De Prijs van Adem

Hoofdstuk 1 – De ziekte die bleef

De lucht drukte zwaar op het dorp, als vochtige stof die nergens kon ontsnappen. Zelfs vroeg in de ochtend was de warmte al tussen de lemen hutten gekropen. Elke ademteug voelde dik en vochtig, alsof de jungle niet alleen rond het dorp groeide, maar ook langzaam de longen van de bewoners binnendrong.

Gewoonlijk begon de dag met het ritme van houten stampers in vijzels, het geroep van kinderen en het gekibbel van vrouwen bij de waterput. Nu was het stil. Af en toe klonk uit een hut een droge hoest, gevolgd door gefluister of ingehouden gehuil.

De ziekte had eerst de ouderen getroffen. Daarna waren de kinderen ziek geworden. De koorts maakte hun huid heet, maar hun handen koud. Hun ademhaling werd oppervlakkiger tot zelfs het optillen van hun hoofd te zwaar werd.

Niemand wist waar de ziekte vandaan kwam.

Sommigen gaven het water de schuld. Anderen beweerden dat vreemde handelaren haar hadden meegebracht. De oudste bewoners fluisterden dat de geesten van het oerwoud woedend waren omdat er te dicht bij een heilige heuvel bomen waren geveld.

Mabu geloofde geen van die verhalen.

Hij geloofde alleen wat hij voor zich zag.

Zijn moeder lag op een gevlochten mat in hun hut. Ayanna, die altijd rechtop had gestaan wanneer anderen bezweken, kon nauwelijks nog haar ogen openen.

Mabu knielde naast haar en legde een vochtige doek op haar voorhoofd. Nog geen minuut later voelde die warm aan.

Ayanna had haar hele leven anderen geholpen. Ze kende planten zoals andere mensen gezichten kenden. Ze wist welke bladeren koorts konden verlagen, welke wortels pijn verdreven en welke schors een wond kon sluiten. Wanneer een kind zich openhaalde aan een scherpe steen, bracht men het naar haar. Wanneer een jager met een ontstoken beet uit het woud terugkeerde, bleef zij bij hem tot het gevaar voorbij was.

Maar nu hadden haar kruiden gefaald.

“Mabu?” fluisterde ze.

“Ik ben hier.”

Haar donkere ogen gingen langzaam open. Vroeger hadden ze kracht en kalmte uitgestraald. Nu lag er een doffe glans overheen.

“Je moet eten.”

Ondanks zijn angst glimlachte Mabu.

“Dat zegt degene die gisteren slechts twee slokken water heeft gedronken.”

“Jij kunt niet voor mij zorgen als je zelf omvalt.”

Hij tilde haar hoofd voorzichtig op en bracht een beker naar haar lippen. Ze dronk een klein beetje. Meteen begon ze te hoesten.

Mabu legde zijn hand tussen haar schouderbladen. Hij voelde hoe mager ze in enkele dagen was geworden.

Toen de hoestbui voorbij was, keek Ayanna naar hem.

“Hoeveel zijn er vannacht gestorven?”

Mabu zweeg.

“Hoeveel?”

“Twee.”

“Wie?”

“De oude Bako. En Nala’s jongste zoon.”

Ayanna sloot haar ogen.

Het jongetje was vier jaar oud geweest. Enkele weken geleden had hij nog rond haar kruidentuin gelopen en geprobeerd een gele vlinder te vangen.

“Ik had iets moeten vinden,” zei ze.

“U bent zelf ziek.”

“Dat verandert niets.”

“U kunt niet iedereen redden.”

Ayanna keek naar hem. Zelfs verzwakt bezat ze nog steeds de blik waarmee ze koppige patiënten tot gehoorzaamheid dwong.

“Het woud heeft voor bijna alles een antwoord.”

“Dan heeft het dit keer besloten te zwijgen.”

“Nee,” zei ze zacht. “Soms is het antwoord alleen iets wat we niet willen horen.”

Buiten zat Jabari bij een klein vuur. Hij was Mabu’s oudste vriend, drie maanden ouder en volgens zichzelf daardoor veel wijzer. Gewoonlijk sprak hij voortdurend, maar nu roerde hij zwijgend in een pot dunne pap.

“Hoe gaat het met haar?” vroeg hij.

“Niet beter.”

Jabari knikte naar het dorpsplein. Daar zat Nala voor haar hut, met haar armen rond haar knieën. Sinds de dood van haar zoon had ze nauwelijks gesproken.

“Mijn vader zegt dat de ziekte misschien vanzelf verdwijnt,” zei Jabari.

“Je vader weet niet wat hij moet zeggen.”

“Niemand weet dat.”

Een meisje van zeven kwam voorzichtig naar hen toe. Zuri had een litteken op haar been, overgehouden aan een wond die Ayanna maanden geleden had behandeld.

“Wordt Ayanna weer beter?” vroeg ze.

Mabu voelde Jabari naar hem kijken.

“Ja,” antwoordde hij.

Zuri glimlachte opgelucht en liep terug naar haar moeder.

“Je weet dat niet,” zei Jabari.

“Nee.”

“Waarom zei je het dan?”

“Omdat zij het moest horen.”

Jabari keek hem strak aan.

“En wat moet jij horen?”

Mabu stond op.

“Dat Baraka me eindelijk de waarheid vertelt.”

De hut van Baraka stond aan de rand van het dorp, vlak bij de eerste bomen. Rond het huis groeiden rijen kruiden en struiken die hij zorgvuldig onderhield. Sommige waren nog groen, andere hingen verdord over de droge aarde.

Binnen hing de geur van rook, schors en bittere wortels.

Baraka zat aan een lage tafel. Hij was een magere, oude man met grijs haar en handen vol littekens. Zijn ogen zagen er vermoeider uit dan Mabu ooit had gezien.

“Je moeder slaapt,” zei hij zonder op te kijken.

“Hoe weet u dat?”

“Omdat jij anders niet hier zou zijn.”

Mabu ging tegenover hem zitten.

“U weet iets.”

“Ik weet dat al mijn middelen falen.”

“Dat bedoel ik niet.”

Baraka stopte met malen. Na een lange stilte stond hij op en haalde een rol dierenhuid uit een houten kist. Hij legde die open op tafel.

Het was een kaart van het oerwoud.

Onderaan stond het dorp. Hogerop waren rivieren, heuvels en oude jagerspaden getekend. Diep in het woud stond een zwarte cirkel.

“Wat is dat?” vroeg Mabu.

“Een plaats waar bijna niets levend blijft.”

Baraka streek met één vinger over het teken.

“Daar groeit een plant. Sommigen noemen haar De Ademeter. Anderen noemen haar De Vervloekte Wortel.”

“Kan ze mijn moeder genezen?”

“Misschien.”

“Misschien is genoeg.”

“Nee. Niet bij deze plant.”

Baraka rolde zijn mouw omhoog. Over zijn onderarm liep een bleek litteken. De huid eromheen zag er verdord uit, alsof slechts dat deel van zijn lichaam tientallen jaren ouder was.

“Ik ben ooit in de buurt van die plaats geweest,” zei hij. “Niet dicht genoeg om de plant te zien, maar dicht genoeg om te weten dat de verhalen waar zijn.”

“Wat doet ze?”

“Ze neemt leven. Dieren worden gevonden met huid en botten, maar zonder kracht of vocht. Mensen verliezen hun adem, hun herinneringen of hun jaren.”

Mabu keek opnieuw naar de kaart.

“En toch kan ze genezen?”

“De wortel is in haar pure vorm dodelijk. Maar als je haar droogt, maalt en mengt met warme melk en honing, verandert het gif. Oude teksten beschrijven zieken met dezelfde symptomen als je moeder. Zij herstelden.”

“Waarom heeft u dit niet eerder verteld?”

“Omdat hoop gevaarlijk wordt wanneer ze wanhopig genoeg is.”

Mabu boog zich over de kaart.

“Hoelang duurt de reis?”

“Vier dagen. Misschien vijf.”

“Wat moet ik meenemen?”

Baraka’s gezicht verstrakte.

“Je kunt sterven.”

“Mijn moeder sterft als ik blijf.”

“Je kunt terugkeren als iemand die zij niet meer herkent.”

“Dan leeft ze tenminste om het te proberen.”

Baraka legde een scherp mes, een stevige doek en een kleine leren zak op tafel.

“De plant schenkt niets,” zei hij. “Ze ruilt.”

Mabu nam de kaart aan.

“Dan zal ik betalen.”

Die avond verzamelde hij gedroogd vlees, een waterzak, vuursteen en touw. Van een houten pen nam hij het gevlochten armbandje dat zijn moeder jaren geleden voor hem had gemaakt. Hij bond het om zijn pols.

Toen hij naar buiten stapte, stond Jabari hem op te wachten.

“Je gaat naar die plant.”

Mabu antwoordde niet.

“Ik ga mee.”

“Tot aan de rivier.”

“Daarna zien we wel.”

“Daarna keer je terug.”

Jabari wilde protesteren, maar vanuit de hut klonk Ayanna’s hoest.

Mabu keek om.

Voor het eerst sinds hij zijn besluit had genomen, voelde hij echte angst.

Niet voor de plant.

Voor de mogelijkheid dat hij te laat zou komen.

Hoofdstuk 2 – Waar de paden verdwijnen

Mabu en Jabari vertrokken bij zonsopgang.

De eerste uren liepen ze over bekende jagerspaden. In de stammen stonden merktekens van Kito, de oudste jager van het dorp. Kito kende het woud beter dan bijna iedereen en had Mabu geleerd sporen te lezen, stromend water te vinden en nooit onder een boom met verse klauwsporen te slapen.

Jabari droeg een lange speer. Hij praatte over onbelangrijke zaken: een geit die opnieuw uit haar omheining was gebroken, Zuri die beter kon boogschieten dan sommige volwassen jagers en Baraka’s drankjes die erger smaakten dan modder.

Mabu liet hem praten.

Het hield de stilte op afstand.

Tegen de middag bereikten ze de brede rivier die de bekende jachtgronden scheidde van het diepere woud. Een omgevallen boom vormde een smalle brug.

Jabari zette zijn speer tegen zijn schouder.

“Ik ga mee naar de plant.”

“Nee.”

“Je kent de weg niet.”

“Jij ook niet.”

“Dan kunnen we samen verdwalen.”

Mabu schudde zijn hoofd.

“Als ik niet terugkeer, moet iemand mijn moeder vertellen waar ik ben gebleven.”

“Baraka weet het.”

“Mijn moeder niet.”

Jabari keek boos naar het water.

“Dus ik moet terugkeren en haar zeggen dat ik je alleen heb laten gaan?”

“Je moet zeggen dat ik terugkom.”

“En wanneer dat niet gebeurt?”

Mabu antwoordde niet.

Jabari keek hem lang aan. Daarna gaf hij hem de speer.

“Neem die tenminste.”

“Ik heb een mes.”

“Een mes helpt weinig tegen iets met tanden die langer zijn dan je vingers.”

Mabu nam de speer aan.

Jabari sloeg zijn armen kort om hem heen.

“Kom terug, oude dwaas.”

“Jij bent ouder.”

“Met drie maanden.”

“Dat telt.”

Voor een ogenblik glimlachten ze.

Daarna stak Mabu de rivier over.

Aan de overkant draaide hij zich nog één keer om. Jabari stond roerloos tussen de bomen en hief zijn hand.

Mabu deed hetzelfde.

Toen begon hij aan het onbekende deel van zijn reis.

De kaart van Baraka was oud. Rivieren hadden hun loop veranderd en sommige herkenningspunten bestonden niet meer. Mabu vertrouwde daarom op de zon, de helling van het terrein en het verloop van kleine beekjes.

De eerste dag was zwaar, maar draaglijk. Hij vulde zijn waterzak, verzamelde eetbare bessen en maakte ’s avonds een beschutting van bladeren.

Toen het donker werd, hield hij Jabari’s speer binnen handbereik.

In het oerwoud bestond geen echte stilte. Overal klikten, sisten en riepen dieren. Toch voelde Mabu zich alleen. Buiten het licht van zijn kleine vuur leek de duisternis oneindig.

Eenmaal zag hij twee gele ogen tussen de struiken. Ze verdwenen toen hij een brandende tak ophief.

Hij sliep nauwelijks.

De volgende ochtend vond hij grote pootafdrukken rond zijn kamp. Hij onderzocht ze, at een stuk vlees en vervolgde zijn reis.

Op de tweede dag begon het te regenen.

De hemel opende zich zonder waarschuwing. Binnen enkele ogenblikken was Mabu doorweekt. De grond veranderde in modder en kleine beekjes zwollen aan tot snelstromende geulen.

Hij gleed uit op een helling en kwam hard op zijn schouder terecht. Zijn tas bleef gesloten, maar een deel van zijn voorraad werd nat.

Mabu zocht beschutting onder een uitstekende rots.

Terwijl de regen voor hem als een grijze muur naar beneden stortte, dacht hij aan een dag uit zijn jeugd. Hij was negen geweest en had hoge koorts gehad. Drie nachten lang was Ayanna naast hem blijven zitten.

Toen hij eindelijk wakker werd, had zij slapend tegen de wand gezeten met een kom kruidenwater in haar handen.

Later had hij gevraagd waarom ze niet was gaan rusten.

“Omdat jij nog niet klaar was om alleen te blijven,” had ze geantwoord.

Mabu keek naar het armbandje rond zijn pols.

Nu was zij degene die niet alleen mocht blijven.

Toen de regen minder werd, kwam hij overeind en liep verder.

Op de derde dag begonnen de geluiden te verdwijnen.

Eerst hoorde hij minder vogels. Daarna stopte het geroep van apen. Tegen de middag merkte hij dat zelfs de insecten stiller werden.

Niet lang daarna rook hij iets vreemds. Het was geen geur van rottend vlees, maar iets droogs en stoffigs.

Tussen hoge varens vond hij een karkas.

Het was ooit een hert geweest. De huid zat nog rond de botten. Er waren geen bijtwonden en geen sporen van klauwen. Toch was het dier volledig ingezakt.

Mabu knielde en raakte de huid aan met de punt van de speer.

Ze brak open als oud leer.

“Dit is fout,” fluisterde hij.

Hij dacht aan Baraka’s waarschuwing.

De plant voedt zich met leven.

Mabu keek tussen de bomen. Geen enkel blad bewoog, hoewel hij wind op zijn gezicht voelde.

Hij kwam overeind en liep sneller.

Die nacht droomde hij.

Hij zag zijn moeder op een open plek staan. Ze droeg haar rode omslagdoek en zag er gezond uit.

“Mabu,” zei ze.

Hij liep naar haar toe.

“Ik kom eraan.”

“Je bent te laat.”

Achter haar groeide een kleine paarse plant. De bladeren schoten omhoog en sloten zich rond Ayanna’s lichaam.

Toen ze opnieuw opengingen, stond zijn moeder er nog.

Maar haar ogen waren zwart.

“Kom dichterbij,” fluisterde ze.

Haar gezicht begon te vervagen. Haar mond, neus en wangen losten op alsof de lucht haar meenam.

Mabu wilde naar haar rennen, maar zijn voeten zaten vast in de grond.

Een paars blad streek langs zijn gezicht.

Hij werd wakker met zijn hand rond zijn keel.

Zijn ademhaling was snel en pijnlijk.

De jungle was stil.

Te stil.

“Mabu,” klonk een stem.

Hij draaide zich om.

Niets.

“Mabu…”

Het was Ayanna’s stem.

Mabu greep de speer.

“Je bent niet echt.”

Er kwam geen antwoord.

Enkele ogenblikken later begonnen insecten opnieuw te zingen.

Mabu bleef wakker tot het eerste ochtendlicht tussen de bladeren verscheen.

Op de vierde dag voelde hij een lichte druk achter zijn ogen. Eerst dacht hij dat het door gebrek aan slaap kwam. Maar de druk werd sterker.

Zijn zicht werd af en toe wazig. Zijn benen voelden zwaar.

Ook de planten veranderden.

Bladeren verloren hun glans. Bloemen hingen slap en mos voelde droog aan, hoewel de aarde vochtig was.

Mabu stopte bij een struik. De helft die achter hem lag, was groen. De helft in de richting waarin hij reisde, was bruin en verschrompeld.

Hij wist dat hij dichtbij was.

“Ga terug,” fluisterde een stem.

Mabu liep verder.

“Zij is al dood.”

“Leugen.”

“Zelfs als ze leeft, zal ze bang zijn voor wat je wordt.”

De stem kwam van links, daarna van rechts en uiteindelijk van vlak achter hem.

Mabu draaide zich niet meer om. Hij trok het armbandje onder zijn mouw vandaan en concentreerde zich op het patroon.

Stap voor stap ging hij verder.

Tegen de avond hielden de bomen plotseling op.

Voor hem lag een perfect ronde open plek.

Hoofdstuk 3 – De plaats zonder adem

Mabu bleef aan de rand van de cirkel staan.

Buiten de open plek groeide het oerwoud dicht en uitbundig. Binnen de cirkel was de aarde grauw en gebarsten. Dode stengels staken uit de grond. Jonge bomen stonden kaal, met schors die in droge repen naar beneden hing.

In het midden groeide één plant.

Ze reikte nauwelijks tot Mabu’s middel. Toch trok ze alle aandacht naar zich toe.

De steel was dieppaars, bijna zwart. Brede bladeren glansden alsof ze nat waren. Langs de randen liep een langzame beweging.

De plant leek te ademen.

Mabu voelde haar kracht voordat hij één stap zette.

Zijn borst werd strak.

Hij probeerde diep in te ademen, maar zijn longen vulden zich slechts gedeeltelijk.

Een blad draaide langzaam in zijn richting.

Mabu zette de speer tegen een dode boomstam. Hij haalde de stevige doek uit zijn tas en trok zijn mes.

“Niet nadenken,” zei hij. “Alleen doen.”

Hij stapte de cirkel binnen.

Onmiddellijk sloeg zijn hart sneller. De druk in zijn borst werd zwaarder. Warmte stroomde uit zijn armen en benen.

Mabu bleef even staan.

Daarna zette hij een tweede stap.

De lucht boven de open plek begon te trillen. De bomen aan de overkant bewogen alsof hij ze door water zag.

“Ga terug,” zei Baraka.

Mabu keek om.

De oude genezer stond aan de rand van de cirkel. Zijn mantel hing gescheurd rond zijn lichaam. Het litteken op zijn arm had zich over zijn gezicht verspreid.

“U bent niet hier,” zei Mabu.

“Mijn waarschuwing wel.”

Mabu draaide zich naar de plant en ging verder.

Bij de vierde stap voelde het alsof er in zijn lichaam een deur openging. Zijn kracht stroomde weg. Herinneringen schoten door zijn gedachten en verdwenen voordat hij ze kon vasthouden.

Hij zag zichzelf als kind bij de rivier.

Maar hij wist plotseling niet meer wie er naast hem had gezeten.

Mabu stopte.

“Wat heb je genomen?”

De bladeren ritselden.

Hij dwong zichzelf aan de rivier te denken. Aan modder. Aan gelach. Aan twee jongens die probeerden vissen met hun handen te vangen.

Langzaam verscheen Jabari’s gezicht weer.

“Je krijgt hem niet,” zei Mabu.

Hij liep verder.

Halverwege zakte hij op één knie.

Zijn spieren voelden zwaar en leeg tegelijk. Elke ademhaling was een gevecht. De plant stond nog geen drie meter van hem vandaan, maar de afstand leek eindeloos.

“Mabu.”

Ayanna stond naast de plant.

Niet gezond zoals in zijn droom, maar bleek en uitgemergeld zoals hij haar had achtergelaten.

“Kom niet dichterbij,” zei ze.

“Ik laat u niet sterven.”

“Ik wil niet leven als jij hiervoor sterft.”

“Dat beslist u niet.”

Haar ogen vulden zich met verdriet.

“Dat heb ik je nooit geleerd.”

“Nee,” zei Mabu. “U leerde me dat je iemand niet alleen laat wanneer hij nog niet klaar is om te gaan.”

Ayanna’s gezicht veranderde. Haar huid werd grauw. Haar wangen vielen in.

“Je bent al te laat.”

Mabu sloot zijn ogen.

“Niet echt.”

“Ik ben dood.”

“Niet echt.”

“Het dorp is dood.”

“Niet echt.”

“Je bent alleen.”

“Niet echt!”

Mabu opende zijn ogen.

De verschijning was verdwenen.

Hij stond moeizaam op en zette nog een stap.

De laatste meter moest hij kruipen.

Zijn benen droegen hem niet meer. Hij trok zichzelf vooruit met zijn armen. De gebarsten aarde sneed in zijn handen en knieën.

De stemmen spraken nu door elkaar.

Jabari noemde hem een dwaas.

Baraka zei dat het geneesmiddel niet zou werken.

Zuri vroeg waarom hij tegen haar had gelogen.

Nala huilde om haar kind.

Zijn moeder smeekte hem om terug te keren.

Mabu bleef kruipen.

Toen hij dicht bij de plant kwam, zag hij zijn weerspiegeling in een glanzend blad.

De man die hem aankeek, was oud.

Zijn gezicht zat vol rimpels. Zijn haar was grijs. Zijn huid was dun en strak.

“Zo eindig je,” zei de weerspiegeling.

Mabu staarde naar zichzelf.

“Of zo red je haar.”

“Hoeveel kost het?”

Het blad bewoog.

“Alles wat nodig is.”

Mabu dacht aan de jaren die voor hem lagen. Aan jagen met Jabari. Aan onbekende reizen. Aan een eigen gezin. Aan kinderen die hij misschien ooit zou dragen zoals Ayanna hem had gedragen.

Hij wilde leven.

Hij wilde terugkeren als dezelfde jongeman die vertrokken was.

“Het maakt je iets uit,” zei de weerspiegeling.

“Ja.”

“Dan kun je nog terug.”

Mabu keek naar de plant.

“Maar haar leven maakt mij ook iets uit.”

Hij stak zijn hand uit en sloot zijn vingers rond de steel.

De wereld explodeerde.

Er was geen licht en geen geluid.

Mabu voelde hoe iets aan hem trok. Niet aan zijn vlees, maar aan de jaren die nog voor hem lagen. Het trok aan de kracht in zijn botten, de snelheid van zijn hart en de helderheid van zijn ogen.

Beelden schoten door zijn hoofd.

Ayanna die hem als baby vasthield.

Zijn eerste jacht met Kito.

Jabari die lachend uit de rivier kroop.

Een vrouw zonder gezicht die ooit zijn echtgenote had kunnen worden.

Kinderen die nooit geboren zouden worden.

Jaren verdwenen voordat hij ze had beleefd.

Zijn vingers begonnen los te komen.

Toen dacht hij aan Ayanna’s woorden.

Omdat jij nog niet klaar was om alleen te blijven.

Mabu greep de plant met beide handen.

Hij trok.

De wortel gaf niet mee.

Zijn hart vertraagde.

Eén slag.

Een lange stilte.

Nog één slag.

Mabu trok opnieuw. De aarde barstte open en een bleke, kronkelende wortel kwam gedeeltelijk omhoog.

De bladeren sloegen wild om zich heen.

In zijn hoofd gilden tientallen stemmen.

Mabu trok een derde keer.

De wortel kwam los.

Op hetzelfde ogenblik verdween alle druk.

Mabu viel achterover. De plant lag op zijn borst. Haar bladeren werden dof en bewegingloos.

Boven hem zag hij de avondlucht.

Hij haalde diep adem.

Het voelde alsof vuur zijn longen vulde.

Daarna werd alles zwart.

Hoofdstuk 4 – De terugkeer van een vreemde

Toen Mabu wakker werd, was het nacht.

Hij lag nog steeds op de open plek. Boven hem stonden sterren die scherper leken dan ooit tevoren.

Een tijdlang wist hij niet waar hij was.

Toen voelde hij de plant naast zich.

Hij ging rechtop zitten en werd onmiddellijk duizelig. Zijn gewrichten waren stijf en zijn spieren voelden zwak. De huid op zijn handen was dun geworden. Blauwe aderen liepen duidelijk onder het oppervlak.

Mabu raakte zijn gezicht aan.

Onder zijn ogen voelde hij diepe lijnen.

“Hoe lang?” fluisterde hij.

Zijn stem klonk schor en ouder.

Mabu wikkelde de wortel in de doek en stopte haar in zijn tas. Daarna probeerde hij op te staan.

Zijn knieën gaven mee.

Hij bleef op handen en knieën zitten, te moe om te bewegen. Aan de rand van de open plek stond Jabari’s speer.

Mabu kroop ernaartoe.

Buiten de cirkel vond hij zijn waterzak. Hij dronk langzaam. Daarna gebruikte hij de speer als wandelstok.

De jungle maakte opnieuw geluid. Insecten zongen en wind bewoog door de bladeren.

Mabu zette één stap.

Daarna nog één.

De weg naar huis begon.

De terugtocht duurde langer dan de heenreis.

Om de paar honderd passen moest Mabu rusten. Zijn handen trilden wanneer hij zijn waterzak opende. Zijn voeten sleepten door de modder.

Bij het karkas van het hert bleef hij staan.

Het verschrompelde lichaam lag nu op de grond.

Mabu begreep hoe dicht hij bij hetzelfde einde was gekomen.

Hij drukte zijn hand tegen de tas.

“Niet voordat zij gedronken heeft.”

Op de tweede avond begon het te regenen.

Mabu vond beschutting tussen de wortels van een grote boom. Zijn vingers waren te stijf om gemakkelijk vuur te maken. Meerdere vonken doofden voordat een klein stukje droge schors begon te branden.

Hij wilde slapen.

Niet slechts enkele uren, maar dagen.

Misschien zou Jabari hem zoeken. Misschien vond iemand de wortel en bracht die naar Baraka. Misschien hoefde hij zelf niet verder.

“Mabu.”

Ayanna zat tegenover hem.

Ze was droog, hoewel de regen door de bladeren sijpelde.

Mabu wist dat ze niet echt was.

“Je hebt jezelf achtergelaten,” zei ze.

“Dat was de prijs.”

“Was het jouw prijs om te betalen?”

“Wie anders?”

“Misschien niemand.”

“Dan zou u sterven.”

“Mijn dood is van mij.”

“En mijn leven is van mij.”

De verschijning zweeg.

Mabu bukte zich opnieuw over het vuur.

Toen de vlam eindelijk sterker werd en hij weer opkeek, was Ayanna verdwenen.

De volgende dag voelde zijn lichaam nog zwakker.

Toch liep hij verder.

Bij een beek vulde hij zijn waterzak. In de struiken bewoog een groot dier. Mabu hief de speer, maar zijn armen beefden zo hevig dat hij zich niet had kunnen verdedigen.

Het dier kwam niet dichterbij.

Misschien rook het de wortel.

Of misschien rook het de leegte die de plant in Mabu had achtergelaten.

Tegen de avond bereikte hij de uitstekende rots waaronder hij tijdens de heenreis had geschuild. De rivier lag nog minstens een dag verder.

Voor Mabu kon het ook een week zijn.

Zijn voeten zaten vol blaren. Elke ademteug voelde dun en scherp.

Maar hij ademde.

Dat moest voldoende zijn.

Bij de rivier bezweek hij.

Hij hoorde het stromende water en zag de boomstam die als brug diende. Daarna verdwenen zijn krachten.

Toen hij opnieuw zijn ogen opende, goot iemand water tussen zijn lippen.

“Mabu?”

De stem kwam van ver.

“Mabu, kijk naar me.”

Jabari hing boven hem. Zijn gezicht zat onder de modder en zijn ogen waren rood van vermoeidheid. Naast hem knielde Kito.

“Wie…” Mabu slikte. “Wie bent u?”

Jabari verstijfde.

Toen begreep Mabu wat hij had gezegd.

“Ik maak een grap.”

Jabari sloeg hem tegen zijn schouder en begon tegelijk te lachen en te huilen.

“Doe dat nooit meer.”

Kito bekeek Mabu’s grijze haar en gerimpelde gezicht.

“Is hij het echt?”

Jabari trok het armbandje onder Mabu’s mouw vandaan.

“Hij is het.”

“De plant,” zei Mabu.

Jabari legde de tas op zijn borst.

“Ze is er.”

“Mijn moeder?”

Jabari en Kito keken elkaar aan.

“Ze leeft,” zei Kito. “Maar Baraka denkt dat ze nog weinig tijd heeft.”

Mabu probeerde overeind te komen.

Jabari hield hem tegen.

“Wij dragen je.”

“Te langzaam.”

“Je kunt niet lopen.”

“Help me dan.”

Kito sloeg Mabu’s arm rond zijn schouders. Jabari nam de andere kant.

Met zijn drieën staken ze de rivier over.

Toen ze het dorp bereikten, ging de zon onder.

Bewoners kwamen uit hun hutten. Sommigen herkenden Mabu niet. Anderen fluisterden zijn naam en deinsden terug.

Zuri stond naast haar moeder.

“Mabu?” vroeg ze.

Hij glimlachte zwak.

“Ik zei toch dat Ayanna beter zou worden?”

Het meisje keek naar zijn grijze haar.

“Bent u echt Mabu?”

“Dat hoop ik.”

Voor Ayanna’s hut stond Baraka.

Zijn blik ging van Mabu naar de tas.

“Je hebt haar gevonden.”

“Maak het geneesmiddel.”

“Mabu, je moet rusten.”

“Maak het geneesmiddel.”

Baraka nam de tas aan.

Binnen lag Ayanna bewegingloos op haar mat. Haar ademhaling was bijna niet hoorbaar.

Mabu knielde naast haar.

“Ik ben terug.”

Haar ogen bleven gesloten.

Baraka sneed voorzichtig een deel van de wortel af. Donkere vloeistof verscheen op het snijvlak.

Hij droogde het stuk boven een vuur en vermaalde het tot paars grijs poeder. Jabari bracht warme geitenmelk. Nala gaf haar laatste kruik honing.

Baraka mengde alles in een kom.

De geur was zoet, maar onder de honing lag iets kouds en scherps.

Mabu ondersteunde het hoofd van zijn moeder.

“Blijf bij me,” fluisterde hij.

Hij liet een kleine hoeveelheid tussen haar lippen lopen.

Ayanna slikte.

Langzaam dronk ze de kom leeg.

Daarna konden ze alleen nog wachten.

Hoofdstuk 5 – Wat overblijft

De eerste uren gebeurde er niets.

Mabu zat naast zijn moeder en luisterde naar iedere ademhaling. Baraka controleerde regelmatig haar pols. Jabari bleef bij de ingang zitten.

Buiten had zich een groep dorpsbewoners verzameld. Niemand sprak luid.

De nacht werd dieper.

Mabu voelde zijn hoofd vooroverzakken, maar telkens dwong hij zichzelf wakker te blijven.

“Je hebt genoeg gedaan,” zei Baraka.

“Dat weet ik pas als zij haar ogen opent.”

“Een geneesmiddel beveelt de dood niets. Het geeft alleen een kans.”

“Dan wacht ik op die kans.”

Baraka ging tegenover hem zitten.

“Je lijkt op haar.”

“Dat zegt iedereen.”

“Niet alleen in je gezicht. Jullie luisteren allebei niet wanneer iemand zegt dat je moet rusten.”

Bij de ingang lachte Jabari zacht.

Toen bewoog Ayanna’s hand.

Iedereen werd stil.

Haar vingers trokken samen. Haar ademhaling werd dieper.

Eén volledige ademteug.

Daarna nog één.

De grauwe kleur trok langzaam uit haar gezicht.

“Mabu…” fluisterde ze.

Hij greep haar hand.

“Ik ben hier.”

Haar ogen gingen open.

Eerst keek ze naar het dak. Daarna naar Baraka. Uiteindelijk zag ze Mabu.

Ze fronste.

“Mabu?”

“Ja.”

Haar vingers gleden over zijn hand. Ze voelde de dunne huid en uitstekende aderen. Daarna keek ze naar zijn rimpels en grijze haar.

“Wat is er met je gebeurd?”

Mabu voelde tranen over zijn gezicht lopen.

“U bent wakker.”

Ayanna keek naar de lege kom en het paarse stof in Baraka’s vijzel.

Langzaam begreep ze het.

“Wat heb je gedaan?”

“Wat u voor mij zou hebben gedaan.”

Ze sloot haar ogen. Tranen liepen langs haar slapen.

“Dat maakt het niet juist.”

“Nee,” zei Mabu. “Maar het maakt u levend.”

Ayanna herstelde snel.

Na twee dagen kon ze rechtop zitten. Op de vierde dag liep ze naar buiten. Zuri vloog haar om de hals. Nala bracht brood en Kito boog zijn hoofd.

Maar Ayanna keek alleen naar Mabu.

Hij zat in de schaduw van hun hut. Een wandelstok rustte tegen zijn knie. Sommige dagen kon hij zelf opstaan. Op andere dagen trilden zijn handen te sterk om een beker vast te houden.

Baraka onderzocht hem dagelijks.

“De plant heeft tijd genomen,” zei hij.

“Hoeveel?”

“Ik weet het niet.”

“Kan ik herstellen?”

Baraka keek weg.

“Een prijs die betaald is, kan niet eenvoudig worden teruggenomen.”

Mabu had geen ander antwoord verwacht.

Er was nog genoeg wortel over voor enkele zieken.

Dat veroorzaakte onmiddellijk discussie.

De volwassenen kwamen samen op het dorpsplein. De aarden pot met het resterende poeder stond voor Baraka.

“Er is genoeg voor vier personen,” zei hij. “Niet meer.”

Mensen begonnen door elkaar te roepen.

“De kinderen eerst!”

“Mijn man heeft vijf kinderen.”

“Mijn dochter is nog maar zes.”

“De oudsten hebben dit dorp opgebouwd.”

Nala stond plotseling op.

“Stop.”

Langzaam werd het stil.

“We praten alsof dit poeder ons toebehoort,” zei ze. “Maar kijk naar Mabu. Hij heeft ervoor betaald.”

Alle blikken richtten zich op hem.

Mabu duwde zichzelf overeind met zijn wandelstok.

“De wortel is niet van mij,” zei hij. “Ik heb haar niet gehaald om in een pot te bewaren.”

“Wie moet ze dan krijgen?” vroeg iemand.

“Degenen met de grootste kans om te herstellen.”

Een man sprong op.

“Dat is gemakkelijk gezegd. Jouw moeder is al gered.”

Mabu knikte.

“Je hebt gelijk. Ik koos haar omdat haar leven voor mij het belangrijkste was. Daarom mag ik niet beslissen wie de rest krijgt.”

Hij keek naar Baraka.

“U kiest op basis van leeftijd, ernst van de ziekte en kans op herstel.”

“En als mensen zijn keuze niet aanvaarden?” vroeg Kito.

“Dan wordt de wortel vernietigd.”

Een geschrokken gemompel ging door de groep.

“Waarom?”

“Omdat de plant al genoeg van ons heeft genomen.”

Baraka plaatste zijn hand op de pot.

“Ik zal beslissen. Niemand zal volledig tevreden zijn. Dat aanvaard ik.”

Die avond kregen drie kinderen en een jonge moeder een dosis.

Alle vier overleefden.

Het laatste deel van de wortel werd verbrand. De rook was paars en rook naar honing en verdorde bloemen.

Mabu keek toe tot alleen as overbleef.

De weken gingen voorbij.

De ziekte verdween langzaam. Minder mensen werden ziek. Het dorp kwam opnieuw tot leven.

De stampers klonken weer in de vijzels. Kinderen speelden tussen de hutten. De akkers werden verzorgd en bij zonsondergang werd opnieuw muziek gemaakt.

Ayanna hervatte haar werk met kruiden. Ze sprak nu voorzichtiger over genezing. Ze leerde haar helpers dat iedere plant grenzen had en dat niet elk antwoord van het woud gebruikt moest worden.

Mabu kon niet terugkeren naar zijn vroegere leven.

Jagen was onmogelijk. Lange wandelingen putten hem uit. Wanneer Jabari met de jagers vertrok, keek Mabu hen na tot ze tussen de bomen verdwenen.

Op een ochtend gooide hij uit frustratie zijn wandelstok tegen de hut.

Ayanna keek op van de bladeren die ze sorteerde.

“Dat helpt niet.”

“Dat weet ik.”

“Waarom doe je het dan?”

“Omdat ik moe ben van geholpen worden.”

Ayanna legde de bladeren neer en kwam naast hem zitten.

“Ik ben blij dat ik leef,” zei ze. “Maar soms kijk ik naar jou en wens ik dat ik de drank niet had ingenomen.”

“Zeg dat niet.”

“Jij mag kwaad zijn om wat je verloor. Ik mag verdriet hebben om wat ik kreeg.”

Mabu keek naar zijn handen.

“Ik zou het opnieuw doen.”

“Dat maakt het niet minder pijnlijk.”

“Nee.”

“En het maakt mij niet minder dankbaar.”

Ze legde haar hand op de zijne.

Na een tijdje pakte Mabu zijn wandelstok weer op.

Omdat hij niet meer kon jagen, begon Mabu de kinderen les te geven.

Zuri kwam als eerste bij hem zitten terwijl hij een houten vogel sneed. Ze vroeg hoe hij wist aan welke kant het hout zou splijten. De volgende dag bracht ze twee vrienden mee.

Binnen een week zat iedere middag een groep kinderen rond hem.

Mabu leerde hun knopen leggen, sporen herkennen, richting bepalen en eetbare planten onderscheiden van giftige. Hij vertelde verhalen over dieren, rivieren en jagers die te trots waren om naar waarschuwingen te luisteren.

Over De Ademeter sprak hij zelden.

“Was de plant slecht?” vroeg Zuri op een middag.

Mabu dacht na.

“Nee.”

“Maar ze heeft u pijn gedaan.”

“Een rivier kan iemand verdrinken en toch niet slecht zijn. Vuur kan een hut verbranden en toch ons eten bereiden. De plant deed wat in haar natuur lag.”

“Waarom ging u dan naar haar toe?”

“Omdat ik dacht dat mijn liefde sterker moest zijn dan mijn angst.”

“Was dat zo?”

Mabu keek naar Ayanna, die kruiden ophing voor hun hut.

“Ja.”

“Was het de prijs waard?”

Daarop wist hij geen eenvoudig antwoord.

“Vraag dat opnieuw wanneer je ouder bent.”

Maanden later zat Mabu aan de rand van het dorp.

De zon zakte achter de donkere lijn van het oerwoud. Rood licht gleed over de boomtoppen. Vogels vlogen in groepen naar hun rustplaatsen.

Mabu hield zijn wandelstok tussen zijn knieën.

Zijn lichaam was niet verder verouderd. Baraka dacht dat de verandering was gestopt. Hoeveel tijd hij nog had, wist niemand.

Ayanna kwam naast hem zitten en zette haar mand met kruiden op de grond.

Een tijdlang keken ze zwijgend naar het woud.

“Baraka zegt dat je vandaag zes kinderen hebt leren vissen,” zei ze.

“Vijf. Jabari’s neef viel in het water voordat we begonnen.”

“Dat klinkt als familie van Jabari.”

Mabu glimlachte.

De avondwind bewoog door zijn grijze haar.

Ayanna keek naar zijn handen.

“Wat heeft het je gekost?” vroeg ze zacht.

Ze had die vraag eerder gesteld. Toen had Mabu geen antwoord kunnen geven.

Nu keek hij naar het dorp.

Zuri oefende met een houten boog. Nala deelde brood uit. Jabari keerde terug van de jacht en stak van ver zijn hand op.

Mabu keek naar zijn moeder.

“Meer dan ik dacht.”

Ayanna knikte.

“Maar minder dan alles.”

Haar ogen werden vochtig.

“Ik verloor jaren,” vervolgde hij. “Kracht. Misschien een toekomst die ik nooit zal kennen.”

“Dat klinkt als bijna alles.”

“Maar ik verloor u niet.”

Ayanna legde haar hoofd kort tegen zijn schouder.

“Je had jezelf kunnen verliezen.”

“Een deel van mij is achtergebleven.”

“In het oerwoud?”

Mabu schudde zijn hoofd.

“In de keuze.”

Vanuit het dorp klonk gelach. Iemand begon op een trommel te spelen. Vuurplaatsen werden aangestoken en rook steeg tussen de hutten omhoog.

“Je vader geloofde dat ieder mens met een vast aantal ademteugen werd geboren,” zei Ayanna. “Niet één meer of minder dan voor hem bestemd was.”

“Gelooft u dat nog steeds?”

“Vroeger wel.”

“En nu?”

Ze keek hem aan.

“Nu denk ik dat sommige mensen hun adem met anderen delen.”

Mabu ademde langzaam in.

Zijn borst deed nog vaak pijn. Zijn longen vulden zich niet meer zo diep als vroeger. Toch voelde de avondlucht koel en levend.

Voor hem lag het oerwoud, oud en donker, vol antwoorden die mensen misschien beter niet konden zoeken.

Achter hem leefde het dorp verder.

Mabu wist dat hij de prijs van zijn keuze iedere ochtend opnieuw zou voelen: in zijn stijve handen, zijn trage stappen en de blikken van mensen die in hem tegelijk een jonge man en een oude zagen.

Maar een offer betekende niet dat het leven daarna ophield.

Het veranderde alleen van vorm.

Hij zou misschien nooit meer jagen of door het oerwoud rennen. Maar hij kon kinderen onderwijzen, verhalen vertellen en zijn moeder horen lachen. Hij kon aanwezig zijn zolang zijn lichaam hem dat toestond.

Mabu haalde nog één keer diep adem.

De zon verdween achter de bomen.

Sommige levens werden niet gered zonder dat een ander een deel van zichzelf opgaf.

Maar zolang liefde, herinneringen en kennis werden doorgegeven, was dat opgeofferde leven niet verdwenen.

Het ademde verder in anderen.


De Prijs Van Adem Pdf

PDF – 2,1 MB 2 downloads

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.