Geen Verrader aan de Galg
Hoofdstuk 1 – De laatste avond
De zon hing laag boven Dry Creek, rood en zwaar, alsof zelfs zij niet wilde toekijken naar wat de ochtend zou brengen. De lucht trilde boven de stoffige hoofdstraat. Zand kroop door de kieren van de houten gebouwen en hoopte zich op tegen drempels en regentonnen die al maanden geen druppel meer hadden opgevangen.
Een los luik sloeg met trage regelmaat tegen de gevel van de verlaten kruidenierswinkel.
Klap.
Stilte.
Klap.
Aan het uiteinde van de straat stond de galg. Het hout was nog nieuw en ongebleekt. De timmerman had zijn werk die middag voltooid en was daarna zonder betaling te vragen naar huis gegaan. Boven het platform hing een vers touw, zorgvuldig geknoopt en getest met een zak zand.
Niemand in Dry Creek wilde er lang naar kijken.
In de kleine cel achter het kantoor van de sheriff zat James Callahan, hoewel bijna niemand hem nog zo noemde. Voor de wet was hij Jake Callahan. Voor zijn vrienden was hij Red.
Hij zat met zijn rug tegen de muur en zijn benen uitgestrekt over de vloer. Zijn versleten hoed hing diep over zijn ogen. Een bord koude bonen stond onaangeroerd op een houten krukje naast de tralies.
Jake had honger, maar eten zou betekenen dat hij toegaf dat dit een gewone avond was. Alsof hij morgen kon opstaan, zijn hoed afkloppen en opnieuw de prairie in rijden.
Daarom luisterde hij.
Naar de wind langs de muren. Naar de laarzen op de veranda. Naar het zachte gerinkel van sporen. Naar ieder geluid dat een afscheid of een redding kon aankondigen.
Hij trok zijn knieën op en wreef met zijn duim over het dunne litteken langs zijn kaak. Het was een herinnering aan een messengevecht in Abilene, jaren geleden. De man met het mes had beweerd dat Jake vals had gespeeld met kaarten. Jake had geantwoord dat slecht verliezen nog geen bewijs van bedrog was.
De man had niet om de grap kunnen lachen.
Onder zijn hemd voelde Jake het kleine stukje leer dat hij aan een koord om zijn nek droeg. Daarin zat een gedroogd rood bloempje, broos en bijna tot stof vergaan. Zijn moeder had het hem gegeven toen hij nog James was, een jongen met blote voeten en kapotte knieën die ervan droomde de wereld achter de heuvels te zien.
“Zodat je weet waar je vandaan komt,” had ze gezegd.
Jake wist niet meer hoe haar stem precies klonk. Het bloempje was gebleven.
In het kantoor voor de cel zat sheriff Wales gebogen over zijn bureau. Voor hem lagen het doodvonnis, een halflege kop koffie en een kaart van het gebied rond Dry Creek.
Zijn ogen brandden van vermoeidheid. Hij had die nacht nauwelijks geslapen en verwachtte dat de komende nacht niet beter zou worden.
De voordeur werd zonder kloppen geopend.
Meneer Whitcomb stapte binnen. De bankier droeg ondanks de hitte een donker vest, een gesteven overhemd en een gouden horlogeketting. Zijn wandelstok tikte bij iedere stap tegen de vloer.
“Is hij al bereid te praten?” vroeg Whitcomb.
Wales leunde achterover. “Goedenavond zou ook kunnen.”
“Het is geen goede avond. Mijn geld is nog altijd verdwenen.”
“Het geld van de bank.”
“Mijn bank.”
“En van iedereen die er zijn spaargeld bewaart.”
Whitcomb kneep zijn lippen samen. “Dat verandert niets. Callahan weet waar het ligt. Hij weet ook wie hem geholpen heeft.”
Wales keek naar het doodvonnis. “Hij heeft tijdens het verhoor niets gezegd. Dat zal hij vanavond evenmin doen.”
“Dan moet u hem harder ondervragen.”
“Hij wordt morgenochtend opgehangen. Wat wilt u dat ik nog doe?”
Whitcomb boog zich over het bureau. “Ik wil dat u uw werk doet. Dat tuig heeft mijn bank overvallen. Twee mannen raakten gewond. De halve stad denkt nu dat de wet machteloos is.”
“Geen van de gewonden is gestorven.”
“Dat is geluk, geen onschuld.”
Daar had Wales geen antwoord op. Jake had deelgenomen aan de overval. Hij had dat nooit ontkend. Maar geen enkele getuige had hem zien schieten. Wales had hem zelfs gevonden naast een gewonde bankbediende, terwijl Jake zijn hemd tegen diens schouder drukte om het bloeden te stelpen.
Toch was de jury snel tot een oordeel gekomen. Whitcomb had ervoor gezorgd dat iedereen wist hoeveel schade de overval had veroorzaakt. De bankier bezat bijna de helft van de handelspanden in Dry Creek en had geld geleend aan de eigenaars van de andere helft.
“Ga naar huis,” zei Wales. “Morgen krijgt u uw gerechtigheid.”
“Ik wil mijn geld.”
“Misschien zijn dat niet helemaal dezelfde dingen.”
Whitcombs blik werd koud. “Pas op, sheriff. Een man met een ster op zijn borst heeft ook mensen nodig die hem daar willen houden.”
Hij draaide zich om en verliet het kantoor. Zijn wandelstok tikte als een klok die de resterende uren aftelde.
Wales bleef achter met de stilte.
Hij kende Jake langer dan Whitcomb vermoedde. Jaren geleden had hij een roodharige jongen zien deelnemen aan paardenwedstrijden buiten de stad. Jake was toen sneller geweest dan verstandig was en lachte zelfs wanneer hij uit het zadel viel.
Die jongen was gaandeweg verdwenen. Eerst kwamen de kaartspelen, daarna de vechtpartijen en uiteindelijk de verkeerde vrienden. Toch had Wales nooit geloofd dat Jake een moordenaar was.
Hij stond op, nam de sleutelbos van de muur en liep naar de cel.
Het gerinkel deed Jake zijn hoofd optillen.
“Red,” zei Wales.
“Sheriff.” Jake wierp een blik naar het donkere raam. “Je komt laat.”
“Ik had eerder moeten komen.”
Jake glimlachte flauwtjes. “Dat zeggen mensen meestal wanneer er niets meer aan te veranderen valt.”
Wales opende de deur naar het cellenblok, maar niet die van de cel. Hij bleef vlak voor de tralies staan.
“Je weet wat er morgen gebeurt.”
“Ik heb de galg gezien. Mooi stuk vakwerk. Een beetje somber voor midden op het plein.”
“Hou op met grappen maken.”
“Als je mijn laatste avond wilt verpesten, ben je goed bezig.”
Wales greep de tralies vast. “Ik kan je helpen.”
De glimlach verdween van Jakes gezicht.
“Achter de oude smidse staat een paard,” vervolgde Wales. “Gezadeld, met water en proviand. De bewaker aan de zuidkant heeft tussen middernacht en één uur zijn ronde. Als jij mij iets geeft, kan ik ervoor zorgen dat de deur niet goed gesloten is.”
Jake kwam langzaam overeind. Het licht van de olielamp viel over zijn rode haar en het litteken langs zijn kaak.
“Wat moet ik je geven?”
“Een naam. Eén plek. Een spoor naar de anderen. Of vertel me waar het geld ligt.”
Jake keek hem lang aan. “Dus ik mag leven als ik iemand anders in mijn plaats aan die galg zet.”
“Die mannen zijn gevaarlijk. Bij de bank is geschoten.”
“Ik heb niet geschoten.”
“Maar je was erbij.”
“Dat ontken ik niet.”
“Dan help me voorkomen dat het nog eens gebeurt.”
Jake liep naar de tralies. “Ik heb mijn hele leven volgens één regel geleefd. Je verraadt je mensen niet. Niet voor geld, niet uit angst en niet met een touw om je nek.”
“Zij zouden jou misschien wel verraden.”
“Misschien.”
“Je wilt sterven voor mensen die waarschijnlijk al over de grens zijn?”
Jake schudde langzaam zijn hoofd. “Ik wil niet sterven. Maar als ik alleen kan blijven leven door mezelf niet meer in de spiegel te kunnen aankijken, blijft er weinig over om voor te leven.”
Wales liet de tralies los.
“Je bent een koppige dwaas.”
“Dat zegt Lena ook vaak. Meestal vlak voordat ze toegeeft dat ik gelijk heb.”
“Denk aan wat je weggooit.”
Jake keek naar het donkere raam en naar de smalle strook hemel daarachter. “Ik denk nergens anders aan.”
Wales zette zijn hoed op. Bij de deur bleef hij nog even staan.
“Als je van gedachten verandert, roep je.”
“Dat zal ik doen.”
Wales keek hoopvol om.
Jake wees naar het bord. “Als ik warmere bonen wil.”
De sheriff zuchtte, maar heel even trok er iets als een glimlach over zijn vermoeide gezicht.
“Vaarwel, Red.”
“Tot morgen, sheriff.”
De deur viel dicht.
Het slot draaide om.
Jake ging weer zitten. Buiten verdween het laatste zonlicht en kleurde de hemel boven Dry Creek langzaam zwart.
De galg wachtte.
Hoofdstuk 2 – De prijs van een naam
Op zes uur rijden van Dry Creek lag een droge rivierbedding tussen lage, roodbruine heuvels. Daar brandde een klein kampvuur dat vanaf de weg niet zichtbaar was.
Samuel Pike zat naast het vuur een gescheurde stijgbeugelriem te herstellen. Zijn brede handen leken te groot voor het fijne naaiwerk, maar hij werkte geduldig en precies. Tegenover hem zat oude Ben over een kaart gebogen. De kaart was op verschillende plaatsen gescheurd en met draad hersteld.
Lena Hart stond aan de rand van het kamp. Haar zwarte hoed wierp een schaduw over haar gezicht terwijl ze door een verrekijker naar het noorden keek.
Hoefslagen klonken tussen de heuvels.
Ze liet één hand naar haar geweer zakken.
Even later verscheen Cole. Hij reed snel, met een scheve grijns op zijn gezicht en een stofwolk achter zijn paard.
“Als je nog later was gekomen,” zei Lena, “hadden we je begrafenis alvast kunnen plannen.”
Cole sprong uit het zadel. “Mooi dat je vertrouwen in me hebt.”
“Wat heb je gehoord?”
“Red hangt morgenochtend bij zonsopgang.”
Samuel stopte met naaien. Ben tilde langzaam zijn hoofd op.
“Bevestigd?” vroeg Lena.
“Ik heb drie uur in de saloon kaarten gespeeld met een man die niet kan zwijgen zodra hij verliest. De timmerman heeft de galg vanmiddag voltooid.”
“Hoeveel bewakers?”
“Wales, zijn jonge hulpsheriff en waarschijnlijk twee vrijwilligers. Whitcomb heeft bovendien mannen ingehuurd om het plein te bewaken.”
Ben streek over zijn grijze baard. “Een open plein. Gebouwen aan beide kanten. Eén straat naar het zuiden en twee smalle doorgangen achter de saloon.”
Cole keek verbaasd. “Je kent de stad?”
“Ik heb er ooit een postkoets beroofd.”
“Wanneer?”
“Toen jij nog dacht dat een revolver het geluid van een koe maakte.”
Lena hurkte bij de kaart neer. “Waar staat de galg?”
Cole wees het plein aan. “Hier. De gevangenis ligt aan de oostkant. Ze brengen hem langs de hoofdstraat naar het platform.”
Samuel legde de gerepareerde riem opzij. “We kunnen de gevangenis aanvallen.”
“Nee,” zei Ben. “Te smal. Te veel deuren en te weinig uitgangen.”
“Dan nemen we hem onderweg.”
“Daar verwachten ze ons,” zei Lena.
Cole keek naar haar geweer. “Dus nemen we hem van de galg.”
Er volgde een stilte.
“Het touw?” vroeg Samuel.
Lena knikte. “Als ik een vrije zichtlijn heb.”
“En als je mist?”
“Ik mis niet.”
Cole hurkte naast haar. “Dat is precies het soort zelfvertrouwen waardoor ik je zo aangenaam gezelschap vind.”
“Blijf maar praten. Dan gebruik ik jouw hoed om mijn vizier af te stellen.”
Ben schoof de kaart naar het midden. “Lena neemt positie bij de oude watertoren. Cole brengt de paarden naar de steeg achter de winkel. Samuel rijdt met een wagen het plein op. Onder het zeil kunnen geweren en rookpoeder liggen.”
“En jij?” vroeg Cole.
“Ik zorg ervoor dat de zuidelijke weg openblijft.”
Lena bestudeerde de afstanden. De schiettraining die ze bijna dagelijks deed, had haar geleerd dat een doelwit nooit alleen een doelwit was. Wind, licht, beweging en geluid maakten allemaal deel uit van het schot.
Een touw was smal. Jake zou bewegen. Rondom hem zouden mensen staan.
Maar het kon.
Het moest.
“Wales heeft hem vanavond een uitweg aangeboden,” zei Cole.
Lena keek op. “In ruil waarvoor?”
“Het geld en onze namen.”
Samuel gromde zacht.
“Denk je dat hij praat?” vroeg Cole.
Lena keek opnieuw naar de kaart. “Nee.”
“Dat antwoord kwam snel.”
“Red is op veel manieren dom. Hij speelt kaarten met geld dat hij niet heeft, rijdt paarden die nog niet getemd zijn en beledigt gewapende mannen omdat hij hun gezicht niet aardig vindt.”
“Allemaal juiste opmerkingen,” zei Cole.
“Maar hij verraadt niemand.”
Ben vouwde de kaart dicht. “Dan zorgen we ervoor dat zijn koppigheid hem niet het leven kost.”
In de gevangenis bleef Jake wakker.
Hij dacht aan de bankoverval, drie weken eerder. Ben had het plan gemaakt. Cole had dagenlang de wisseling van de bewakers gevolgd. Lena had vanaf het dak van het hotel de straat bewaakt. Samuel had de achterdeur geblokkeerd, zodat niemand hen kon verrassen.
Het had minder dan vier minuten mogen duren.
Toen had een van Whitcombs bewakers zijn revolver getrokken.
Het eerste schot sloeg een spiegel kapot. Het tweede trof een bankbediende in de schouder. Daarna had iedereen tegelijk bewogen. Paarden steigerden, mensen schreeuwden en het plan viel uiteen.
Jake had de geldzakken naar buiten gebracht, maar zag de gewonde bediende op de vloer liggen. Het bloed stroomde tussen de vingers waarmee de man zijn schouder vasthield.
Jake had kunnen vluchten.
In plaats daarvan was hij teruggelopen.
Hij had zijn hemd opengescheurd, de wond dichtgedrukt en de man bevolen wakker te blijven. Toen Wales binnenkwam, lag Jakes revolver enkele meters verder op de grond.
De anderen waren ontsnapt. Jake niet.
Daarom zat hij nu in een cel.
Zachte voetstappen naderden. Hulpsheriff Miller verscheen met een olielamp in zijn hand. Hij was amper twintig. Zijn gezicht leek te jong voor de ster op zijn borst.
“Red?” fluisterde hij.
“Kom je kijken of ik al spijt heb?”
Miller slikte. “Ik wilde vragen of je iets nodig hebt.”
“Een sleutel zou vriendelijk zijn.”
De hulpsheriff keek verschrikt naar de deur.
Jake grijnsde. “Rustig, jongen. Het was een grap.”
Miller bleef naast de tralies staan. “Waarom heb je die bankbediende geholpen?”
“Omdat hij doodbloedde.”
“Maar daardoor werd je gepakt.”
“Dat had ik op dat moment ook begrepen.”
“Als je hem had achtergelaten, was je nu vrij geweest.”
Jake keek de jongen aan. “Vrij zijn en zonder geweten leven zijn niet hetzelfde.”
Miller liet zijn blik zakken. “Sheriff Wales zegt dat je morgen waardig behandeld moet worden.”
“Dat is vriendelijk. Vraag hem of hij ook een zachter touw heeft.”
“Ben je niet bang?”
Jake zweeg. Buiten streek de wind langs de muur.
“Ja,” zei hij uiteindelijk.
Miller keek verrast op.
“Dacht je dat moed betekende dat je niets voelt? Iedereen is bang wanneer het einde dichtbij komt. Je moet alleen niet toelaten dat de angst voor jou beslist.”
“Ik weet niet of ik morgen kan kijken.”
“Dan kijk je weg.”
“Is dat niet laf?”
“Nee. Soms is wegkijken het fatsoenlijkste wat een mens nog kan doen.”
Miller zette de lamp op de grond. “Mijn vader zegt dat misdadigers krijgen wat ze verdienen.”
“Misschien heeft hij gelijk.”
“U klinkt niet als een misdadiger.”
“Je moet mensen niet beoordelen op de manier waarop ze klinken. Whitcomb klinkt als een heer.”
Miller kon een korte glimlach niet onderdrukken.
Jake haalde het leren pakje onder zijn hemd vandaan. Voorzichtig vouwde hij het open en toonde het gedroogde rode bloempje.
“Van mijn moeder,” zei hij. “Ze gaf het me toen ik Dry Creek verliet. Ik was ongeveer zo oud als jij en wist zeker dat ik nooit een slechte keuze zou maken.”
“Wat is er veranderd?”
“Er kwamen keuzes die niet duidelijk goed of slecht waren. Daarna kwamen er steeds meer.”
Hij vouwde het leer weer dicht.
“Waarom noemt iedereen je Jake als je James heet?”
“Cole vond James te deftig voor iemand die in een paardentrog was gevallen. Hij noemde me eerst Jack, daarna Jake. Toen mijn haar begon op te vallen, werd het Red.”
“Bent u echt in een paardentrog gevallen?”
“Drie keer. Het was een koppig paard.”
Miller pakte de lamp op.
“Goedenacht, Red.”
“Goedenacht, hulpsheriff.”
De jongen vertrok. Zijn voetstappen verdwenen in het voorste kantoor.
Jake leunde achterover en sloot zijn ogen. Hij dacht aan Lena die haar geweer schoonmaakte, aan Cole die iedereen met kaarten probeerde te bedriegen, aan Samuel die zwijgend zadels repareerde en aan Ben die al vijftien jaar beweerde met pensioen te zijn.
Misschien waren ze over de grens.
Dat hoopte hij.
Toch luisterde hij tot de ochtend naar ieder geluid buiten de cel.
Hoofdstuk 3 – Het schot bij zonsopgang
Nog voor de eerste zonnestralen boven de heuvels verschenen, werd Dry Creek wakker.
De winkels bleven gesloten, maar achter bijna ieder raam bewoog een gordijn. Mannen verzamelden zich onder de veranda van de saloon. Vrouwen hielden hun kinderen binnen, hoewel enkele jongens vanaf daken probeerden mee te kijken.
Op het plein stond de galg als een donker geraamte tegen de bleke hemel.
Sheriff Wales controleerde voor de derde keer de knoop van de strop. Daarna keek hij naar de daken, de stegen en de lege weg naar het zuiden.
Hij verwachtte moeilijkheden.
Dat Jake niet had gesproken, betekende niet dat zijn bende hem vergeten was.
Hulpsheriff Miller stond naast het platform. Hij droeg zijn revolver laag aan zijn heup, maar hield zijn hand er ver vandaan.
“Je ziet bleek,” zei Wales.
“Ik heb niet goed geslapen.”
“Niemand heeft goed geslapen.”
Meneer Whitcomb stond vooraan in de groeiende menigte. Hij hield zijn wandelstok met beide handen vast en keek vaker naar de weg dan naar de galg.
Wales liep naar hem toe. “Waar zijn de mannen die u hebt ingehuurd?”
“Ik weet niet waarover u spreekt.”
“De twee vreemdelingen bij de paardenstal dragen revolvers onder hun jassen.”
“Voorzorgsmaatregelen.”
“Dit is mijn stad en mijn executie. Als zij een wapen trekken zonder mijn bevel, laat ik hen opsluiten.”
Whitcomb snoof. “Dan hoop ik dat uw eigen mensen beter schieten.”
Aan de overzijde van het plein reed een wagen langzaam tussen de gebouwen door. Een grote man zat op de bok, zijn hoed laag over zijn gezicht. Onder het zeil lagen zakken graan.
Wales keek er even naar, maar een roep bij de gevangenis trok zijn aandacht.
De deur ging open.
Jake stapte naar buiten met gebonden handen. Hij droeg dezelfde stoffige kleren als de dag ervoor. Zijn hoed stond scheef en zijn rode haar stak eronderuit.
De menigte verstomde.
Jake keek naar de galg en daarna naar Wales.
“Je had er bloemen bij kunnen zetten,” zei hij.
“Loop door.”
Miller nam plaats aan zijn linkerzijde. Wales liep rechts. Geen van beiden legde een hand op hem.
Onderweg keek Jake naar de gezichten. Hij zag nieuwsgierigheid, angst en afkeer. Een oude vrouw maakte een kruisteken. Een man spuugde in het stof. Anderen wendden hun hoofd af.
Boven op de watertoren, gedeeltelijk verborgen achter een houten balk, lag Lena op haar buik. Haar geweer rustte tegen haar schouder. De rand van haar zwarte hoed raakte bijna het vizier.
Ze volgde Jake door de straat.
Afstand: iets meer dan honderd meter.
Wind: zwak uit het westen.
Licht: laag, maar helder genoeg.
Cole wachtte in de steeg achter de winkel met vijf gezadelde paarden. Hij had doeken voor hun ogen gebonden om te voorkomen dat ze van het schot zouden schrikken.
Oude Ben zat verderop alsof hij een vermoeide reiziger was die op zijn paard in slaap was gevallen. Onder zijn jas hield hij een zak rookpoeder vast.
Samuel stopte de wagen naast het plein.
Niemand keek twee keer naar hem. Mensen zagen wat ze verwachtten te zien: een arbeider met graan, een oude ruiter, een paar paarden achter een winkel.
Jake beklom de treden van het platform. Het hout kraakte onder zijn laarzen.
De beul bond zijn enkels niet vast. Wales had daar persoonlijk op aangedrongen. Als Jake moest sterven, zou hij rechtop staan.
De strop werd rond zijn nek gelegd. Het ruwe touw schuurde langs zijn huid.
Wales ontvouwde het vonnis.
“Jake Callahan, ook bekend als Red, u bent schuldig bevonden aan deelname aan de overval op de bank van Dry Creek en veroordeeld tot de dood door ophanging.”
Jake trok één wenkbrauw op. “Je vergeet te zeggen dat mijn haar goed zit.”
Niemand lachte.
Achteraan klonk heel even een onderdrukte kuch die verdacht veel op Cole leek.
Wales keek naar de daken. Hij zag niets.
“Hebt u laatste woorden?” vroeg hij.
Jake liet zijn blik over het plein gaan. Bij de watertoren bleef hij een fractie van een seconde langer kijken.
Hij zag geen geweer. Hij zag geen zwarte hoed.
Maar hij kende Lena.
Toen glimlachte hij.
“Ja,” zei hij. “Ik hoop dat jullie goed kunnen mikken.”
Wales fronste.
Lena ademde uit.
De beul legde zijn hand op de hendel.
Lena haalde de trekker over.
Het schot spleet de ochtend open.
De kogel raakte het touw vlak boven Jakes hoofd. Vezels sprongen uiteen. Op hetzelfde moment trok de beul aan de hendel en verdween het luik onder Jakes voeten.
Jake viel.
Het doorgesneden touw schoot los.
Samuel wierp het zeil van de wagen, sprong op het platform en greep Jake voordat deze tussen de balken terechtkwam. Met één ruk tilde hij hem op alsof hij nauwelijks iets woog.
“Dat duurde lang,” bracht Jake uit.
Samuel zette hem op zijn voeten. “Je bent zwaarder geworden.”
Ben gooide het rookpoeder op de grond.
Een dichte grijze wolk verspreidde zich over het plein. Mensen schreeuwden en doken weg. Een mand appels viel om. Een hond rende blaffend onder de veranda.
Cole kwam met de paarden uit de steeg.
Samuel trok Jake van het platform en duwde hem in de richting van de dieren. Miller trok zijn revolver, maar zijn handen beefden. Door de rook zag hij alleen schimmen.
Een van Whitcombs ingehuurde mannen vuurde.
De kogel sloeg in de wagen.
“Niet schieten!” brulde Wales. “Er staan burgers!”
De tweede huurling hief zijn wapen. Lena, inmiddels van de watertoren afgedaald, schoot de revolver uit zijn hand. De man gilde en greep naar zijn vingers.
Ze reed het plein op. Haar zwarte hoed was nu duidelijk zichtbaar.
“Kom op, Red!”
Samuel tilde Jake op een paard. Cole sprong achter hem in het zadel en greep de teugels.
“Je ziet er slechter uit dan ik dacht,” zei Cole.
Jake hoestte door de rook. “Jullie zijn laat.”
“Je kent ons. We houden van een dramatische entree.”
Lena reed naast hen. Uit de loop van haar geweer kringelde nog rook.
“Mooi schot,” zei Jake.
“Niet bewegen was ook handig geweest.”
“Mijn excuses. Ik had een touw om mijn nek.”
Ze bereikten de zuidelijke straat. Ben sloot zich bij hen aan en Samuel reed als laatste, breed genoeg om de doorgang bijna volledig af te sluiten.
Wales kwam uit de rook tevoorschijn en richtte zijn revolver.
Een ogenblik had hij Jake vrij in het vizier.
Toen liep een vrouw met een kind tussen hen door. Wales hief zijn wapen omhoog.
“Blijf laag!” riep hij naar de menigte.
Tegen de tijd dat de straat vrij was, reden de vijf paarden al voorbij de laatste huizen.
Miller kwam naast hem staan. Zijn revolver zat nog in de holster.
“Ze ontsnappen,” zei hij.
“Ik zie het.”
Whitcomb duwde mensen uit de weg. Zijn gezicht was donkerrood.
“Doe iets! Ga achter hen aan!”
Wales keek naar de horizon. De ruiters werden kleiner tegen het ochtendlicht.
“Zadel de paarden,” beval hij Miller.
Whitcomb wees naar zijn ingehuurde mannen. “Zij gaan mee.”
“Nee.”
“U hebt hulp nodig.”
“Ik heb wetsdienaren nodig, geen schietgrage dwazen.”
“Dat geld is van mij.”
Wales draaide zich naar hem om. “Als u mij nog één keer vertelt hoe ik mijn werk moet doen, bekijkt u de achtervolging vanuit een cel.”
Whitcomb zweeg, maar zijn ogen bleven op de verdwijnende ruiters gericht.
Aan het kapotte touw boven de galg bungelde nog een rafelig stuk vezel.
Een halfuur later reden Wales en Miller Dry Creek uit.
Op enige afstand volgde Whitcomb met zijn twee ingehuurde mannen.
Hoofdstuk 4 – Stof op de horizon
Jake en zijn vrienden hielden pas halt toen Dry Creek achter de trillende hitte was verdwenen.
Bij een droge rivierbedding liet Cole het paard vertragen. Jake gleed uit het zadel en wankelde. Lena sprong naast hem op de grond en sneed de touwen rond zijn polsen door.
De huid was blauw en op verschillende plaatsen open geschaafd.
“Je handen zien er verschrikkelijk uit,” zei ze.
“Ik dacht dat het stijlvol stond.”
“Je praat te veel voor iemand die bijna dood was.”
Jake wreef over zijn polsen. Rond zijn nek liep een rode afdruk van de strop.
Voor hem stonden de mensen die hij geweigerd had te verraden. Cole met zijn scheve grijns. Samuel, breed als een deur. Lena met haar zwarte hoed. Oude Ben, die beweerde te oud te zijn voor avonturen maar toch altijd kwam opdagen.
“Wie heeft het plan bedacht?” vroeg Jake.
Cole grijnsde. “Jij.”
“Ik zat in een cel.”
“Jaren geleden zei je: ‘Als ik ooit aan een touw hang, zorg dan dat het niet lang duurt.’”
“En jullie beschouwden dat als een officieel testament?”
“Je instructies waren duidelijk genoeg,” zei Samuel.
Jake lachte, maar het geluid sloeg over in een pijnlijke hoest. Lena gaf hem een veldfles.
“Wales heeft je een uitweg aangeboden,” zei Cole.
“Dat klopt.”
“En?”
Jake dronk en veegde zijn mond af. “Ik zit hier toch?”
Er viel een korte stilte. Geen toost, geen groot gebaar. Alleen het soort stilte dat ontstaat wanneer iedereen het antwoord al kende.
Ben trok zijn hoed dieper over zijn ogen. “Dan wordt het tijd dat we het geld ophalen voordat iemand anders slimmer wordt dan wij.”
“Het ligt nog waar ik het heb achtergelaten,” zei Jake.
Lena keek hem aan. “Waar precies?”
“In de oude missiepost bij Coyote Ridge. Onder de vloer van de kapel.”
Cole schudde zijn hoofd. “We hebben drie weken naar dat geld gezocht.”
“Dan hadden jullie beter moeten zoeken.”
“Waarom vertelde je het ons niet vóór de overval?”
“Omdat Whitcomb één van zijn mannen bij de saloon had zitten. Ik wist niet wie er meeluisterde.”
Ben knikte goedkeurend. “Voor één keer was je achterdocht nuttig.”
Samuel keek naar het noorden. “Ruiters.”
In de verte steeg een dunne stofwolk op.
“Wales,” zei Jake.
“Hoe kan hij ons zo snel volgen?” vroeg Cole.
“Omdat hij me kent.”
Ben vouwde zijn kaart open. “De directe weg naar Coyote Ridge loopt door de Zwarte Pas. Als hij ons daar inhaalt, zitten we vast.”
“Ik leg een vals spoor naar het westen,” zei Cole.
“Wales trapt daar niet in,” antwoordde Jake.
“Misschien niet. Miller wel.”
“Wales rijdt voorop.”
Lena controleerde haar geweer. “Dan rijden we sneller.”
Sheriff Wales volgde de hoefafdrukken door het droge landschap. Naast hem zat Miller stil in het zadel.
De zon stond inmiddels hoog. Zweet liep langs de nek van de jongen, maar hij klaagde niet.
Bij een splitsing hield Wales halt. Een reeks sporen boog naar het westen af. Enkele gebroken takken wezen dezelfde kant op.
Miller wees ernaar. “Ze zijn daarheen gereden.”
Wales stapte af en hurkte. Hij streek met zijn vingers door het stof.
“Eén paard,” zei hij. “Dezelfde ruiter is verschillende keren heen en weer gereden om meer afdrukken te maken.”
“Hoe weet u dat?”
“De hoef linksachter is ongelijk afgesleten. Kijk hoeveel keer je dezelfde afdruk ziet.”
Miller knielde naast hem.
“Cole,” zei Wales. “Hij houdt van trucs.”
“Waar zijn de anderen dan?”
Wales keek naar de heuvels in het zuiden. “Coyote Ridge.”
“Waarom?”
“Omdat Jake daar vroeger met zijn moeder woonde. Als hij iets wilde verbergen, koos hij een plek die hij kende.”
Ze reden verder.
Na enkele minuten vroeg Miller: “Had u gisteren werkelijk een paard voor hem klaargezet?”
Wales keek niet opzij. “Ja.”
“Dan wilde u hem laten ontsnappen.”
“Ik wilde de rest vinden.”
“Maar als hij een naam had genoemd, had u hem laten gaan?”
Wales zweeg lang.
“Een sheriff moet soms een deur openlaten,” zei hij uiteindelijk, “zodat een man zelf kan kiezen aan welke kant hij staat.”
“En als hij de verkeerde kant kiest?”
“Dan moet je beslissen of de wet hetzelfde is als rechtvaardigheid.”
Achter hen verscheen opnieuw een stofwolk. Whitcomb en zijn twee mannen naderden.
Wales vloekte zacht.
De bende bereikte Coyote Ridge tegen de avond. Tussen de rotsen stonden de resten van een oude missiepost. Het dak van de kapel was gedeeltelijk ingestort en de houten deur hing scheef aan één scharnier.
Jake stapte naar binnen.
Stof danste in de schuine lichtstralen. Achter in de ruimte hing nog een verweerd kruis. Op de vloer lagen gebroken banken en stukken pleisterwerk.
“Gezellige plaats,” zei Cole. “Ik begrijp waarom je hier je geld bewaart.”
Jake liep naar een losse steen naast het altaar. Samuel hielp hem de zware vloerplank optillen.
Daaronder lagen vier leren geldzakken.
Ben floot zacht. “Whitcomb zal eindelijk weer rustig slapen.”
“Dat zou ik hem niet gunnen,” zei Lena.
Jake tilde een zak uit de opening. Het gewicht trok aan zijn gewonde polsen.
“Dit geld heeft ons bijna allemaal het leven gekost,” zei ze.
“Het was niet de eerste slechte beslissing die we namen.”
“Maar het kan wel de laatste worden.”
Buiten hinnikte een paard.
Iedereen verstijfde.
Samuel doofde de lantaarn. Lena bewoog naar een gebroken raam en keek naar buiten.
“Niemand,” zei ze na enkele seconden. “Het paard is nerveus.”
“Het ruikt andere paarden,” zei Ben. “Wales komt dichterbij.”
Ze droegen de zakken naar buiten en maakten ze aan de zadels vast. Samuel controleerde ondertussen alle riemen. Eén ervan was bij de vlucht beschadigd geraakt. Met kalme bewegingen haalde hij zijn gereedschap tevoorschijn.
“We hebben geen tijd voor mooi werk,” zei Cole.
Samuel keek hem aan. “Wil je dat het geld halverwege de pas van je paard valt?”
“Maak er dan iets bijzonder moois van.”
Terwijl de anderen voorbereidingen troffen, liep Jake naar de rand van de heuvel. Beneden strekte de prairie zich eindeloos uit.
Lena kwam naast hem staan.
“Je wilde vannacht vertrekken zonder ons,” zei ze.
Jake keek haar verbaasd aan. “Hoe weet je dat?”
“Omdat jij voorspelbaar bent wanneer je schuldgevoel hebt.”
“Wales wil mij. Als ik alleen naar het oosten rijd, kunnen jullie met het geld naar het zuiden.”
“Daarom hebben we je niet van die galg gehaald.”
“Jullie hebben al genoeg geriskeerd.”
Lena keek hem strak aan. “Jij mocht beslissen dat je ons niet zou verraden. Nu beslissen wij dat we jou niet achterlaten.”
“Dat is niet verstandig.”
“Dat heeft niemand beweerd.”
Ben riep hen vanuit de kapel.
Aan de noordelijke horizon verschenen drie ruiters. Kort daarna kwamen nog eens drie donkere vormen over de heuvelkam.
Wales had hen gevonden.
En Whitcomb reed vlak achter hem.
Hoofdstuk 5 – Geen verrader aan de galg
De nacht viel snel over Coyote Ridge.
Jake en zijn vrienden verlieten de missiepost via een smal pad tussen de rotsen. Ben reed voorop. Hij kende een doorgang naar de zuidelijke vlakte, maar het pad was steil en nauwelijks breed genoeg voor een paard.
Achter hen klonken hoefslagen.
“Sneller!” riep Cole.
“Als we hier sneller gaan, breken de paarden hun benen,” antwoordde Ben.
Een schot weerkaatste tussen de rotswanden.
De kogel sloeg vlak naast Samuel in het gesteente.
“Dat was Wales niet,” zei Jake.
Op de richel boven hen verscheen een van Whitcombs ingehuurde mannen. Lena hief haar geweer en schoot. Haar kogel raakte de rots voor de hoeven van zijn paard. Het dier steigerde en dwong de man achteruit.
“Waarschuwing?” vroeg Cole.
“Ik probeer beleefd te blijven.”
Ben bereikte het einde van de doorgang, maar hield abrupt halt.
Voor hen lag een diepe kloof. De houten brug die ooit naar de overzijde had geleid, was grotendeels ingestort. Slechts enkele planken en twee dikke draagkabels waren overgebleven.
“Dit stond niet op de kaart,” zei Cole.
“De kaart is dertig jaar oud.”
“Misschien moet je eens een nieuwe kopen.”
Samuel onderzocht de brug. “De paarden kunnen er niet over.”
Jake keek achterom. De hoefslagen kwamen dichterbij.
“Dan gaan we te voet.”
“En het geld?” vroeg Ben.
Jake keek naar de zakken aan de zadels. Voor dat geld was de bank overvallen. Mensen waren gewond geraakt. Hij had drie weken in een cel gezeten en enkele uren met een strop boven zijn hoofd doorgebracht.
Nu dreigde het hen opnieuw de vrijheid te kosten.
“Laat het achter,” zei hij.
Ben keek alsof Jake hem persoonlijk had beledigd. “Dat meen je niet.”
“Whitcomb wil het geld. Als hij het vindt, houdt hij misschien op met schieten.”
“Whitcomb houdt pas op als jij dood bent,” zei Lena.
“Dan geef ik hem een andere reden om te stoppen.”
Voordat iemand hem kon tegenhouden, draaide Jake zijn paard om.
“Wat doe je?” vroeg Cole.
“Een deur openlaten.”
Hij reed terug naar de bredere kom tussen de rotsen. Lena vloekte en volgde hem. Samuel, Cole en Ben konden weinig anders doen dan achter hen aan gaan.
In het midden van de kom hield Jake halt. Hij steeg af en maakte de geldzakken los. Eén voor één legde hij ze zichtbaar op de grond.
Sheriff Wales verscheen aan de noordelijke ingang. Miller reed naast hem. Beiden hielden hun handen bij hun wapens, maar trokken niet.
Even later kwamen Whitcomb en zijn mannen vanaf de richel naar beneden.
Wales keek naar Jake, naar de bende en vervolgens naar het geld.
“Dit is het einde van de weg, Red.”
Jake wierp een blik naar de ingestorte brug. “Dat viel mij ook al op.”
“Laat je wapens vallen.”
“Als we dat doen, brengt Whitcomb ons niet levend terug.”
Whitcomb reed naar voren. “U bent veroordeeld. U hoort helemaal niet levend teruggebracht te worden.”
Wales draaide zich naar hem om. “Ik heb u bevolen in Dry Creek te blijven.”
“En ik heb u genegeerd omdat u onbekwaam bent.”
De twee ingehuurde mannen spreidden zich uit. Lena volgde iedere beweging met haar ogen. Samuel zat roerloos in het zadel, maar zijn enorme hand rustte vlak naast zijn revolver.
Miller keek nerveus van de ene groep naar de andere.
Jake wees naar de geldzakken. “Daar ligt alles. Niemand heeft er iets van genomen.”
Whitcomb stapte van zijn paard en liep naar de dichtstbijzijnde zak. Hij maakte hem open en liet gouden munten door zijn vingers glijden.
“Vier zakken,” zei hij. “Er waren er vijf.”
“Vier,” antwoordde Jake.
“Leugenaar.”
“U weet waarschijnlijk beter hoeveel geld in uw eigen bank lag.”
Whitcomb keek naar zijn mannen. “Doorzoek hen.”
Wales ging tussen hem en Jake staan. “Niemand doet iets voordat de wapens op de grond liggen.”
“U geeft geen bevelen meer.”
“Ik draag de ster.”
“Niet lang meer.”
Whitcomb trok plotseling een klein pistool onder zijn jas vandaan.
Miller zag het als eerste.
“Sheriff!”
Whitcomb richtte op Jake.
Miller reed zijn paard tegen hem aan. Het schot ging af en verdween in de nachtelijke hemel. Whitcomb viel achterover in het stof.
Zijn ingehuurde mannen grepen naar hun revolvers.
Lena schoot één wapen uit een hand. Cole wierp zich vanaf zijn paard tegen de tweede man. Beiden rolden over de grond. Samuel steeg af, pakte de huurling bij zijn jas en tilde hem zonder moeite overeind.
“Genoeg,” zei Samuel.
Het ene woord klonk dreigender dan een geweerschot.
Wales raapte Whitcombs pistool op. Miller stond bleek naast hem, geschrokken van zijn eigen moed.
“U viel een veroordeelde aan die zich wilde overgeven,” zei Wales tegen de bankier. “U negeerde mijn bevelen, huurde gewapende mannen in en bracht burgers en wetsdienaren in gevaar.”
Whitcomb krabbelde overeind. “Hij is een misdadiger!”
“Dat betekent niet dat u rechter en beul mag spelen.”
“Die man hoort aan de galg!”
Jake wreef over de rode striem rond zijn nek. “Daar ben ik vandaag al geweest. Het uitzicht viel tegen.”
Cole, die nog boven op de tweede huurling zat, lachte.
Wales keek naar de geldzakken. Daarna richtte hij zijn blik op Jake.
“Je hebt deelgenomen aan de overval.”
“Ja.”
“Mensen zijn gewond geraakt.”
“Dat weet ik.”
“En je bent ontsnapt aan een wettige executie.”
“Technisch gezien ben ik gevallen. Mijn vrienden hebben me daarna meegenomen.”
Wales zuchtte. “Je maakt het moeilijk om medelijden met je te hebben.”
“Daar doe ik mijn best voor.”
De sheriff keek naar Lena, Cole, Samuel en Ben. Geen van hen had geprobeerd weg te rijden. Ze hadden Jake kunnen achterlaten en met het geld verdwijnen, maar stonden nog steeds naast hem.
“Geef mij hun namen,” zei Wales. “Dan kan ik tenminste zeggen dat je uiteindelijk verstandig bent geworden.”
Jake keek hem aan.
“Dat kan ik niet.”
“Zelfs nu niet?”
“Vooral nu niet.”
Wales knikte langzaam. Hij had geen ander antwoord verwacht.
Vanuit de verte klonk gedonder. Boven de prairie pakten donkere wolken zich samen. De wind stak op en blies stof door de kom.
Ben keek naar de hemel. “Er komt een storm. Als die droge rivier volloopt, raken we allemaal ingesloten.”
Wales maakte een van de lege zadels los en duwde Whitcomb erop.
“Miller, bind zijn handen vast.”
De hulpsheriff aarzelde slechts een ogenblik voordat hij gehoorzaamde.
“Wat doet u?” riep Whitcomb. “Arresteer hém!”
“Ik arresteer op dit moment de man die ik een misdrijf heb zien plegen.”
“Dry Creek zal u hiervoor ontslaan!”
“Dan kan ik eindelijk eens slapen.”
Een eerste regendruppel sloeg in het stof uiteen.
Wales keek naar Jake. Tussen hen lag slechts enkele meters grond, maar ook jaren van verkeerde keuzes, verloren kansen en botsende ideeën over rechtvaardigheid.
“De zuidelijke weg is afgesloten,” zei Wales. “De enige veilige route loopt terug door de pas.”
Jake begreep wat hij bedoelde. “Dan zitten we vast.”
“Niet als iemand de oude veedrijvers route aan de westkant kent.”
“Ken jij die?”
“Ik heb jarenlang sporen gevolgd. Natuurlijk ken ik die.”
Wales wees naar een nauwelijks zichtbare opening tussen twee rotsen.
“Die route komt uit bij de grensrivier. Met dit weer zal niemand jullie spoor kunnen volgen.”
Miller keek hem aan. “Sheriff?”
Wales hield zijn blik op Jake gericht. “Wij moeten Whitcomb en zijn mannen terugbrengen. De geldzakken nemen we mee als bewijs. Daardoor kunnen we niet onmiddellijk verder zoeken.”
“Dat klinkt bijzonder onhandig,” zei Jake.
“Inderdaad.”
“En morgen?”
“Morgen ben jij nog altijd een veroordeelde voortvluchtige. Als ik je opnieuw vind, breng ik je terug.”
Jake knikte. “Dat lijkt me eerlijk.”
Lena reed naar de westelijke opening. Cole en Samuel volgden. Ben bleef bij de geldzakken staan alsof hij afscheid nam van oude vrienden.
“Vier volle zakken,” mompelde hij. “Ik begin echt te oud te worden voor dit soort teleurstellingen.”
Jake legde een hand op zijn schouder. “Je beweert al vijftien jaar dat je met pensioen bent.”
“Na vandaag meen ik het.”
“Tot de volgende keer.”
Ben keek hem verontwaardigd aan, maar klom toch op zijn paard.
Jake bleef nog even tegenover Wales staan.
“Waarom?” vroeg hij.
Wales keek naar Miller, die de ingehuurde mannen ontwapende. “Omdat die jongen vandaag geleerd heeft dat een ster alleen iets betekent als de man die hem draagt zelf blijft nadenken.”
“Je had me kunnen laten hangen.”
“Ja.”
“Je had op het plein een vrij schot.”
Wales zei niets.
Dat was antwoord genoeg.
Jake haalde het leren pakje onder zijn hemd vandaan. Hij controleerde of het rode bloempje de val door de galg had overleefd. Daarna stopte hij het voorzichtig terug.
“Vaarwel, sheriff.”
Wales zette zijn hoed rechter. “Tot de volgende keer, Red.”
Jake klom in het zadel en reed naar zijn vrienden. De eerste echte regen in maanden begon over Coyote Ridge te vallen. Druppels veranderden het stof in donkere vlekken en wisten langzaam de hoefafdrukken uit.
Bij de opening keek Lena hem aan.
“Heb je iemand verraden?”
“Nee.”
“Heb je het geld opgegeven?”
“Misschien.”
“Dan ben je nog altijd op veel manieren dom.”
Jake glimlachte. “Maar niet op die manier.”
Ze reden de veedrijvers route op. Samuel ging vooraan om losse stenen uit de weg te ruimen. Cole begon al te vertellen hoe hij de redding op het plein helemaal alleen had georganiseerd. Ben sprak hem bij iedere tweede zin tegen. Lena reed naast Jake en hield de donkere heuvels in de gaten.
Achter hen bleef sheriff Wales bij de geldzakken staan. Whitcomb vloekte, zijn ingehuurde mannen zwegen en Miller keek naar de ruiters die in de regen verdwenen.
“Gaat u hen werkelijk morgen zoeken?” vroeg de hulpsheriff.
Wales luisterde naar het gedonder en keek hoe het water alle sporen van de helling spoelde.
“Dat is mijn plicht.”
“En denkt u dat u hen zult vinden?”
Heel even verscheen er een vermoeide glimlach op het gezicht van de sheriff.
“Niet als Red verstandig is.”
Aan de andere kant van de heuvel bereikten Jake en zijn vrienden de open vlakte. De storm brak achter hen los, maar in het westen hing nog een strook helder avondlicht boven de horizon.
Jake voelde de pijn in zijn nek en polsen. Iedere beweging herinnerde hem eraan hoe dicht de dood was geweest. Toch ademde hij vrijer dan ooit.
Hij had het geld verloren.
Hij werd nog altijd gezocht.
Er wachtte geen veilig huis op hem en geen eenvoudig leven. Alleen de eindeloze prairie, een paard onder hem en vier mensen die waren teruggekomen toen ieder verstandig mens zou zijn gevlucht.
Dat was genoeg.
Jake gaf zijn paard de sporen.
Samen reden ze verder, achtervolgd door niets anders dan regen, stof en het laatste rode licht van de ondergaande zon.
Reactie plaatsen
Reacties