Ridder Gregory Coene heeft veldslagen overleefd en dorpen verdedigd, maar droomt van een avontuur dat zijn naam voorgoed zal laten voortleven. In een afgelegen herberg hoort hij over het Zwaard van Sirius: een legendarisch wapen dat verborgen ligt in een zwarte berg en zijn drager volgens de verhalen onverslaanbaar maakt.
Met een verweerde kaart en zijn trouwe paard Rowan trekt Gregory door het Drenkende Woud en over de Kale Heuvels. Maar hij is niet de enige die de legende achternagaat. De meedogenloze krijgsheer Varrik heeft de bergpas bezet en gebruikt geweld om zijn zoektocht te bekostigen. Onderweg ontmoet Gregory een jonge vrouw die het gebied kent en haar eigen redenen heeft om Varrik te vrezen.
Tussen hinderlagen, verraderlijke paden en een dreiging diep onder de berg wordt iedere stap gevaarlijker. Gregory zal meer nodig hebben dan zijn zwaard en ervaring om deze tocht te overleven.
Een spannend actieverhaal over eerzucht, moed en de prijs van een legende.
1 De kaart in het vuurlicht
Toen Gregory Coene de herberg binnenkwam, hield de waard zijn blik iets te lang op het zwaard aan zijn heup gericht.
‘Als u ruzie zoekt, kunt u beter doorrijden.’
Gregory trok zijn natte handschoenen uit. ‘Ik zoek soep.’
Pas toen schoof de man een kom naar hem toe.
De herberg stond aan de rand van het Drenkende Woud. Regen tikte tegen de luiken; boven het vuur droogden kousen die naar rook en modder roken. Onder een tafel sliep een kind met zijn hoofd op een bundel kleren. Naast hem zat een vrouw die telkens naar de deur keek.
Gregory kende die blik. Hij had hem gezien achter brandende schuren en op wegen waar mensen hun huisraad achterlieten omdat hun kinderen belangrijker waren dan hun bezit.
‘Waar komen ze vandaan?’ vroeg hij zacht.
De waard keek naar de vrouw. ‘Van voorbij de Kale Heuvels. Varrik heeft daar de pas bezet. Hij vraagt tol voor alles wat erdoor moet. Wie niet betaalt, werkt voor hem.’
Gregory legde zijn lepel neer.
Varrik. Hij herinnerde zich een huurlingenkapitein met een rood wolventeken op zijn schild. Ooit hadden ze onder dezelfde banier gevochten. Terwijl Gregory gewonden van het slagveld haalde, had Varrik de ringen van hun vingers getrokken.
‘Waarom grijpt de grens heer niet in?’
‘De berichten moeten eerst door het woud. En sommige boodschappers komen nooit aan.’
Gregory keek naar zijn handen. Onder de knokkels liepen oude littekens. Zijn linker wijsvinger stond scheef sinds een veldslag waarvan niemand de naam nog gebruikte. Hij had dorpen verdedigd, konvooien begeleid en beloften gehouden waarvoor anderen hem dwaas noemden. Toch bezat hij nauwelijks meer dan een paard, zijn uitrusting en een huis waarvan het dak lekte.
Hij wilde iets nalaten dat langer meeging dan een litteken.
Bij de haard schraapte een oude man zijn keel.
‘Varrik zoekt geen tol,’ zei hij. ‘Die tol betaalt zijn zoektocht.’
Enkele gasten draaiden zich om. De oude man droeg een mantel met opgelapte ellebogen. Naast zijn beker lag een leren koker.
‘Zijn mannen vragen naar Sirius,’ vervolgde hij. ‘Naar de zwarte berg. Naar het zwaard.’
Gregory ging tegenover hem zitten.
‘Vertel.’
De man heette Berend. Hij sprak over een berg waar vroeger steen werd gewonnen, over verdwenen karavanen en een ondergrondse zaal waarin een zwaard vastzat in een donkere rots. Het metaal zou glanzen als Sirius, de helderste ster aan de nachtelijke hemel. Wie het kon meenemen, zou volgens de verhalen geen nederlaag meer kennen.
‘Volgens welke verhalen?’ vroeg Gregory.
Berend glimlachte flauwtjes. ‘Die waarvoor mensen mij bier betalen.’
‘En wat heb je zelf gezien?’
De glimlach verdween.
De oude man schoof zijn mouw omhoog. Langs zijn onderarm liep een breed, gerimpeld brandlitteken.
‘De ingang. De voorste zaal. Vuur dat bewoog alsof het leefde. Mijn broer ging verder. Ik hoorde hem schreeuwen.’
Hij liet de mouw zakken.
‘Daarna heb ik de weg getekend, zodat zijn kinderen wisten waar hun vader gebleven was.’
Gregory keek naar de koker.
‘Varrik heeft een afschrift gekocht,’ zei Berend. ‘Een maand geleden. Ik dacht dat hij een verzamelaar was. Hij droeg geen wolventeken toen hij hier zat.’
Uit de koker kwam een vergeeld vel. De rode markeringen volgden beekdalen en oude steengroevepaden. Achter de Kale Heuvels stond een berg getekend met een ster erboven.
Gregory legde drie zilverstukken neer.
Berend raakte het geld niet aan. ‘Je hebt niet gehoord wat ik zei.’
‘Ik heb het gehoord.’
‘En toch wil je gaan?’
Gregory dacht aan Varrik met een wapen dat legers zou doen beven. Hij dacht ook aan liederen waarin zijn eigen naam eindelijk meer zou zijn dan die van een vergeten soldaat.
‘Ja.’
Berend keek hem onderzoekend aan en schoof de kaart naar hem toe.
‘Laat je paard beneden als je de berg bereikt. En zoek de oude werkgangen. Mijn broer liep midden door de grote zaal.’
Die nacht sliep Gregory weinig. Hij bestudeerde de kaart, telde zijn munten en controleerde de riemen van zijn harnas. Zijn borstplaat en schouderstukken pasten goed; hij kon ermee bukken en knielen. Maar iedere mijl kostte meer kracht als hij ze droeg. Daarom bond hij een deel van het staal voor de reis op het zadel.
Bij het ochtendlicht kocht hij brood, harde kaas, haver en een tweede waterzak. De waard gaf hem een stuk schoon linnen mee.
‘Voor als uw soepreis langer duurt dan verwacht.’
Gregory betaalde ook het eten van de vrouw en haar kind.
Buiten stond Rowan ongeduldig met een hoef te schrapen. Gregory controleerde zijn benen, trok de singel aan en borg de kaart in de koker.
‘We gaan naar de heuvels,’ zei hij.
Rowan blies warme lucht tegen zijn wang.
Het woud dwong hen al snel tot stapvoets reizen. Water stond tussen de wortels. Waar de kaart een pad toonde, lag soms alleen een strook zwart slijk. Gregory steeg geregeld af en zocht met een tak naar vaste grond voordat hij zijn paard volgde.
Op de derde middag troffen ze een beek die door de regen buiten haar bedding was getreden. De oude brug hing scheef. Eén draagbalk was weggeslagen.
Gregory vond stroomopwaarts een bredere, ondiepere plek. Hij haalde zijn voeten uit de stijgbeugels en stuurde Rowan het water in.
Halverwege schoof een hoef van een gladde steen.
Het paard sprong opzij. Gregory werd tegen zijn hals geworpen en voelde het zadel onder hem draaien. Hij gleed af voordat hij Rowan verder uit evenwicht trok. Het water sloeg koud tegen zijn borst.
Hij hield de teugel vast, vond met zijn laars een richel en sprak het dier toe, telkens dezelfde woorden. Rowan worstelde naar de oever. Gregory kroop achter hem aan, hoestend en doorweekt.
Die avond reisde hij niet verder. Hij droogde zijn kleren bij een klein vuur en liet Rowan rusten onder de bomen.
De kaart lag naast hem. De rode lijn leek zo eenvoudig op het perkament.
Hij streek een waterdruppel weg en keek naar de zwarte berg.
Voor het eerst vroeg hij zich af hoeveel mensen een kaart hadden gevolgd die geen rekening hield met de terugweg.
2 De rode wolf
Op de zesde dag hield het woud op.
Voor Gregory lagen de Kale Heuvels, grijs en bruin onder een jagende lucht. De wind droogde zijn mantel, maar sneed door iedere opening in zijn kleren. Tussen de stenen groeide te weinig gras om Rowan goed te laten eten. Gregory verdeelde de laatste haver en volgde de beekjes die Berend had ingetekend.
Tegen de avond zag hij de vlag.
Een rode wolf op zwart doek.
Het kamp lag dwars over de toegang tot een smalle pas. Een slagboom sloot de karweg af. Aan weerszijden stonden tenten, voederbakken en twee wagens. Gregory telde ruim twintig mannen. Niet iedereen droeg een harnas, maar bij de doorgang stonden kruisboogschutters.
Hij trok Rowan achter een heuvel en liep terug om het terrein te bekijken.
Aan de zuidkant van het kamp stonden gevangenen. Zes mensen zaten achter een lage omheining, hun handen gebonden. Een jonge vrouw werkte buiten het hek aan een wagenwiel. Een bewaker hield haar met de punt van zijn speer op afstand.
Toen ze een gereedschap liet vallen, schopte hij het buiten haar bereik.
Gregory bleef liggen tot zijn kaken pijn deden van het klemmen.
Hij kon het kamp niet bestormen. Tegen zoveel mannen zou hij vallen voordat hij de slagboom bereikte. Hij moest een doorgang vinden en de gevangenen een kans geven.
Een droge afwateringsgeul liep langs de oostelijke rand naar de pas. De wagens stonden er vlak naast. Boven de geul helde de rotswand naar binnen, zodat de schutters bij de slagboom er nauwelijks zicht op hadden.
Hij wachtte tot het eten werd uitgedeeld.
Rowan liet hij in een beschutte laagte achter, aan een lange lijn. Daarna trok hij zijn harnas aan, bedekte het staal met zijn mantel en gleed de geul in.
Bij de omheining hoorde hij de jonge vrouw spreken.
‘Als je die spaak zo laat zitten, breekt het wiel bij de eerste bocht.’
Gregory wachtte tot de man zich omdraaide. Hij stapte uit de schemering, sloeg de speerschacht opzij en duwde hem tegen de wagen. De bewaker hapte naar adem. Gregory klemde een hand over zijn mond en trok hem achter het wiel.
De vrouw stond al naast hen.
‘Bind hem,’ fluisterde Gregory.
Ze pakte een losse spanriem. Haar handen bewogen snel.
Even later zat de bewaker vast onder de wagen, met een prop doek tussen zijn tanden. Gregory sneed de touwen van de gevangenen door.
‘Volg de geul terug naar het zuiden. Daarna de beek. Kunnen jullie de grenspost bereiken?’
Een oudere man knikte. ‘Twee dagen, als we doorlopen.’
‘Vertel dat Varrik de pas bezet. Vraag om soldaten.’
De jonge vrouw bleef staan.
‘Ik heet Alina. Waar ga jij heen?’
‘Door de pas.’
Ze keek naar de leren koker aan zijn gordel.
‘Naar het zwaard. Natuurlijk.’
Er klonk zoveel vermoeidheid in haar stem dat Gregory even zweeg.
‘Mijn vader werkte in de steengroeven aan die berg,’ zei ze. ‘Ik ook. Varrik wilde dat ik zijn mannen langs de draak bracht. Toen ik zei dat er geen veilige weg was, sloot hij me op.’
Gregory zag de blauwe plekken rond haar polsen.
‘Ga met de anderen.’
‘En laat hem morgen nieuwe mensen halen?’
Voordat Gregory antwoordde, kroop de bewaker onder de wagen vandaan. De spanriem om zijn benen was losgeraakt. Hij had de prop uitgespuwd.
‘Bij de gevangenen!’
Alina greep een steenbeitel van de grond. Gregory trok zijn zwaard.
‘Weg!’ riep hij tegen de anderen.
Een kruisboog klikte. De pijl sloeg in het wagenbord, vlak naast zijn hoofd.
Gregory trok Alina achter de wagen. Uit de tenten kwamen mannen aangerend. Een soldaat met een speer bereikte hen het eerst. Gregory ving de schacht tussen zijn schildrand en de wagen. Hij draaide zijn schild tot de speer klemzat en sloeg de man met de pommel tegen zijn kaak.
De tweede droeg een kort zwaard. Hij sloeg laag. Gregory stapte terug, maar voelde de punt onder zijn armbescherming langs scheren. Warm bloed liep over zijn linkerpols.
Hij ramde zijn schild naar voren. De soldaat botste tegen zijn makker.
‘De wagen!’ riep Alina.
Ze trok het blok achter een wiel vandaan en zette haar schouder tegen het hout. Gregory begreep haar. Samen duwden ze de wagen van het licht hellende terrein de geul in.
Het wiel versplinterde. De wagen kantelde en versperde de smalle doorgang achter hen.
Een grote man verscheen tussen de tenten. Zijn zwarte borstplaat droeg dezelfde rode wolf als de vlag. Onder zijn open helm zat een gezicht dat Gregory herkende.
‘Coene!’ brulde Varrik. ‘Altijd bezig met andermans ellende!’
Hij sprong langs de gekantelde wagen en kwam op hen af.
Gregory week de pas in. Hier kon hoogstens één man naast Varrik vechten. De krijgsheer sloeg hard, maar zijn zwaard gleed van Gregory’s schild. De volgende slag kwam sneller. Gregory voelde het hout barsten.
Hij liet de slag naar buiten afglijden en stootte naar Varriks onbeschermde bovenbeen.
De punt raakte. Varrik vloekte en deinsde terug.
Alina pakte Gregory bij zijn gordel.
‘Nu!’
Ze renden de bocht om. Achter hen schreeuwde Varrik bevelen. Een pijl tikte tegen de rotswand; splinters steen prikten in Gregory’s nek.
Pas toen de stemmen wegstierven, hielden ze halt.
Gregory trok de beschadigde armbescherming los. De snee was niet diep, maar bloedde flink. Alina drukte het linnen erop terwijl hij op een steen ging zitten.
‘Je had met de anderen kunnen meegaan,’ zei hij.
‘Jij ook.’
Hij had daar geen antwoord op.
3 Onder de zwarte berg
Ze haalden Rowan pas na middernacht op.
Alina kende een smal geiten pad dat terugliep langs de buitenkant van de heuvel. Zonder haar zou Gregory het in het donker niet hebben gevonden. Hij bleef telkens luisteren. Uit de richting van het kamp kwamen hamerslagen: Varriks mannen maakten de doorgang vrij.
Bij het paard zakte Gregory op zijn knieën. Rowan drukte zijn neus tegen zijn schouder, alsof hij wilde controleren waarom zijn meester zo vreemd rook.
‘Ik ben er nog,’ mompelde Gregory.
Ze rustten tot het ochtendlicht in een verlaten herdershut. Gregory spoelde de snee met water uit zijn zak en verving het bebloede linnen. Bij het buigen trok de wond. Zijn schild hield nog stand, maar de barst liep bijna tot aan de metalen rand.
Alina deelde het brood en legde de steenbeitel naast zich.
‘Varrik heeft al mannen naar binnen gestuurd,’ zei ze. ‘Twee kwamen terug. Eén zonder haar, de ander kon nauwelijks spreken. Sindsdien wacht hij op iemand die het werk voor hem doet.’
Gregory keek op.
‘Dan zoekt hij iemand die de draak voor hem verslaat.’
‘En wie het overleeft, berooft hij.’
‘En als we niet terugkomen?’
Alina brak een korst doormidden. ‘Dan heeft hij niets verloren.’
Gregory haalde de kaart tevoorschijn. Ze bestudeerde de rode markeringen en tikte op een lijn langs de bergvoet.
‘Die weg is verdwenen. Een helling schoof eroverheen toen ik nog een kind was. Maar hier loopt een werkpad naar een oude afvoeropening.’
‘Kunnen we daar naar binnen?’
‘Wij wel. Rowan niet.’
Ze vertrokken zodra het licht genoeg was. Gregory liep naast zijn paard; Alina gebruikte het zadel alleen op de steilere stukken. Geen van beiden wilde Rowan uitputten. Bij een bron vulden ze hun waterzakken.
Tegen de middag klonk achter hen het gekletter van hoeven.
Drie ruiters verschenen op het pad beneden. Boven hun hoofden zwiepte een zwarte wimpel.
Alina keek naar de helling voor hen. ‘Over de oude brug.’
‘Houdt die Rowan?’
‘Als we hem langzaam laten gaan.’
De brug lag over een smalle kloof. Twee dikke balken droegen een dek van ongelijke planken. Sommige waren vervangen door jonge stammen. Gregory controleerde de eerste draagbalk. Daarna leidde hij Rowan naar de overkant, terwijl Alina de meest versleten planken aanwees.
De achtervolgers kwamen dichterbij.
Gregory had de overkant bereikt toen de voorste ruiter afsteeg en zijn paard aan een ander overdroeg. Hij trok een bijl en rende de brug op.
Gregory duwde de teugel in Alina’s hand.
‘Breng Rowan achter die rots.’
Hij ging de man tegemoet.
De bijl kwam van rechts. Gregory ving de slag op zijn schild. De barst sprong open; een stuk hout vloog de kloof in. Hij struikelde achteruit en voelde onder zijn hiel een plank bewegen.
De soldaat zag het ook. Hij sloeg opnieuw.
Gregory liet zijn kapotte schild vallen en greep met zijn linkerhand de bijlschacht. Pijn trok door zijn arm. Hij kon die greep niet houden.
Hij hoefde hem ook niet lang te houden.
Met zijn rechterhand stootte hij zijn zwaard naar de hals boven de leren kraag. De soldaat zakte tegen hem aan. Gregory duwde hem opzij en sprong terug naar de oever.
Een kruisboogpijl scheurde door zijn mantel en versplinterde tegen de rots achter hem.
Hij dook achter het brughoofd.
Alina stond bij de brug. Met haar beitel had ze een wig losgeslagen die een korte reparatiebalk op zijn plaats hield.
‘Help me!’
Gregory pakte de gevallen bijl en duwde de balk opzij. De losse planken daarboven kantelden. Over de laatste passen van de brug gaapte nu een opening.
Ze hadden de oversteek niet vernietigd, maar herstel zou tijd kosten.
Aan de andere kant schreeuwden de twee ruiters hen na.
Gregory keek nog één keer naar de man op de brug. Zijn hand lag open naast een versplinterde plank. Daarna volgde hij Alina.
Laat in de middag bereikten ze de zwarte berg.
De rotswanden waren donker en op sommige plaatsen glad als gebroken glas. Gregory zag geen goud, geen sterrenlicht. Alleen steenhopen, verlaten muurtjes en resten van een weg waar ooit zwaar beladen karren hadden gereden.
Een brede grotmond opende zich boven de groeve.
Uit de diepte kwam een schrapend geluid.
Rowan trok zijn hoofd omhoog en weigerde verder te gaan.
Alina leidde hen naar een beschutte kom beneden de ingang. Er groeide gras rond een stroompje. Ze zadelden het paard af en maakten hem met voldoende lijn vast aan een stevige boom.
Gregory legde zijn voorhoofd tegen Rowans hals.
‘Deze keer wacht je op ons allebei.’
Ze namen water, een lantaarn en hun gereedschap mee. Gregory droeg de buitgemaakte bijl aan zijn gordel. Zijn schild liet hij achter.
De afvoeropening lag achter een muur van braamstruiken. Binnen liep een smalle gang omhoog, met oude haksporen in de wanden. Er trok lucht doorheen. Alina hield de lantaarn laag en wees naar een afslag.
‘Hier brachten we puin naar buiten. Verderop komen we boven de grote zaal.’
Het pad eindigde op een richel langs een brede ondergrondse ruimte. Daglicht viel door scheuren hoog in het plafond. Onder hen lagen zwartgeblakerde botten en resten van karren.
Aan de overzijde stond een rij stenen pijlers. Eén ervan was diep gespleten. De laag erboven hing scheef, losgekomen van de vaste wand.
Alina legde haar hand op Gregory’s borst.
Onder de richel bewoog iets.
Een geschubde rug kwam los van de schaduw. Daarna een kop, breed als een kar, met twee naar achteren gebogen hoorns. De draak hief zijn snuit. Tussen zijn tanden gloeide een zwak oranje licht.
Gregory hoorde zijn eigen adem in zijn helm.
De verhalenverteller had niets overdreven.
4 Vuur onder steen
De draak bewoog zijn kop van links naar rechts.
Gregory trok Alina achter een uitstekende rots. Hij zette de lantaarn neer en sloot het luikje. Het daglicht uit de plafondspleten was zwak, maar voldoende om de richel te zien.
Beneden schuurden klauwen over steen.
‘We kunnen terug,’ fluisterde hij.
Alina keek langs hem naar de gang.
‘En beneden wacht Varrik.’
Gregory wist dat ze gelijk had. Toch voelde hij hoe dun het verschil was tussen doorzetten en zichzelf een uitweg ontzeggen omdat hij bang was voor het woord mislukking.
De draak draaide zich naar hun schuilplaats.
Een ademtocht vulde de zaal. Het oranje licht tussen zijn tanden werd feller.
Gregory greep Alina bij haar mantel en trok haar dieper achter het rotsblok.
Vuur sloeg langs de richel. De lucht werd in één klap heet. Zijn mantel verschroeide bij de zoom. Hij drukte zijn gezicht tegen zijn onderarm en wachtte tot de stroom ophield.
Toen durfde hij weer adem te halen.
‘Hij weet dat we hier zijn.’
De draak hief zijn voorpoten tegen de wand. Steen gruisde onder zijn nagels. De richel was te hoog om hen meteen te bereiken, maar bij de volgende poging sloeg een klauw al over de rand.
Alina pakte de gesloten lantaarn. Ze kropen achteruit naar een dwarsgang.
Ze greep Gregory’s pols.
‘Hierlangs. Deze komt bij de pijlers uit.’
Hij volgde haar gebukt. Achter hen kraakte de rotswand. De draak sloeg een stuk van de richel weg.
De dwarsgang daalde af en eindigde achter de gespleten pijler die ze van bovenaf hadden gezien. Van dichtbij was de schade erger. De voet bestond nog uit een smalle kern. Ernaast lagen oude beitelsporen: iemand had hier ooit te veel steen weggenomen.
Hoog boven hen rustte een losgeraakt plafondblok op de pijler.
Alina keek omhoog. Daarna naar een smalle opening in de vaste zijwand.
‘Dat blok hangt hier alleen nog door die steun.’
Gregory volgde haar blik.
‘Kun je hem laten vallen?’
‘Niet met mijn handen.’
Uit de grote zaal klonk een dreun. De draak was van de wand terug op de grond gekomen.
Alina wees naar zijn silhouet tussen de stofwolken.
‘Met zijn gewicht misschien wel.’
De kleine zijgang bood dekking achter een dikke rotsmassa. Gregory controleerde of ze er allebei doorheen konden. Aan het andere einde kwam de gang weer uit in de zaal, voorbij de gevaarlijke pijler.
Ze hadden een uitweg. Meer zekerheid kregen ze niet.
Alina zette de lantaarn in de zijgang neer en begon een losse schil steen bij de pijlervoet weg te werken. Met een gevonden steen tikte ze tegen haar beitel. Gregory stond naast haar en luisterde naar het naderen van de klauwen. Ieder tikje leek door de hele berg te klinken.
‘Genoeg,’ fluisterde hij toen er gruis van boven kwam.
Ze trok de beitel los.
Gregory stapte de zaal in.
‘Hier!’
Het woord kwam schor uit zijn keel.
De draak draaide zijn kop. Zijn ogen waren niet gloeiend rood, zoals de verhalen beweerden. Ze waren geel, met smalle zwarte pupillen. Daardoor leek het dier ineens alarmerend werkelijk.
Gregory sloeg met de platte kant van zijn zwaard tegen een steen.
De kop schoot naar voren.
Hij rende naar de pijler.
Een klauw veegde langs zijn rug. Hij voelde de ruk aan zijn mantel en liet de gesp losschieten. De stof verdween onder een geschubde poot.
Voor hem stond Alina bij de opening. Ze wenkte.
Gregory was nog drie passen van de zijgang verwijderd toen de draak zijn hals strekte. De muil kwam laag over de grond, sneller dan hij had verwacht.
Hij week achter de pijler. Tanden klapten op elkaar waar zojuist zijn hoofd was geweest.
Uit reflex stootte hij zijn zwaard naar de hals. De punt gleed over een harde schub. De schok schoot door zijn pols.
Hij kon dit dier niet bevechten zoals een man.
De draak draaide zijn lichaam om bij hem te komen. Een schouder drukte tegen de beschadigde pijler.
Boven hen klonk een droge knap.
‘Gregory!’
Hij zag Alina’s uitgestrekte hand. Toen ging de muil open.
Hij dook de zijgang in. Zijn schouder sloeg tegen de wand. Achter zijn laarzen raasde vuur door de opening.
Alina trok hem om de bocht.
De draak beukte tegen de doorgang. De rots onder Gregory’s handen trilde. Er volgde nog een slag, zwaarder dan de eerste.
Daarna hoorde hij steen breken.
Een dreun vulde de zaal. De lucht sloeg de gang in en drukte hen tegen de vloer. Gregory hield zijn armen over zijn hoofd. Stof vulde zijn mond. Iets zwaars rolde langs de ingang en bleef steken.
Een brul zwol aan, brak af en veranderde in een schurend geborrel.
Ze bleven liggen.
Zelfs toen het stil werd, durfde Gregory nauwelijks te bewegen.
Alina kroop als eerste naar het andere uiteinde van de zijgang. Hij volgde langzaam, zijn rechterschouder bonzend bij elke beweging.
In de zaal lag de draak onder het gevallen plafondblok. Zijn hals en borst waren bedolven. Eén vleugel stak scheef onder het gesteente vandaan. De klauwen bewogen nog even. Toen werden ook die stil.
Gregory bleef op veilige afstand staan tot hij geen ademhaling meer zag.
Hij voelde geen behoefte om te juichen.
Alina drukte haar hand tegen een trillende knie.
‘We gaan nooit meer onder die wand staan.’
Langs de onbeschadigde kant van de zaal konden ze achter het karkas komen. Daar vonden ze een lage doorgang. Gregory pakte de lantaarn uit de zijgang en opende het luikje voordat ze verdergingen.
Het licht viel op een gouden munt.
Toen op nog een.
Achter de doorgang lag een kamer vol kisten, munten, zilveren schalen en gebroken sieraden. Sommige kisten waren bijna tot stof vergaan. Andere droegen nog de merken van kooplieden. Aan de zijkant gaapte een oude hijsschacht, gedeeltelijk afgedekt met vermolmde planken. De stenen rand lag slechts enkele passen van het midden van de kamer.
Maar Gregory keek naar het zwaard.
Het lemmet zat diep in een zwart blok steen. Dunne zilveren lijnen liepen langs het staal. De bleke steen in de pommel ving het lantaarnlicht en hield het vast toen Gregory dichterbij kwam.
Hij legde zijn eigen wapen neer en greep het gevest.
Het voelde koel aan.
Voor een ogenblik verdwenen het bloed aan zijn pols en de pijn in zijn schouder achter de gedachte dat hij het werkelijk had bereikt.
Hij trok.
Het zwaard bewoog niet.
5 Wat mee naar huis kon
Gregory veranderde zijn houding en probeerde het opnieuw.
Hij zette zijn voeten verder uit elkaar, trok recht omhoog en voelde zijn gewonde arm protesteren. Het staal bleef onbeweeglijk. Zelfs een dun randje stof rond het lemmet bleef liggen.
Alina hield de lantaarn bij de steen.
‘Misschien zit het gewoon vast.’
‘Misschien.’
Hij wilde dat woord niet horen. Hij had de kaart gevolgd, de pas bereikt en de draak overleefd. Er moest iets zijn wat hij nog verkeerd deed.
Toen klonk achter hen het knarsen van laarzen.
‘Probeer met twee handen, Coene.’
Varrik stond in de doorgang. Om zijn bovenbeen zat een donker verband. Naast hem hield een soldaat een geladen kruisboog omhoog. Een tweede droeg een speer.
‘Blijf waar je staat,’ zei de schutter tegen Alina.
Ze verstijfde.
Varrik keek naar de rijkdommen en begon te lachen.
‘Mijn verkenner zag het beest onder de stenen liggen. Ik dacht eerst dat hij dronken was.’
Hij liep mankend verder. Zijn mannen spreidden zich uit. De speerdrager pakte Alina bij de bovenarm en trok haar bij Gregory vandaan.
Varrik wees naar de bijl aan Gregory’s gordel en de beitel bij Alina.
‘Die ook. Op de grond.’
Ze gehoorzaamden.
‘Jullie wapens liggen daar goed,’ zei hij. ‘Laat ze liggen.’
Gregory keek naar zijn zwaard op de vloer, een stap buiten zijn bereik. De pijl van de kruisboog wees op zijn borst.
Hij hield zijn handen zichtbaar.
‘De grensheer weet inmiddels waar jouw kamp staat.’
‘Dan moeten we haast maken.’
Varrik greep zelf het gevest van Sirius. Hij trok zo hard dat het verband om zijn been donkerder werd. Daarna liet hij los.
‘Jij,’ zei hij tegen Gregory. ‘Nog eens. Een echte ridder, zeggen ze. Misschien helpt dat.’
Gregory keek naar Alina. De speerdrager had haar naar de hijsschacht gebracht. De punt rustte tegen haar zij.
Hij pakte het gevest.
De schutter hield zijn kruisboog een weinig hoger.
Gregory trok. De pijn liep vanuit zijn schouder tot diep in zijn nek. Hij wilde loslaten, maar dwong zichzelf nog even door te gaan. Voor hem stond de belofte waarvoor hij zoveel had gewaagd.
Achter hem kraakte hout.
Alina had zich tegen de greep van haar bewaker verzet. Hij stapte opzij om haar vast te houden en zette zijn voet op de verrotte afdekking.
De plank brak.
De man verdween met een schreeuw in de schacht. Hij trok Alina mee. Haar vingers grepen de stenen rand, maar één hand gleed al weg.
Gregory liet het zwaard los.
Hij wierp zich naar haar toe.
De kruisboog klikte. Een pijl sloeg tegen het steenblok achter hem.
Gregory kwam op zijn knieën bij de schacht. Met zijn rechterhand greep hij Alina’s gordel, met zijn linker haar pols. Haar laars schraapte tegen de wand en vond een smalle uitstekende steen.
‘Zet af!’
Ze duwde met haar been. Hij trok achteruit, zijn lichaam als tegengewicht. Zijn arm leek open te scheuren. Alina’s elleboog kwam over de rand. Ze klemde hem vast en werkte haar andere knie omhoog.
Samen rolden ze van de schacht weg.
Varrik trok zijn zwaard.
Gregory kwam half overeind, pakte zijn eigen wapen en ving de eerste slag op. Zijn pols klapte achteruit. Hij kon Varriks kracht nauwelijks opvangen.
De krijgsheer drong hem tussen twee open kisten.
Gregory week, bleef haken met een hiel en sloeg met zijn schouder tegen de muur. Varrik stootte. Gregory draaide opzij. De punt kraste langs zijn borstplaat en schoot in het hout achter hem.
Bij de doorgang was de schutter zijn kruisboog aan het spannen.
Alina greep de speer die op de stenen rand was blijven liggen. Ze richtte de punt op zijn gezicht.
‘Laat vallen.’
De man keek van haar naar de schacht.
Hij liet de kruisboog los.
Gregory zag het slechts in een flits. Varrik had zijn zwaard uit de kist getrokken en sloeg opnieuw.
Gregory stapte dichterbij voordat de slag vaart kreeg. Hun armen botsten. Hij rook zweet en oud bloed onder de zwarte borstplaat. Varrik ramde zijn voorhoofd tegen Gregory’s helm en duwde hem van zich af.
Even werd alles grijs.
Hij ving zichzelf op een kistrand op.
Varrik kwam voor de laatste slag.
Alina sloeg hem met de speerschacht achter zijn gewonde been.
Zijn knie knikte. Gregory trapte tegen zijn zwaardhand en zette zijn punt onder de rand van de open helm.
Varrik bleef roerloos zitten.
Niemand sprak. Gregory hoorde de lantaarn zacht knetteren.
‘Op je buik,’ zei hij eindelijk. ‘Handen achter je rug.’
Varrik keek naar het zwaard in de steen, toen naar het staal tegen zijn keel.
Langzaam gehoorzaamde hij.
Met draagriemen uit hun uitrusting bonden ze hem en de schutter vast. Gregory bleef de mannen bewaken terwijl Alina zijn arm opnieuw verbond. Haar handen trilden zo erg dat ze tweemaal aan de knoop moest beginnen.
Pas daarna keek hij weer naar Sirius.
Het zwaard stond precies zoals ze het hadden gevonden.
Hij probeerde het niet meer.
Uit een open kist nam hij twee kleine zakjes gouden munten. Meer zou hij niet kunnen dragen zonder de terugtocht nog moeilijker te maken. Alina pakte een zilveren armband met een herkenbaar koopmansmerk; die kon helpen om de herkomst van een deel van de schat vast te stellen.
‘Genoeg?’ vroeg ze.
Gregory woog het goud in zijn hand. Hij dacht aan Rowan, aan het kind onder de herbergtafel en aan een dak waar regen doorheen kwam.
‘Genoeg.’
Voor het vertrek bonden ze de polsen van de gevangenen vóór hun lichaam, zodat die zich onderweg konden steunen. Ze namen de brede hoofdingang, die langs de onbeschadigde kant van de zaal bereikbaar was. De mannen liepen voorop, langzaam en onder voortdurend toezicht.
Buiten legde Gregory een hand op Rowans hals en bleef zo staan tot zijn adem tot rust kwam.
De terugweg kostte drie dagen. Hij kon nauwelijks in het zadel blijven; Alina moest hem helpen met de singel. Bij de brug vonden ze verse reparatiesporen. Ze wachtten, luisterden en staken pas over toen ze zeker waren dat niemand op de andere oever lag.
Voorbij de pas ontmoetten ze een patrouille van de grensheer. De bevrijde arbeiders hadden de grenspost bereikt. Tijdens Gregory’s terugtocht waren soldaten naar het kamp getrokken. Een deel van Varriks mannen had zich overgegeven; de anderen waren gevlucht toen hun leider wegbleef.
Gregory droeg zijn gevangenen over en gaf een volledige verklaring.
Weken later keerde hij terug naar de herberg.
Zijn arm zat nog in een doek. Zijn mantel was nieuw, zijn harnas gerepareerd. Rowan kreeg de beste plek in de stal.
Berend luisterde zonder hem één keer te onderbreken.
‘En het zwaard?’ vroeg hij ten slotte.
‘Staat er nog.’
De oude man keek naar Alina, die bij het vuur haar handen warmde.
‘Maar jullie niet.’
Gregory schudde zijn hoofd.
Varrik werd berecht en opgesloten. Met hulp van de rentmeester ging een deel van het meegenomen goud naar de gezinnen die door zijn bende waren beroofd. Alina kreeg haar aandeel en liet in het grensdorp een werkplaats bouwen. Gregory betaalde zijn schulden en herstelde het dak van zijn huis.
De kaart borg hij op. Hij gaf haar niet aan de mannen die later bij hem aanklopten met vragen over sterrenmacht en drakenschatten. Eerst vertelde hij hun over Berends brandlitteken, de dode soldaat op de brug en de schacht waarvan hij de bodem niet had gezien.
De meesten vertrokken voordat hij was uitgepraat.
Toen de eerste winterregen viel, zat Gregory onder een droog dak. In de stal kauwde Rowan op zijn hooi. Op tafel lag een brief van Alina: haar eerste wagen was verkocht, en het wiel had de proefrit doorstaan.
Gregory las die laatste zin nog eens en glimlachte.
Daarna legde hij de brief naast zijn oude zwaard, waarvan de beschadigde punt weer was geslepen, en gooide nog een blok hout op het vuur.
Soundtrack
[Intro – whispered]
Red lines on an old, worn map…
A cold blue light is calling.
[Verse 1]
Rain on the roof of a roadside inn,
An old voice draws the shadows in.
Three silver coins, a map in hand,
A crooked trail through a broken land.
Water rising, roots below,
A steady hoofbeat, moving slow.
Far from the roads I used to know,
There’s something pulling me to go.
[Pre-Chorus]
I’ve carried steel, I’ve carried scars,
Now I’m looking past the trees for stars.
Every step brings the danger near,
But I can move while I’m feeling fear.
[Chorus]
Chasing a legend into the night,
Fire below and a star burning bright.
One beat of courage, one breath of fear,
I can’t see the end, but I’m still here.
Chasing a legend, out on the edge,
Red ink leading to a narrow ledge.
Whatever waits beyond that door,
I’ve got a heart worth fighting for.
[Drop – vocal hook]
Cold blue light—
Burning bright!
One more step—
Into the night!
Oh-oh, feel that heartbeat!
Oh-oh, through the stone!
Oh-oh, feel that heartbeat!
Out where the cold winds blow!
[Verse 2]
A red wolf on a banner high,
Watchful eyes as the light runs dry.
Hands rubbed raw by a tightened rope,
Someone still holding a thread of hope.
A wagon wheel and a narrow lane,
Footsteps closing through the rain.
A stranger’s voice says, “Follow me,”
There’s more than one way through the enemy.
[Pre-Chorus]
Old boards tremble beneath my feet,
The road runs out where the cliff walls meet.
Every step brings the danger near,
But I can move while I’m feeling fear.
[Chorus]
Chasing a legend into the night,
Fire below and a star burning bright.
One beat of courage, one breath of fear,
I can’t see the end, but I’m still here.
Chasing a legend, out on the edge,
Red ink leading to a narrow ledge.
Whatever waits beyond that door,
I’ve got a heart worth fighting for.
[Breakdown – soft vocals, half-time]
Leather worn around the hilt,
Silver lines where dreams are built.
Underneath the mountain’s skin,
Something breathes, and I breathe in.
Hold the lantern…
Stay by the wall…
Hear the silence…
Hear the call…
[Build-up]
My hands are shaking,
The air is thin.
The dark is waking—
Let the beat kick in!
[Final Chorus – full energy]
Chasing a legend into the night,
Fire below and a star burning bright.
One beat of courage, one breath of fear,
I can’t see the end, but I’m still here.
Chasing a legend, out on the edge,
Red ink leading to a narrow ledge.
Whatever waits beyond that door,
I’ve got a heart worth fighting for.
[Final Drop]
Cold blue light—
Burning bright!
One more step—
Into the night!
Oh-oh, feel that heartbeat!
Oh-oh, through the stone!
Oh-oh, feel that heartbeat!
Out where the cold winds blow!
[Outro – fading]
Red lines on an old, worn map…
A cold blue light is calling.
Reactie plaatsen
Reacties