In het stoffige Dry Creek wacht Jake ‘Red’ Callahan op de galg. Hij ontkent niet dat hij een bank heeft overvallen, maar houdt vol dat hij de kassier niet heeft vermoord. De jury geloofde hem niet. Nu rest hem nog één nacht.
Sheriff Wales probeert hem aan het praten te krijgen. Waar ligt de verdwenen buit? Wie waren zijn handlangers? Red weigert zijn vrienden uit te leveren, zelfs met het touw om zijn nek in het vooruitzicht. Maar terwijl de stad zich voorbereidt op de terechtstelling, lopen de spanningen op. Niet iedereen in Dry Creek heeft dezelfde reden om naar gerechtigheid te verlangen.
Geen Verrader aan de Galg is een meeslepende actiewestern over vriendschap, schuld en de prijs van loyaliteit. Tussen stoffige straten en genadeloze vlaktes moet een man onder ogen zien wat zijn keuzes waard zijn wanneer er geen gemakkelijke uitweg meer bestaat.
Zijn leven heeft een prijs. Zijn trouw niet.
1 De laatste nacht
De timmerman buiten sloeg de laatste spijker in het platform. Daarna hoorde Jake Callahan hoe iemand over de planken liep. Vier stappen, een pauze, nog twee stappen. Het luik werd geopend en sloeg met een droge klap tegen de steunbalk.
Jake telde niet verder.
Door het getraliede raam van zijn cel zag hij een strook avondlucht boven Dry Creek. Het was september 1888. In dit deel van het territorium Arizona bleef de hitte overdag tussen de gebouwen hangen, maar nu kroop de kou langzaam door de stenen vloer. Op het krukje naast zijn brits stond een bord bonen.
Hij at ze op.
Als ze hem morgen wilden ophangen, hoefde hij daar niet ook nog met een lege maag te staan.
Sheriff Wales verscheen toen Jake met zijn duim de laatste saus van het bord veegde. De sheriff had zijn jas uitgetrokken. Op zijn overhemd tekenden zich donkere zweetkringen af.
‘Je advocaat heeft opnieuw getelegrafeerd,’ zei hij.
Jake zette het bord neer. ‘En?’
Wales schudde zijn hoofd.
Acht weken eerder was Jake met vier anderen de bank van Dry Creek binnengevallen. Ze hadden achttienduizend vierhonderd dollar meegenomen. Achter de toonbank was kassier Daniel Mercer dood achtergebleven.
Jake had de overval nooit ontkend.
De moord wel.
‘Ik kan nog een verzoek om uitstel laten sturen,’ zei Wales. ‘Maar dan heb ik iets nieuws nodig. Namen. Getuigen die jouw verhaal bevestigen.’
‘Zodat je hen naast mij kunt zetten?’
‘Zodat ik weet wie waar stond toen Mercer werd neergeschoten.’
Jake leunde achterover. ‘Ik heb verteld wie schoot.’
‘Rusk zegt dat jij het was. Whitcomb bevestigt zijn verklaring.’
‘Whitcomb betaalt Rusk.’
‘Dat heeft je advocaat de jury ook verteld.’
Daar lag het. Een bankier in een net pak, zijn bewaker met een keurige verklaring, en een roodharige bankrover die beweerde dat ze logen.
Jake herinnerde zich de bank met een scherpte die hem misselijk maakte. Het krassen van Mercers pen. De vrouw bij het raam die haar handschoenen niet uit kreeg. Samuel bij de deur, Cole naast de kluis.
En Rusk, die vanuit het achterkantoor tevoorschijn kwam.
Mercer had zijn hoofd gedraaid. Hij had iets willen zeggen.
Toen klonk het schot.
Jake had teruggevuurd, te hoog, in het hout boven de kantoordeur. De vrouw begon te gillen. Achter hem riep Lena dat ze weg moesten.
Ze waren uiteengegaan buiten de stad. Jake had het geld verborgen voordat zijn kreupele paard hem tot lopen dwong. Wales had hem de volgende ochtend gevonden, slapend onder een overhangende rots.
Het geld had niemand teruggevonden.
Zijn vrienden evenmin.
‘Ik beloof je geen vrijheid,’ zei Wales. ‘Daar ga ik niet over. Maar ik wil morgen geen man laten sterven als er nog iets onderzocht moet worden.’
Jake bekeek de sheriff. Hij kende hem van vroeger, toen Wales nog veedieven achtervolgde en Jake voor een vrachtbedrijf werkte. Wales had hem ooit twee dagen loon voorgeschoten nadat een gebroken wagenas hem zonder werk had gezet.
‘Dan moet je Rusk opnieuw ondervragen.’
‘Dat heb ik gedaan.’
‘Doe het zonder Whitcomb erbij.’
De sheriff zweeg.
Buiten riep iemand dat het touw naar binnen moest, weg van het nachtelijke vocht.
Wales legde beide handen om de tralies.
‘Red. Je vrienden zitten ergens bij een vuur. Jij zit hier. Hoeveel ben je hun verschuldigd?’
Jake dacht aan Samuel, die hem tijdens een winterstorm uit een dichtgesneeuwde greppel had getrokken. Aan Lena, die maandenlang haar verdiensten had gedeeld toen hij met koorts lag. Aan Cole en Ben, die nooit gevraagd hadden of hij hun moeite wel waard was.
Geen goede mensen, als je het de bankdirecteuren vroeg.
Maar wel zijn mensen.
‘Ik koop mijn leven niet met dat van hen.’
‘Misschien vraag ik je alleen de waarheid te vertellen.’
‘Over mezelf vertel ik alles.’
Wales liet de tralies los.
‘Denk er nog eens over na.’
‘Dat doe ik al acht weken.’
Nadat de sheriff vertrokken was, bleef Jake rechtop zitten. Zijn stoerheid hield precies stand tot de buitendeur dichtviel.
Toen begonnen zijn handen te trillen.
Hij verborg ze onder zijn armen.
Tegen middernacht kwam hulpsheriff Miller met water. Hij was nauwelijks twintig en hield de kan zo stevig vast dat zijn knokkels wit zagen.
‘Wilt u nog iets?’
‘Een andere rechter.’
Miller glimlachte niet.
Jake nam de kan aan.
‘Je hoeft me niet aan te kijken alsof ik al dood ben, jongen.’
‘Ik heb nog nooit een ophanging gezien.’
‘Ik ook niet van zo dichtbij.’
Deze keer ontsnapte Miller een kort lachje. Het verdween meteen.
‘Bent u bang?’
Jake keek naar het wateroppervlak. Het trilde nog.
‘Ja.’
Dat antwoord leek de jongen meer te raken dan alle grappen.
‘Wat doet u daartegen?’
‘Op dit ogenblik? Drinken.’
Hij nam een slok en gaf de kan terug.
Miller bleef staan. ‘De sheriff zegt dat ik morgen bij de trap moet blijven. Voor het geval er moeilijkheden komen.’
‘Luister dan goed naar hem. En trek je wapen alleen als je weet waar je op richt.’
De jongen knikte.
Jake wilde nog iets zeggen, maar Miller liep al weg.
Later haalde hij het leren zakje tevoorschijn dat Wales hem na het proces had teruggegeven. Er zat een gedroogd rood bloempje in. Zijn moeder had het tussen twee lapjes leer genaaid toen hij voor het eerst met een veedrift meeging.
Hij was toen zestien geweest.
Nu was hij tweeëndertig, en zijn moeder lag al negen jaar onder de grond.
Hij streek met zijn duim over de versleten naad.
Hij had zichzelf vaak verteld dat hij geen keus had gehad. Na het ontslag. Na de eerste diefstal. Na de eerste keer dat vluchten makkelijker leek dan blijven.
In het donker klonk dat minder overtuigend.
Toen de ochtend grijs werd achter de tralies, had Jake niet geslapen.
Hij stond op voordat Wales hem kwam halen.
Zijn benen hielden hem.
Voorlopig was dat genoeg.
2 Onder de galg
Op het plein rook het naar paardenmest, koffie en vers gezaagd hout.
Jake liep tussen Wales en Miller naar het afgeschermde erf naast de gevangenis. Daar stond de galg. Zijn polsen waren voor zijn lichaam vastgebonden. Buiten de hoge schutting week de menigte nauwelijks uiteen. Hij herkende de smid, de barbier en de vrouw die tijdens de overval bij het bankraam had gestaan.
Ze keek hem aan.
Jake keek als eerste weg.
Bankier Whitcomb stond voor zijn gesloten bank, beide handen op de zilveren knop van zijn wandelstok. Naast hem droeg Rusk een revolver laag op de heup. Zijn jasje hing open.
Voor de toegangspoort stond een hooiwagen. De bestuurder zat voorovergebogen onder een slappe hoed. Jake zag alleen een kromme rug, een grijze baard en twee handen op de teugels.
Toen tikte de man met zijn linkerduim tweemaal tegen de bok.
Oude Ben.
Jake struikelde bijna op weg naar de trap.
Wales pakte zijn elleboog. ‘Rustig.’
Op het erf stonden alleen de toegelaten getuigen en enkele werklieden. Boven op het platform keek Jake niet opnieuw naar de poort. Hij dwong zichzelf naar de horizon te staren, terwijl zijn hart tegen zijn ribben sloeg.
Ze waren gekomen.
Ergens tussen de mensen buiten. Ergens achter de ramen.
Of misschien was Ben alleen gekomen om afscheid te nemen.
De man bij het touw trok Jake zijn hoed af en legde de lus om zijn nek. Ruwe vezels schuurden langs zijn huid. Wales vouwde het vonnis open.
Jake hoorde zijn naam. De naam van Mercer. Het woord moord.
Buiten bracht Ben zijn wagen langzaam dichter bij de poort.
Rusk zag het ook.
Zijn rechterhand zakte naar zijn revolver.
‘Die wagen!’ riep hij.
Het eerste schot kwam uit de hooizolder van de stal aan de overkant. Een stuk hout sprong uit de veranda naast Rusks hoofd. Hij dook achter een gemetselde pilaar.
De menigte brak uiteen.
Een breedgeschouderde werkman gooide de poortvleugels open en wierp zijn jas af. Samuel Pike. Ben joeg zijn paarden naar binnen terwijl Samuel naar de platformtrap rende. Hij duwde Miller met zijn schouder opzij, greep de man bij het touw bij zijn jas en wierp hem tegen de reling.
Wales draaide zich om.
Samuel sloeg zijn uitgestoken arm omhoog voordat hij zijn revolver kon richten.
‘Het spijt me, sheriff.’
‘Dat zal best!’
Jake stapte van het luik af. Het touw trok strak, maar Samuel had de lus al vast. Hij maakte haar ruimer, rukte haar over Jakes hoofd en haalde een mes uit zijn riem.
Een tweede schot kraakte.
Samuel schokte. Zijn rechterbeen knikte, maar hij bleef overeind.
Hij sneed Jakes polsen los.
‘Spring.’
Jake keek over de rand. Ben had de wagen pal naast het platform gebracht.
Ze vielen samen tussen het hooi.
De klap perste de lucht uit Jakes longen. Een kogel sloeg door de houten zijwand. Ben vloekte, gaf de paarden ruimte en stuurde de wagen de straat in.
Vanuit de hooizolder antwoordde Lena met twee schoten. De witte kruitrook bleef tussen de balken hangen.
Miller had zijn revolver getrokken, maar tussen hem en de vluchtende wagen rende een vrouw met een kind op haar arm.
Hij liet de loop zakken.
‘Iedereen van de straat!’ brulde Wales.
Ben nam de bocht bij de smidse zo ruim dat de wagen langs een waterbak schuurde. Daar stond Cole met vier gezadelde paarden.
‘Jullie hebben de hele stad wakker gemaakt,’ zei hij.
Samuel probeerde over de zijwand te klimmen. Zijn been gaf mee.
Jake ving hem op.
Onder zijn knie kleurde de broek donker.
‘Hij is geraakt.’
Cole was meteen naast hen. Samen kregen ze Samuel op een paard. Ben zette de wagen dwars in de nauwe doorgang en trok de rem vast. Het achtergelaten span stond snuivend tussen de disselbomen.
Lena kwam uit de steeg naast de stal aangereden, haar Winchester 1873 schuin voor zich.
‘Rusk komt eraan.’
Jake klom in het vrije zadel.
Er was geen tijd voor dankwoorden.
Ze reden.
Achter hen klonken nog schoten, maar de huizen verdwenen al uit de schootslijn. Lena leidde hen langs de achterzijde van een omheinde weide naar een droge beekbedding. De paarden gleden over losse stenen voordat ze vaste grond vonden.
Pas achter de eerste heuvel liet ze het tempo zakken.
Samuel hing scheef in zijn zadel.
‘Afstappen,’ zei ze.
‘We hebben geen tijd,’ protesteerde Cole.
‘Als hij leegbloedt, winnen we daar niets mee.’
Ze hielpen Samuel naar de schaduw van een rotswand. Lena sneed de broekspijp open. De kogel had zijn kuit geraakt. Uit de wond stroomde bloed, maar Samuel kon zijn voet bewegen.
Ben drukte een opgevouwen doek stevig tegen de wond.
‘Blijf zitten, grote kerel.’
Samuel trok een grimas. ‘Ik was niet van plan te gaan dansen.’
Jake hield het paard vast terwijl Lena een verband aanbracht. Haar handen werkten kalm. Alleen toen ze hem even aankeek, zag hij hoe bleek ze was.
‘Je had eerder mogen komen,’ zei hij.
‘We hebben eerst een advocaat betaald.’
‘Die was niet erg goed.’
‘Hij was duur. Dat leek ons een gunstig teken.’
Jake wilde lachen, maar er kwam slechts een schorre kuch.
Lena bekeek de rode schuurplek op zijn hals.
‘En de gevangenis werd bewaakt door zes mannen,’ voegde ze eraan toe. ‘Dit was het enige moment waarop we bij je konden komen.’
Ze trok de laatste knoop vast.
Ben bleef nog even druk op het verband houden. Het bloed sijpelde langzamer.
In de verte verscheen stof boven de weg.
Wales zou achter hen aankomen. Daar twijfelde Jake niet aan. En Rusk zou zich niet laten tegenhouden door een sheriff die liever een levende gevangene had.
‘Waar ligt het geld?’ vroeg Cole.
‘Coyote Wells. Onder de vloer van het oude koetshuis.’
‘Dan halen we het op en rijden we zuidwaarts.’
Jake keek naar Samuel, die met dichtgeklemde kaken naar zijn bebloede broek staarde.
De grens was ver. Ze hadden een gewonde man, vermoeide paarden en water voor hooguit één lange dag.
‘Eerst naar de put,’ zei hij.
Ze hielpen Samuel terug in het zadel.
De volgende uren wisselden ze korte stukken draf af met stapvoets rijden. Op de steilste hellingen liepen ze naast de paarden. Niemand sprak nog over vrijheid.
Ze luisterden naar de hoefslagen achter hen.
3 Wat het geld verborg
Coyote Wells bestond uit een lage stal, een stenen puthuis en de ruïne van een postkoetsstation. Sinds de nieuwe route was geopend, kwamen er vooral veedrijvers water halen.
Ben had er vroeger paarden gewisseld.
‘Dak van de stal deugt niet,’ zei hij. ‘Puthuis wel.’
Ze brachten Samuel naar binnen en zetten hem met zijn rug tegen de muur. Het verband was opnieuw donker geworden. Lena legde er een tweede doek overheen terwijl Ben water ophaalde.
Cole beklom de lage rotskam achter het terrein.
Jake ging naar het koetshuis.
Hij wist precies welke steen hij moest optillen. Daaronder lagen de twee canvaszakken, gewikkeld in een stuk geolied zeildoek.
Hij droeg ze naar het puthuis en maakte de eerste open.
Bankbiljetten. Stapels ervan.
Het geld rook naar vocht en leer.
‘Daarvoor dus,’ zei Samuel.
Niemand vroeg wat hij bedoelde.
Jake haalde de bundels eruit. Onder in de zak zat een dun blauw boekje. Hij herinnerde zich ineens hoe Mercer tijdens de overval iets vanonder zijn lessenaar had gepakt. Jake had aangenomen dat het een bundel biljetten was.
Lena nam het boekje aan.
Op de eerste pagina stond: Daniel Mercer.
Daaronder een datum van drie maanden voor de overval.
Ze sloeg enkele bladzijden om.
‘Dit zijn afschriften van rekeningen.’
Jake keek over haar schouder. Namen, bedragen, overboekingen. In de marge stonden korte opmerkingen, soms tweemaal onderstreept.
‘Kun je daar iets mee?’
‘Ik heb vier jaar de boeken van een handelszaak bijgehouden, voordat ik op slechtere ideeën kwam.’
Ze las verder.
Ben zette een emmer naast haar neer.
‘Whitcomb beweert dat jullie tweeënveertigduizend dollar hebben meegenomen,’ zei hij. ‘Stond op de aanplakbiljetten.’
Jake keek op. ‘Dat zat niet in de kluis.’
‘Dan heeft iemand slecht geteld.’
Lena tikte met haar nagel op een bladzijde.
‘Of iemand wil dat iedereen denkt dat al het ontbrekende geld tijdens één overval verdwenen is.’
Tussen de laatste pagina’s lag een onafgemaakte brief aan Whitcombs zakenpartner in Tucson. Mercer schreef dat hij leningen had moeten inschrijven waarvoor geen behoorlijke onderpanden of betalingsbewijzen bestonden. Zijn vragen waren onbeantwoord gebleven.
De brief bewees geen moord.
Maar Jake begreep nu waarom Mercer was gestorven met zijn gezicht naar het achterkantoor.
De kassier had geprobeerd iets naar buiten te krijgen.
Desnoods in de buit van bankrovers.
‘We brengen dit naar Wales,’ zei Jake.
Cole stond in de deuropening.
‘Wales komt vanzelf. Twee ruiters op de weg. Verder achter hen nog een groep.’
Jake stopte de brief terug.
‘Dan besparen we hem een zoektocht.’
‘Je wilt toch niet terug?’
‘Ik wil dat hij dit leest.’
Cole staarde hem aan. ‘Hij wilde je vanmorgen ophangen.’
‘Daarom.’
Buiten klonk een stem.
‘Callahan!’
Wales stond naast zijn paard, ongeveer zestig passen van het puthuis. Miller hield verderop halt, bij een ondiepe greppel.
De sheriff had zijn geweer in zijn handen, maar richtte het nog niet.
‘Laat jullie wapens zien en kom naar buiten.’
Jake verscheen in de deuropening. Zijn revolver bleef in zijn holster. Het blauwe boekje hield hij omhoog.
‘Mercer heeft iets achtergelaten.’
‘Leg het neer.’
‘Kom het halen.’
Wales keek naar de stal, naar de rotskam en terug naar Jake.
‘Ik ben niet van plan mij tussen vijf geweren te laten lokken.’
‘Samuel kan amper staan. Dat scheelt er al één.’
De sheriff glimlachte niet.
Op de helling achter hem verschenen de andere ruiters. Whitcomb reed in het midden. Rusk en vier gewapende mannen verspreidden zich zonder op bevelen te wachten.
Wales draaide zich om.
‘Ik heb gezegd dat jullie afstand moesten houden.’
‘Mijn geld ligt daar,’ antwoordde Whitcomb.
‘En mijn gevangenen zitten daar.’
Rusk bracht zijn paard verder naar rechts. Jake zag hoe hij het geweer uit de zadelschede trok.
‘Wales,’ zei hij.
De sheriff stak een hand op, zonder om te kijken.
‘Iedereen blijft staan.’
Whitcomb had het blauwe boekje gezien.
Zijn wandelstok zat onder een zadelriem. Hij greep ernaar, liet hem weer los en riep: ‘Geef dat hier, Callahan. Dat zijn vertrouwelijke bankstukken.’
Wales keek nu wel om.
‘Ik dacht dat het om uw geld ging.’
Rusk schoot.
Het paard van Wales sloeg opzij en viel. De sheriff verdween erachter. Miller wierp zich in de greppel.
Jake dook terug terwijl een tweede kogel tegen het deurkozijn sloeg.
Steengruis brandde in zijn wang.
Lena was al bij het smalle zijraam. Haar Winchester dreunde in de besloten ruimte. Buiten zocht Rusk dekking achter een rotsblok.
‘Wales ligt vast!’ riep Ben.
Jake keek langs het kozijn. De sheriff probeerde zijn voet onder het gevallen zadel vandaan te trekken. Zijn geweer lag buiten bereik.
Een van Rusks mannen steeg af en rende naar een lage muur.
Nog enkele passen, en hij zou Wales van opzij kunnen raken.
Jake trok zijn revolver.
‘Cole. Die muur.’
Cole vuurde vanuit de stal. De man dook neer.
Jake rende.
Hij voelde eerder dan hij hoorde hoe een kogel door zijn jas trok. Hij liet zich naast Wales vallen, greep hem onder de armen en trok.
De sheriff schreeuwde.
‘Mijn voet!’
Jake verlegde zijn greep. Ben kwam gebukt achter hem aan. Samen lichtten ze de rand van het zadel net genoeg op.
Wales rukte zich los.
Ze sleepten hem achter de stenen drinkbak en vandaar naar het puthuis. Lena schoot pas opnieuw toen ze vrij baan had. Een tegenstander verdween vloekend achter de stal.
Binnen liet Jake de sheriff op de vloer zakken.
Bloed liep langs Wales’ slaap.
‘Heb je het gezien?’ hijgde Jake.
Wales knikte langzaam.
Buiten schreeuwde Whitcomb dat niemand mocht ontsnappen.
De sheriff veegde bloed uit zijn oog.
‘Dat boek,’ zei hij. ‘Laat me dat verdomde boek zien.’
4 Vuur bij de put
Miller bereikte het puthuis kruipend langs de greppel. Zijn hoed was weg. In zijn haar zaten doorns.
‘Ze schieten op ons,’ zei hij, alsof hij het nog steeds niet begreep.
Wales bladerde door het boekje.
‘Ja.’
‘Maar Whitcomb—’
‘Is niet langer iemand van wie je bevelen aanneemt.’
De sheriff legde Mercers brief tussen de bladzijden en drukte het boekje in Millers handen.
‘Dit moet de stad bereiken. Naar de advocaat van Callahan. Laat hem onmiddellijk een telegram sturen. Daarna breng je mannen mee die ik kan vertrouwen.’
Ben wees naar de achterzijde.
‘Daar loopt een smalle afvoer naar de beekbedding. Mijn paard staat achter de stalmuur. Je kunt uit zicht de noordkant bereiken.’
Miller keek naar de deur, waar kogels stukjes steen uit het kozijn sloegen.
‘En jullie?’
‘Wij houden ons bezig,’ zei Wales.
Jake haalde het leren zakje onder zijn hemd vandaan en gaf het aan de jongen.
‘Voor het geval je mij niet meer ziet.’
Miller wilde weigeren.
‘Toe maar.’
Ben kroop met hem naar buiten. Even later vuurde Lena vanuit het zijraam. Cole schoot vanaf de tegenoverliggende hoek. Achter het gebouw klonk kort hoefgetrappel.
Toen verdween het geluid in de bedding.
Jake wachtte op geschreeuw van de helling.
Er kwam niets.
Whitcomb riep dat ze het geld en het boek moesten afgeven. Daarna mochten ze vertrekken.
‘U hebt net op de sheriff laten schieten!’ antwoordde Cole.
‘Een misverstand.’
Cole keek naar Wales.
‘Volgens mij heb jij een bijzonder zwaar misverstand op je hoofd.’
De sheriff probeerde op te staan. Zijn enkel hield hem nauwelijks.
‘Ze willen geen getuigen.’
‘Dat hadden we inmiddels begrepen,’ zei Lena.
Ze vulde het magazijn van haar Winchester bij. Jake herlaadde zijn revolver, met vingers die nog pijnlijk waren van het touw.
Samuel zat naast de geldzakken. Hij had zijn wapen op zijn bovenbeen gelegd.
‘Hoe lang voor Miller terug is?’
Ben kwam gebukt binnen.
‘Uren.’
Samuel knikte. ‘Dan moeten we zelf iets bedenken.’
Een schot verbrijzelde de rand van de wateremmer.
Daarna werd het stil.
Niet rustig. Stil.
Jake bewoog naar het zijraam. De mannen achter de lage muur waren verdwenen.
Hij rook iets anders dan kruit.
Rook van brandend gras.
‘De stal.’
Aan de buitenkant van het oude gebouw groeide een oranje vlam langs de wand. Iemand had het droge stro onder het houten afdak aangestoken. De wind dreef de rook naar het puthuis.
Hun paarden begonnen te trekken aan hun touwen.
Ben vloekte en dook door de achteropening.
‘Cole, help hem!’ riep Jake.
Lena bleef bij het raam. Samuel probeerde overeind te komen, maar zakte onmiddellijk terug.
Jake sloeg zijn arm om hem heen. Samuel schoof de geldzakken over de vloer tot bij de deur en greep toen Jakes jas vast.
Ze hadden hem bijna naar buiten toen een man uit de rook opdook.
Zijn geweer ging af.
Wales schreeuwde en wankelde tegen de muur.
Jake schoot tweemaal. De aanvaller viel op zijn zij, het geweer onder zich. Hij bewoog niet meer.
Een ogenblik zag Jake alleen de vingers van de man in het stof.
Toen greep Samuel zijn mouw.
‘Red.’
Jake bracht hem naar buiten en liet hem achter de stenen drinkbak zakken.
Bij de stal trok Ben de laatste paarden los. Cole joeg ze naar de open bedding. Eén dier had zich losgerukt en stond verderop te beven, met een afgebroken stuk halstertouw onder de kin.
Lena kwam achteruitlopend uit het puthuis. Ze vuurde naar de hoek van het koetshuis. Een schutter liet zijn geweer vallen en greep naar zijn zij.
Verderop riepen twee mannen tegelijk dat ze zich overgaven.
‘Wapens neer!’ schreeuwde ze. ‘Handen zichtbaar!’
Jake draaide zich om.
Wales was niet buitengekomen.
Door de rook zag hij de sheriff nog tegen de binnenmuur zitten. Bloed liep over zijn linkerhand. Boven hem brandde het uiteinde van een dakbalk.
Jake trok zijn halsdoek voor zijn mond en ging terug.
Hij kreeg Wales overeind, maar de sheriff kon zijn linkerarm niet gebruiken.
‘Loop,’ zei Jake.
‘Ik probeer het.’
Ze bereikten de deur toen Rusk langs de andere kant naar binnen kwam. Hij had het afdak gebruikt om ongezien dichterbij te komen.
Zijn revolver wees recht naar Jakes borst.
‘Het boek.’
Jake stond stil.
Wales hing zwaar tegen hem aan.
‘Niet hier.’
Rusk keek naar de canvaszakken bij de deur. Eén was opengevallen. Bankbiljetten lagen verspreid over de vloer.
Hij aarzelde nauwelijks, maar het was genoeg.
Jake duwde Wales door de deuropening en sloeg Rusks pols opzij.
Het schot dreunde vlak naast zijn oor.
Daarna hoorde hij bijna niets meer.
Ze botsten tegen de putrand. Rusk gaf hem een kopstoot. Licht spatte door Jakes blikveld. Hij proefde bloed en verloor zijn greep.
Rusk bracht de revolver omlaag.
Jake greep met beide handen zijn pols en drukte die tegen de stenen rand. Nog een schot sloeg in het dak. De revolver viel tussen hun voeten.
Rusk ramde zijn knie in Jakes zij.
Jake vouwde dubbel.
Boven hen kraakte hout.
Hij wierp zich naar de deur op het moment dat een gedeelte van het dak bezweek.
Een balk sloeg tegen de putrand. Brandende planken vielen over de vloer.
Rusk schreeuwde.
Jake lag op zijn buik in het stof. Hij kon geen adem krijgen. Zijn rechterzij trok samen bij iedere poging.
Cole greep zijn jas en sleurde hem verder.
‘Blijven liggen.’
Uit het puthuis kwam opnieuw een kreet.
Rusk lag met zijn been onder een balk.
Jake duwde zich overeind.
Cole pakte hem vast. ‘Het stort in.’
Jake keek door de deur. Rusk probeerde het hout op te tillen. Zijn handen gleden weg.
Er lag geen wapen binnen zijn bereik.
Jake vloekte.
‘Help me.’
Ze gingen samen terug.
Bij de deur lag een afgebroken plank. Jake schoof die onder de balk terwijl Cole Rusk bij zijn schouders greep. De eerste poging mislukte. De pijn in Jakes ribben benam hem de adem.
Ze probeerden het opnieuw.
Het hout verschoof genoeg.
Cole trok.
Ze sleurden Rusk naar buiten en lieten hem bij de drinkbak vallen. Zijn been stond verkeerd. Hij schreeuwde nog, maar hij leefde.
Aan de andere kant van het terrein hield Ben Whitcomb onder schot. De bankier had geprobeerd een van de achtergebleven paarden te bestijgen.
‘Hij bood me geld,’ zei Ben.
Niemand antwoordde.
Jake zakte naast Samuel op de grond.
Achter hen brandde het dak van het puthuis verder. Lena verzamelde de wapens. Wales hield met zijn goede hand een doek tegen zijn bovenarm.
De geldzakken lagen nog waar Samuel ze had achtergelaten. Cole trok ze over de drempel voordat het vuur ze bereikte.
Jake keek ernaar.
En daarna naar de dode man in het stof.
Hij boog voorover en bleef zo zitten tot hij weer normaal kon ademhalen.
5 Wat een man overhoudt
Miller kwam tegen zonsondergang terug met zes mannen, een arts en een wagen.
Het puthuis rookte nog. De gewonden lagen in de schaduw van de rotswand. Lena had de gevangenen bij elkaar gezet, ver genoeg van hun wapens.
Miller stapte af en zocht Jake.
Zonder iets te zeggen gaf hij hem het leren zakje terug.
Jake nam het voorzichtig aan.
‘Is het boek aangekomen?’
‘Uw advocaat heeft het. Er zijn telegrammen verstuurd. De bank wordt bewaakt.’
Pas toen liet Jake zijn schouders zakken.
De arts knielde eerst bij Rusk. Daarna onderzocht hij de andere gewonden. Samuels been moest grondig worden verzorgd. Wales had een schotwond in zijn bovenarm. Bij Jake vond hij gekneusde ribben, een open wenkbrauw en meer blauwe plekken dan Jake zich kon herinneren.
‘U blijft voorlopig van een paard af.’
‘Daar kan ik mee leven.’
Wales liet zijn arm verbinden en riep hen daarna bij zich.
Hij stond naast de wagen. Zijn gezicht zag grauw, maar zijn stem was vast.
‘Ik zal verklaren wat hier gebeurd is. Alles.’
Cole keek naar de gewapende mannen achter hem.
‘En vervolgens gaan we de cel in.’
‘Ja.’
De wind joeg een laagje as over de grond.
‘Ook als hij die kassier niet heeft vermoord?’ vroeg Samuel.
Wales keek naar Jake.
‘Jullie hebben een bank overvallen. Mensen bedreigd. Er is iemand gestorven. Wat Rusk gedaan heeft, maakt jullie eigen aandeel niet ongedaan.’
‘Krijgt Red opnieuw de strop?’ vroeg Lena.
‘Ik zal alles doen wat binnen mijn macht ligt om dat te voorkomen. Meer kan ik niet beloven.’
Cole draaide zich naar Jake.
‘We hadden naar het zuiden kunnen rijden.’
Jake knikte.
‘Dat kan nog steeds,’ zei Cole, zachter nu.
Achter hem stonden de paarden. De bedding liep weg tussen de heuvels. Verderop begon land waar ze zich konden verbergen, zoals ze dat al jaren deden.
Samuel zou de rit misschien niet overleven.
En Jake zou voortaan weten wat er in het blauwe boekje stond.
‘Ik blijf,’ zei hij.
Cole schopte tegen een steen.
‘Je hoeft niet voor mij te kiezen,’ voegde Jake eraan toe.
Lena maakte haar revolverriem los.
‘Ik kies voor mezelf.’
Ze legde hem op de wagen.
Ben volgde. Daarna Samuel.
Cole keek hen één voor één aan. Toen haalde ook hij zijn wapen uit de holster.
‘Vier tegen één,’ mompelde hij. ‘Zoals altijd.’
Niemand lachte hem uit.
Ze vertelden later ieder hun eigen aandeel, in aanwezigheid van hun advocaat. Jake hoefde geen namen te ruilen voor een afzonderlijke ontsnappingskans. Zijn vrienden stonden naast hem toen het tijd werd verantwoordelijkheid te nemen.
De volgende ochtend kwam bericht dat de uitvoering van het doodvonnis voorlopig werd opgeschort.
Daarna begon het langzame werk.
Mercers aantekeningen werden vergeleken met de bankboeken. Zijn zakenbrieven werden nagegaan. Schuldbewijzen bleken vervalst, verschillende leningen bestonden alleen op papier. Het verschil tussen de werkelijke buit en Whitcombs opgegeven verlies bleek aanzienlijk.
De bankier had gehoopt de overval te gebruiken om oudere tekorten te verbergen.
Mercer had die tekorten ontdekt.
Een van Whitcombs ingehuurde mannen verklaarde hoe Rusk hem na de ontsnapping had opgedragen geen gevangenen te maken zodra het geld gevonden was. De anderen bevestigden wat bij Coyote Wells was gebeurd.
Rusk probeerde zijn eigen aandeel te verkleinen door Whitcomb als opdrachtgever aan te wijzen. Daarbij bekende hij Mercer te hebben doodgeschoten: de overval had hem een gelegenheid gegeven om de lastige kassier het zwijgen op te leggen. Jake had een getuige levend uit het vuur gehaald die hij liever nooit meer had gezien.
Whitcomb en Rusk werden in afzonderlijke processen veroordeeld. Hun invloed eindigde bij de gevangenispoort.
Voor Jake betekende de waarheid geen vrijspraak van alles wat hij had gedaan. Na onderzoek en een verzoek om gratie werd zijn doodstraf omgezet in een lange gevangenisstraf. Ook de anderen kregen gevangenisstraffen voor hun aandeel in de overval en de gewelddadige bevrijding.
Het teruggevonden geld kwam onder gerechtelijk beheer. De verkoop van Whitcombs bezittingen leverde verdere terugbetalingen aan gedupeerde klanten op.
Daniel Mercer kwam er niet mee terug.
Zijn weduwe schreef Jake één brief. Ze bedankte hem voor het terugbrengen van het boekje. Daarna schreef ze dat haar kinderen nog iedere avond naar hun vader vroegen.
Jake las de brief tweemaal.
Hij bewaarde hem naast het zakje met de bloem.
In Yuma werden de jaren verdeeld in werk, hitte en het geluid van deuren. Jake leerde in de werkplaats leer herstellen en tuig naaien. Zijn haar werd grijs aan de slapen, zijn handen harder.
Er waren dagen waarop hij de vlucht naar het zuiden alsnog in zijn hoofd maakte.
Dan dacht hij aan Samuel, die uiteindelijk weer zonder stok had leren lopen. Aan Lena, die hem schreef over het werk dat ze na haar vrijlating had gevonden. Aan Ben en Cole, die nooit beloofden dat wachten makkelijk was.
Ze kwamen eerder vrij dan hij.
Ze verdwenen niet.
Toen Jake in het najaar van 1896 de gevangenis verliet, stonden er vier mensen bij een wagen.
Ben was kleiner geworden, of krommer. Samuel leunde tegen een wiel. Cole droeg een overhemd zonder scheuren. Lena hield een hoed vast.
Jakes oude hoed.
‘Die was op dat platform blijven liggen,’ zei ze. ‘Wales heeft hem bewaard.’
Jake zette hem op.
Niemand wist meteen iets te zeggen.
Toen sloeg Samuel zijn armen om hem heen, stevig genoeg om hem even de adem te benemen.
Ze hadden werk voor hem. Ben en Samuel vervoerden goederen tussen ranches en nederzettingen. Lena hield de rekeningen bij. Cole verzorgde de paarden en beweerde dat hij daarmee de belangrijkste taak had.
De wagen was tweedehands. De paarden waren betaald met verdiend geld.
Op de bok lag een vrachtbrief met Jakes naam erbij geschreven.
‘Geen bank deze keer?’ vroeg hij.
Lena gaf hem de teugels.
‘Meel. Koffie. Twee nieuwe ploegscharen.’
Jake keek naar de namen onderaan het papier.
Vijf namen.
Hij vouwde de vrachtbrief op en stak hem zorgvuldig in zijn jas, naast de brief van Mercers weduwe en het leren zakje.
Daarna ging hij naast Ben op de bok zitten.
Ze vertrokken stapvoets.
De lading moest heel aankomen.
Soundtrack
[Verse 1]
There’s a hammer in the courtyard,
There’s a shadow on the wall.
Cold beans on a little wooden stool,
Boot heels coming down the hall.
The lawman stops outside the bars,
Says, “Give me something I can use.”
I say, “I’ll answer for my own mistakes,
But their lives ain’t mine to lose.”
[Pre-Chorus]
Don’t mistake these shaking hands
For a promise wearing thin.
I’m afraid of what the morning brings,
But I won’t trade my people in.
[Chorus]
Put a price upon my head,
Let the whole town ring that bell.
I’ve got sins to answer for,
But my friends ain’t mine to sell.
I won’t buy another sunrise
With the names I know so well.
You can ask me for my last breath—
But my friends ain’t mine to sell.
[Verse 2]
There’s a flower wrapped in leather,
Faded red against my chest.
Mama stitched it up one morning
Before I rode out with the rest.
I was sixteen, chasing distance,
Thought the world would move aside.
Now I rub that worn-out stitching,
With no place left to hide.
[Pre-Chorus]
There were hands that found me freezing,
There was bread when mine was gone.
You don’t forget who kept you breathing
When you’re waiting on the dawn.
[Chorus]
Put a price upon my head,
Let the whole town ring that bell.
I’ve got sins to answer for,
But my friends ain’t mine to sell.
I won’t buy another sunrise
With the names I know so well.
You can ask me for my last breath—
But my friends ain’t mine to sell.
[Verse 3]
A young man brings me water,
Tries to keep his questions small.
Asks me if I’m scared of dying—
I say, “Son, aren’t we all?”
Somewhere there’s a wagon waiting,
Somewhere there’s an open plain.
Two taps against a weathered board
Could mean more than words explain.
[Bridge — stripped back]
I won’t dress my wrongs in glory,
Won’t pretend my hands are clean.
There were people in that doorway
Whose fear still follows me.
Being true to those beside you
Doesn’t make the damage right.
But I won’t leave them in the darkness
Just to buy myself some light.
[Final Chorus]
Put a price upon my head,
Let the whole town ring that bell.
I’ve got sins to answer for,
But my friends ain’t mine to sell.
I won’t buy another sunrise
With the names I know so well.
You can ask me for my last breath—
But my friends ain’t mine to sell.
[Outro]
One small flower wrapped in leather,
Morning creeping through my cell.
My life may have a price on it—
But my friends ain’t mine to sell.
Reactie plaatsen
Reacties