verte iets dat niet bij het landschap hoorde: zwarte tenten, speren die in de grond waren geplant en een vlag met een bloedrode wolf erop. Een legerkamp.

Armand steeg af en klom voorzichtig een rotspunt op om beter te kijken. Het was geen groot leger, maar wel groot genoeg om een enkele ridder tegen te houden. Er waren tientallen soldaten, gewapend met lansen, zwaarden en bogen. Aan de andere kant van hun kamp zag hij wat hij zocht: een smalle doorgang tussen twee steile rotswanden. Op zijn kaart was precies die doorgang gemarkeerd. Er was geen andere weg.

Hij wist dat hij zich kon omdraaien. Hij wist ook dat hij het niet zou doen.

Die avond wachtte Armand tot de schemering viel. Vanaf de rotsen observeerde hij de wisseling van de wacht, de plaatsen van de vuren en de zwakke plekken in de verdedigingslinie. Toen de eerste sterren verschenen, gleed hij stil als een schaduw langs de rand van het kamp. Even leek het te lukken.

Tot een schildwacht zijn helm zag glinsteren.

“Daar!” klonk een schreeuw.

In een oogwenk was het kamp wakker. Soldaten grepen naar hun wapens, fakkels werden opgestoken en pijlen suisden door de lucht. Armand had geen keuze meer. Hij trok zijn zwaard, hees zijn schild omhoog en stormde naar voren.

De eerste man die hem onderschepte, sloeg hij met één harde houw tegen de grond. Een tweede probeerde hem met een speer te doorboren, maar Armand sloeg de punt opzij en ramde zijn schild tegen de borst van de soldaat. Overal om hem heen klonk het kletteren van staal. Hij vocht niet alleen met kracht, maar met ervaring. Hij wist waar hij moest staan, wanneer hij moest bukken, wanneer hij moest toeslaan.

Toch waren het er veel.

Een pijl schampte zijn arm. Een zwaard raakte zijn schouderplaat en liet een diepe kras achter. Een soldaat greep zijn mantel vast, maar Armand draaide zich los en sloeg hem neer. Hij bewoog steeds verder richting de doorgang, stap voor stap, alsof hij zich een weg hakte door een levende muur.

Toen verscheen de aanvoerder van het kamp: een brede krijgsheer in zwart pantser, met een kromzwaard en een helm in de vorm van een wolvenkop.

“Niemand gaat voorbij,” bulderde hij.

De man viel aan met brute kracht. Hun zwaarden botsten zo hard dat vonken in het rond sprongen. De krijgsheer sloeg snel en zwaar, maar Armand hield stand. Hij week uit, ving een slag op met zijn schild en voelde hoe het hout onder de klap kreunde. Toen zag hij zijn kans. De krijgsheer hief zijn zwaard te hoog op voor een dodelijke neerwaartse slag. Armand stapte naar binnen, draaide zijn lichaam en stootte zijn zwaard onder de rand van het zwarte pantser.

De aanvoerder hapte naar adem, liet zijn wapen vallen en zakte op zijn knieën.

Toen hun leider viel, brak de moed van de soldaten. Sommigen bleven nog even vechten, maar de rest sloeg op de vlucht. Binnen enkele minuten was het kamp veranderd in een chaos van omgevallen tenten, dode vuren en achtergelaten wapens.

Armand stond hijgend midden tussen het stof. Zijn arm bloedde, zijn schild was gebarsten en zijn benen trilden van uitputting. Toch glimlachte hij grim. De weg lag open.

Na een korte rust vervolgde hij zijn tocht door de smalle doorgang tussen de rotsen. Daarachter veranderde het land opnieuw. De lucht werd warm en droog. De stenen onder zijn voeten voelden vreemd heet aan, zelfs ’s nachts. Op sommige plaatsen kringelde rook uit scheuren in de grond. De kaart leidde hem naar een donkere berg, hoger en scherper dan alle andere. De top was omgeven door een sluier van as.

Bij de voet van de berg vond hij de ingang van een grot. Ze was enorm, alsof de berg zelf zijn mond had geopend. Uit de diepte klonk een laag, rollend geluid dat Armand deed denken aan donder.

Hij bond Rowan vast aan een rotspunt, gaf het paard een laatste klop op de hals en trok zijn zwaard.

“Wacht hier op mij,” fluisterde hij.

De grot was donker, maar niet volledig. Hier en daar gloeiden spleten in de wand rood van binnenuit, alsof er vuur in het hart van de berg brandde. Armand liep voorzichtig verder. De lucht werd heter bij elke stap. Dan rook hij het: zwavel, as en iets anders — de scherpe geur van een roofdier.

Een dreunende ademhaling vulde de ruimte.

Armand bleef stokstijf staan.

Voor hem, op een verhoging van zwart steen, opende zich langzaam een paar vurige ogen. Daarna bewoog een gigantische kop uit de schaduw naar voren. Schubben zo rood als gloeiend ijzer. Hoorns als kromme speren. Klauwen groot genoeg om een paard in tweeën te scheuren.

De draak.

Hij was groter dan welk monsterverhaal Armand ooit had gehoord. Toen het wezen opstond, schraapten zijn vleugels langs het plafond van de grot. Een trage grom rolde uit zijn keel, diep en dreigend.

Armand voelde angst. Echte, rauwe angst. Maar hij zette geen stap achteruit.

Met een oorverdovende brul opende de draak zijn muil en spuwde een stroom vuur door de grot. Armand dook achter een rotsblok. De hitte was zo fel dat hij zelfs daar zijn wenkbrauwen voelde schroeien. Steen barstte met luide knallen open.

Hij wist dat hij in een rechtstreeks gevecht geen kans had. Dus deed hij wat echte ridders doen wanneer kracht alleen niet genoeg is: hij dacht na.

De grot was ongelijk, vol rotsrichels, zuilen en scheuren. Terwijl de draak opnieuw vuurspuwde, rende Armand naar links, dook weg achter een tweede zuil en lokte het beest dieper de grot in. De draak volgde hem, zwaar maar snel, en sloeg met zijn staart een stenen pilaar omver.

Armand zag boven zich een smalle richel. Hij klom erop terwijl de draak hem van onderen probeerde te grijpen. Een klauw schampte zijn laars en deed hem bijna vallen. Hij trok zich op, rende over de richel en sprong naar een uitstekende steen aan de andere kant.

De draak draaide zich woedend om en spuwde opnieuw vuur, maar ditmaal raakte de vlam een zwakke plek in het plafond. Grote brokken steen begonnen los te breken. De draak schrok, sloeg met zijn vleugels en week achteruit.

Dat was het moment waarop Armand zijn kans zag.

Hij sprintte over de richel, sprong omlaag en landde op de rug van het monster, tussen twee rijen gloeiende stekels. De draak gierde en schudde wild met zijn lichaam. Armand klemde zijn benen vast, trok zijn zwaard omhoog en zocht naar een opening tussen de schubben bij de nek — de plek waar zelfs een draak kwetsbaar kon zijn.

Met een kreet van inspanning stootte hij zijn zwaard naar beneden.

Het staal drong tussen de schubben. De draak schreeuwde, zo luid dat de grot ervan dreunde. Het beest sloeg met zijn kop tegen de wanden, probeerde hem af te werpen, kronkelde als een storm op poten. Maar Armand hield vol en dreef het zwaard dieper.

Toen zakte de draak plotseling door zijn poten.

Met een laatste, borrelende grom stortte het monster neer. De grond beefde. Stof steeg op. Daarna werd alles stil, op het geknetter van kleine vlammetjes na.

Armand rolde van de draken rug af en bleef een moment op zijn knieën zitten, happend naar adem. Zijn handen trilden. Zijn harnas was zwartgeblakerd, zijn gezicht nat van zweet, zijn armen zwaar van uitputting. Toch leefde hij. En de weg voor hem was vrij.

Dieper in de grot werd de ruimte plots wijder. De wanden bogen open tot een enorme ondergrondse zaal, groter dan menig troonzaal. En daar, in het schijnsel van het vurige gesteente, zag Armand een aanblik die hem alle pijn bijna deed vergeten.

Overal lagen gouden munten.

Ze vormden bergen en rivieren van glanzend metaal, vermengd met zilveren bekers, juwelen, kronen, halskettingen en edelstenen die fonkelden als sterren in de nacht. Het leek alsof hele koninkrijken hier hun schatten hadden verloren. In het midden van al die rijkdom stond op een verhoging van donkere steen datgene waarvoor hij zijn leven had gewaagd.

Het Zwaard van Sirius.

Het was mooier en vreemder dan hij zich had voorgesteld. De kling glansde met een blauwachtig licht, koud en helder, alsof de nachtelijke hemel erin gevangen zat. Kleine zilveren lijnen liepen door het metaal als sterrenbanen. Het gevest was omwikkeld met donker leer, en in de pommel schitterde een steen die leek op een bleke ster.

Maar het zwaard stond niet los.

Het zat diep vast in een steen van zwart graniet.

Armand liep langzaam dichterbij. Voor het eerst sinds zijn vertrek aarzelde hij. Dit was het moment waarvoor hij gevochten had. Waarvoor hij had gebloed. Waarvoor hij een leger had verslagen en een draak had gedood.

Hij stak zijn hand uit en greep het gevest.

Het voelde koud aan, ondanks de hitte van de grot.

Armand zette zijn voeten schrap en trok.

Niets.

Hij kneep zijn kaken op elkaar en probeerde opnieuw, met meer kracht. Spieren spanden zich in zijn armen en schouders. Zijn harnas kraakte. Toch bleef het zwaard roerloos staan.

Hij stapte achteruit, haalde diep adem en greep het opnieuw beet. Ditmaal plantte hij één voet tegen de steen en trok met alles wat hij in zich had. Er schoot pijn door zijn wond, zijn adem stokte en zijn handen begonnen te beven.

Maar het Zwaard van Sirius bewoog geen haar.

Armand liet los en keek er zwijgend naar. Misschien, dacht hij, had hij nog niet hard genoeg getrokken. Misschien moest hij het anders proberen. Hij veegde zijn handen droog, gromde zacht en zette nog één laatste poging in. Zijn gezicht vertrok van inspanning, zijn laarzen schoven over de stenen vloer, de pezen in zijn nek stonden strak.

Niets.

Alleen de echo van zijn adem vulde de zaal.

Hij bleef een tijdlang voor de steen staan, zwijgend en verslagen. Na alles wat hij had doorstaan, voelde dit bijna wreder dan verslagen worden in de strijd. Hij had de weg gevonden. Hij had alle gevaren overwonnen. Hij stond oog in oog met de legende. En toch was het zwaard niet voor hem.

Langzaam week de bitterheid uit zijn blik. Hij keek om zich heen naar de bergen goud, naar de dode draak in de verte en terug naar het zwaard dat bleef staan als een ster die niet van de hemel te halen was.

Toen begon hij onverwacht te lachen. Eerst zacht, daarna oprecht.

“Dus zo zit het,” zei hij tegen de lege grot. “Ik kan een leger verslaan. Ik kan een draak doden. Maar dit zwaard kiest een ander.”

Hij schudde zijn hoofd en liet zijn hand nog één keer over het gevest glijden, bijna eerbiedig.

“Goed dan. Houd je geheimen.”

Armand keek naar de schat om hem heen. Hij bukte, raapte een handvol gouden munten op en liet ze rinkelen in zijn handschoen. Daarna vulde hij zijn zadeltassen, zijn mantel en alles wat hij maar kon dragen met goud en kostbaarheden. Niet uit hebzucht, maar met de tevredenheid van iemand die begreep dat een overwinning niet altijd eruitziet zoals men had gehoopt.

Toen hij de grot verliet, was de lucht buiten koel en helder. Rowan hinnikte zacht toen hij zijn meester zag terugkeren. Armand bond de volle tassen vast aan het zadel en keek nog één keer om naar de donkere ingang van de berg.

Daarbinnen bleef het Zwaard van Sirius achter, onbewogen in zijn steen, omgeven door stilte, schaduw en een dode draak.

Misschien, dacht Armand, was dat maar beter ook. Want een man met te veel macht verliest soms het zicht op wat werkelijk telt. Goud kon een leven veranderen. Eer kon een naam doen voortleven. Maar macht, die door sterren gesmeed leek, hoorde misschien alleen toe aan wie nog niet gekomen was.

Met dat idee keerde hij huiswaarts.

Toen hij weken later terugreed door de poorten van zijn eigen land, begroetten de mensen hem als een held. Ze zagen de schatten, de littekens, het beschadigde harnas en de vastberaden rust in zijn ogen. Sommigen vroegen of hij het legendarische zwaard had gevonden.

Armand glimlachte dan slechts.

“Ik vond wat voor mij bestemd was.”

En dat was de waarheid.

Want hoewel hij het Zwaard van Sirius nooit uit de steen had gekregen, keerde hij niet terug als een verliezer. Hij keerde terug als een man die het onmogelijke had benaderd, de dood had getrotseerd en begreep dat niet iedere schat bedoeld is om meegenomen te worden.

Soms, zo leerde ridder Armand, moet zelfs de grootste held tevreden zijn met een paard, een paar littekens en een berg gouden munten.

En vreemd genoeg was dat meer dan genoeg.


Inspiratiebron

Source of Inspiration

 

Altor 1

De Kracht van het Kristal

1996


Sword Of Sirius Mp 3
Audio – 13,9 MB 2 downloads

The Sword of Sirius

Armand of Valen, a renowned knight, hears a legend about the Sword of Sirius, a powerful and mysterious weapon said to hold the strength of the stars. Drawn by the promise of a life-changing adventure, he sets out on a dangerous journey guided by an ancient map. Along the way, he must cross wild and hostile lands, face deadly enemies, and rely not only on his strength, but also on his courage and wit. The story is a classic fantasy adventure about ambition, perseverance, and the search for something greater than glory.

In the days when kingdoms were still bounded by dark forests, treacherous mountain passes, and rivers without names, there lived a knight who was known in every corner of the land for his courage. His name was Armand of Valen, a man with broad shoulders, a battered shield, and a gaze that kept looking straight ahead even in the dark. He had fought in battles, driven off bands of robbers, and protected villages from everything that crept out of the shadows. And yet there was one thing he had never found: something greater than fame, greater even than honor. An adventure that would carve his name into history forever.

That adventure began on a cold evening in a remote inn at the edge of Drowning Wood.

The inn was full of travelers, merchants, and soldiers too weary to go any farther. The air hung heavy with woodsmoke, wet wool, and spilled ale. In one corner, close to the fire, sat an old storyteller with a voice like scraping parchment. Whenever he spoke, the conversations in the hall fell silent. Even the drunkest guests listened intently.

Armand, who had only been looking for a warm meal and a dry bed, caught a few words that made him sit up at once.

“...the Sword of Sirius,” the old man said, his eyes gleaming in the firelight. “A weapon that is not merely steel, but power. It is said to hold the strength of the stars within it. Whoever possesses it can make armies tremble and bend kingdoms to their will.”

A few men laughed in disbelief, but the old man raised his knotted hand.

“Laugh if you like. Many have searched for it. None returned with the sword.”

When the tale was over, Armand did not wait long. He walked up to the old man and set a heavy silver coin on the table.

“You know the place?” he asked.

The storyteller studied him for a long moment, as if trying to decide whether the knight was brave or foolish. At last, he drew out a rolled, weathered map from beneath his cloak. The parchment was old, its edges torn, and strange symbols had been marked in red ink across several places.

“This map shows the way,” he said slowly. “But it will not bring you back safely. The road to the Sword of Sirius is guarded. First by men, and then by something far worse.”

Armand laid down two more silver coins.

“Then I’ll take the map.”

The old man handed it over without a smile. “Be careful, knight. Not every treasure is meant to be found.”

That night Armand scarcely slept. He spread the map out on the wooden table in his room and studied every line, every marking, every symbol. The route led him through the Drowning Wood, across the Bare Hills, and finally to a place marked on the map with only a black-drawn mountain and a single word: Sirius.

At first light, he saddled his horse, Rowan, secured the map in a leather case, and set out.

The journey began quietly, but the land soon grew rougher. The Drowning Wood lived up to its name. The ground was marshy; mist hung between the trunks and everywhere came the sound of dripping water. The trees stood so tightly packed that sunlight barely reached the earth. At times Armand thought he saw movement between the roots, flashes of eyes in the gray-green haze, but whenever he turned his head there was nothing except mist and silence.

He rode through the wood for three days. On the fourth day he was attacked by wolves, lean and desperate with hunger. They came low and fast out of the underbrush. Armand drew his sword, and Rowan reared, but together they managed to drive the animals off. One wolf fell dead; the others fled growling into the trees. Armand was left with nothing more than a tear in his cloak.

When he finally left the forest behind, a bleak landscape of stone and wind lay before him. The Bare Hills were as barren as their name promised: no trees, no shade, only jagged rocks, and dust whipping through the air. Travel was harder here. By day, the sun burned mercilessly, and by night the cold cut straight through his armor. Still, Armand pressed on. Every evening, he took out the map and carefully followed the path the old storyteller had sold him.

On the seventh day he saw something in the distance that did not belong in the landscape: black tents, spears planted in the ground, and a banner bearing a blood-red wolf. An army camp.

Armand dismounted and climbed cautiously onto a rocky outcrop to get a better look. It was not a large army, but it was more than enough to stop a single knight. There were dozens of soldiers, armed with lances, swords, and bows. Beyond their camp he saw what he sought: a narrow passage between two steep rock walls. On his map, that very pass was marked. There was no other way.

He knew he could turn back. He also knew that he would not.

That evening, he waited until dusk fell. From the rocks he observed the changing of the guard, the positions of the fires, and the weak points in the defensive line. When the first star appeared, he slipped like a shadow along the edge of the camp. For a moment, it seemed to work.

Until a sentry caught the gleam of his helmet.

“There!” came a shout.

In an instant the camp was awake. Soldiers seized their weapons, torches were lit, and arrows hissed through the air. Armand had no choice. He drew his sword, raised his shield, and charged forward.

The first man who intercepted him he knocked to the ground with a single fierce blow. A second tried to run him through with a spear, but Armand swept the point aside and slammed his shield into the soldier’s chest. All around him rang the clash of steel. He fought not only with strength, but with experience. He knew where to stand, when to duck, when to strike.

But there were too many of them.

An arrow grazed his arm. A sword struck his shoulder plate and left a deep gouge. One soldier grabbed his cloak, but Armand twisted free and struck him down. Step by step he moved closer to the pass, as though he were hacking his way through a living wall.

Then the camp’s commander appeared: a broad warlord in black armor, wielding a curved sword and wearing a helmet shaped like a wolf’s head.

“No one passes,” he thundered.

The man attacked with brutal force. Their swords met so hard that sparks flew. The warlord struck fast and heavy, but Armand held his ground. He dodged, caught a blow with his shield, and felt the wood groan beneath the impact. Then he saw his opening. The warlord raised his sword too high for a deadly downward strike. Armand stepped in, turned his body, and drove his sword beneath the edge of the black armor.

The commander gasped, dropped his weapon, and sank to his knees.

When their leader fell, the soldiers’ courage broke. A few fought on for a moment longer, but the rest turned and fled. Within minutes the camp had become chaos of overturned tents, dying fires, and abandoned weapons.

Armand stood in the dust, breathing hard. His arm was bleeding, his shield was cracked, and his legs trembled with exhaustion. Yet he smiled grimly. The way lay open.

After a short rest, he continued through the narrow passage between the rocks. Beyond it, the land changed again. The air became warm and dry. The stones beneath his feet felt strangely hot, even at night. In some places smoke curled from cracks in the ground. The map led him to a dark mountain, taller and sharper than all the others. Its summit was veiled in a shroud of ash.

At the foot of the mountain, he found the entrance to a cave. It was enormous, as if the mountain itself had opened its mouth. From the depths came a low, rolling sound that reminded Armand of thunder.

He tied Rowan to a rocky outcrop, gave the horse one last pat on the neck, and drew his sword.

“Wait here for me,” he whispered.

The cave was dark, but not entirely. Here and there, cracks in the walls glowed red from within, as though fire burned in the mountain’s heart. Armand moved forward carefully. The air grew hotter with every step. Then he smelled it: sulfur, ash, and something else — the sharp scent of a predator.

A heavy, rumbling breath filled the chamber.

Armand froze.

Before him, upon the rise of black stone, a pair of fiery eyes slowly opened in the darkness. Then a gigantic head emerged from the shadows. Scales as red as glowing iron. Horns like curved spears. Claws large enough to tear a horse in two.

The dragon.

It was larger than any monster tale Armand had ever heard. When it rose, its wings scraped the ceiling of the cave. A slow growl rolled from its throat, deep, and menacing.

Armand felt fear. Real, raw fear. But he did not take a single step back.

With a deafening roar, the dragon opened its jaws and spewed a torrent of fire through the cave. Armand dove behind a boulder. The heat was so intense that even there he felt his eyebrows singe. Stones burst apart with sharp cracks.

He knew he stood no chance in a direct fight. So, he did what true knights do when strength alone is not enough: he thought.

The cave was uneven, full of rocky ledges, pillars, and fissures. As the dragon spat fire again, Armand ran left, ducked behind a second column, and lured the beast deeper into the cave. The dragon followed, heavy but fast, sweeping down a stone pillar with its tail.

Armand spotted a narrow ledge above him. He climbed onto it while the dragon tried to snatch him from below. A claw grazed his boot and nearly sent him falling. He hauled himself up, ran across the ledge, and leaped to a jutting stone on the other side.

The dragon wheeled around in fury and breathed fire again, but this time the flame struck a weak point in the ceiling. Huge chunks of stone began to break loose. The dragon recoiled, beat its wings, and fell back.

That was the moment Armand saw his chance.

He sprinted along the ledge, jumped down, and landed on the monster’s back between two rows of glowing spines. The dragon screamed and thrashed wildly. Armand clamped his legs tight, raised his sword, and searched for an opening between the scales at the neck — the place where even a dragon might be vulnerable.

With a cry of effort, he drove his sword downward.

The steel pierced between the scales. The dragon shrieked so loudly that the cave trembled. The beast slammed its head against the walls, tried to throw him off, twisted like a storm made flesh. But Armand held on and drove the sword deeper.

Then suddenly the dragon collapsed.

With one last bubbling growl, the monster fell. The ground shook. Dust rose. After that, all was silent save for the crackling of little flames.

Armand rolled off the dragon’s back and remained on his knees for a moment, gasping for breath. His hands trembled. His armor was blackened by fire, his face slick with sweat, his arms heavy with exhaustion. Yet he lived. And the path before him was clear.

Deeper in the cave, the chamber suddenly widened. The walls opened into a vast underground hall, larger than many a throne room. And there, in the glow of the fiery rock, Armand beheld a sight that almost made him forget all pain.

Gold coins lay everywhere.

They formed hills and rivers of gleaming metal, mingled with silver cups, jewels, crowns, necklaces, and gemstones that glittered like stars in the night. It looked as though entire kingdoms had lost their treasures here. In the middle of all that wealth, upon the rise of dark stone, stood the thing for which he had risked his life.

The Sword of Sirius.

It was more beautiful and stranger than he had imagined. The blade shone with a bluish light, cold and clear, as if the night sky had been trapped inside it. Tiny silver lines ran through the metal like the paths of stars. The hilt was wrapped in dark leather, and in the pommel gleamed a stone like a pale star.

But the sword did not stand freely.

It was buried deep in a block of black granite.

Armand walked toward it slowly. For the first time since his departure, he hesitated. This was the moment for which he had fought. Bled for. The reason he had defeated an army and slain a dragon.

He reached out and grasped the hilt.

It felt cold despite the heat of the cave.

Armand braced his feet and pulled.

Nothing.

He clenched his jaw and tried again, with more force. Muscles tightened in his arms and shoulders. His armor creaked. Yet the sword remained utterly still.

He stepped back, took a deep breath, and seized it again. This time he planted one foot against the stone and pulled with everything he had in him. Pain shot through his wound, his breath caught, and his hands began to shake.

But the Sword of Sirius did not move a hair.

Armand let go and stared at it in silence. He thought that he had not pulled hard enough. He had to try another way. He wiped his hands dry, gave a low growl, and made one final attempt. His face twisted with effort, his boots scraped over the stone floor, and the tendons in his neck stood taut.

Nothing.

Only the echo of his breathing filled the hall.

He remained standing before the stone for a long time, silent and defeated. After everything he had endured, this felt almost crueler than being beaten in battle. He had found the way. He had overcome every danger. He stood face to face with the legend. And yet the sword was not meant for him.

Slowly the bitterness faded from his expression. He looked around at the mountains of gold, at the dead dragon in the distance, and back at the sword that stood unmoving like a star that could not be taken from the sky.

Then, unexpectedly, he began to laugh. At first softly, then sincerely.

“So that’s how it is,” he said to the empty cave. “I can defeat an army. I can kill a dragon. But this sword chooses someone else.”

He shook his head and let his hand glide once more over the hilt, reverently.

“Very well, then. Keep your secrets.”

Armand looked at the treasure around him. He bent down, scooped up a handful of gold coins, and let them jingle in his gauntlet. Then he filled his saddlebags, his cloak, and everything else he could carry with gold and valuables. Not out of greed, but with the satisfaction of a man who understood that victory does not always look the way one expects.

When he left the cave, the air outside was cool and clear. Rowan whinnied softly when he saw his master return. Armand fastened the bulging bags to the saddle and glanced back one last time at the dark mouth of the mountain.

Inside, the Sword of Sirius remained in its stone, unmoving, surrounded by silence, shadow, and a dead dragon.

Armand thought that that was for the best. For a man with too much power sometimes loses sight of what truly matters. Gold could change life. Honor could keep a name alive. But power, forged as though from stars, belonged only to one who had not yet come.

With that thought, he turned toward home.

When, weeks later, he rode back through the gates of his own land, the people greeted him as a hero. They saw the treasure, the scars, the battered armor, and the calm determination in his eyes. Some asked whether he had found the legendary sword.

Armand merely smiled.

“I found what was meant for me.”

And that was the truth.

For although he had never managed to pull the Sword of Sirius from the stone, he did not return as a failure. He returned as a man who had come close to the impossible, defied death, and understood that not every treasure is meant to be carried away.

Sometimes, Sir Armand learned, even the greatest hero must be content with a horse, a few scars, and a mountain of gold coins.

And strangely enough, that was more than enough.