Herman wil alleen de krant halen. Maar na een verkeerde afslag in het Elzenbos ontdekt hij een verborgen dorp tussen de boomwortels. Daar wonen de Vuilnikkers: piepkleine wezens die huizen bouwen van koektrommels, deksels en andere afgedankte spullen. En ze hebben een probleem dat Herman nog nooit is tegengekomen: een tekort aan afval.
Onder leiding van de plechtige burgemeester Plof probeert het dorp het hoofd boven water te houden. Herman wil graag helpen, al heeft hij nog geen idee hoe. Eén ding wordt snel duidelijk: kleine inwoners kunnen bijzonder grote eisen stellen.
De Afvalcrisis van het Elzenbos is een warme, eigenzinnige komedie over onverwachte vriendschap, goede bedoelingen en plannen die zelden lopen zoals voorzien. Zeker wanneer de organisator zelf voortdurend verkeerd loopt.
1 Een tekort aan rommel
Op de woensdag waarop Herman een beschaving ontdekte, was hij eigenlijk alleen van plan geweest de krant te kopen.
Omdat de dokter hem had aangeraden meer te bewegen, nam hij de weg door het Elzenbos. Dat maakte zijn tocht naar de krantenwinkel drie kilometer langer. Tenminste, als hij goed liep. Herman bezat een uitstekend richtingsgevoel zolang hij zich in zijn eigen keuken bevond en niemand de tafel had verplaatst.
Bij de eerste splitsing koos hij links. Bij de tweede koos hij rechts. Bij de derde besloot hij dat de eerste waarschijnlijk de tweede was geweest.
Zijn telefoon stelde voor om om te keren.
‘Dat zei je bij die fietsenwinkel ook,’ bromde hij.
Die telefoon had hem ooit naar een fietsenwinkel gestuurd toen hij brood nodig had. Herman had de route zelf verkeerd ingesteld, maar vond dat een apparaat van vierhonderd euro daar best rekening mee mocht houden.
Het was vroeg in oktober. Tussen de elzen hing een vochtige nevel en op de hoger gelegen stukken kleurden de eikenbladeren bruin. Herman volgde een smal spoor dat volgens hem een wandelpad was, tot het eindigde bij een omgevallen tak.
Aan de andere kant zat een eekhoorn.
‘Jij weet het zeker ook niet.’
De eekhoorn verdween.
‘Daar heb ik dus niets aan.’
Herman draaide zich om, bleef met zijn schoen achter een wortel haken en ging zitten op een plek waar hij niet had willen zitten.
Uit de varens klonk geschreeuw.
‘Aardbeving!’
‘Iedereen weg bij de linkerbil!’
Herman bleef onbeweeglijk zitten.
Er waren verschillende verklaringen mogelijk. De meest geruststellende was dat hij zijn hoofd had gestoten. Daar stond tegenover dat zijn hoofd als enige nergens pijn deed.
Voor zijn schoen verscheen een mannetje van ongeveer vijftien centimeter hoog. Het droeg een jasje van aan elkaar genaaide stukken stevig verpakkingsmateriaal en een glanzend dekseltje op zijn hoofd. Onder zijn neus hing een snor die duidelijk meer verzorging kreeg dan de rest van zijn uiterlijk.
Achter hem kwamen nog meer figuurtjes tevoorschijn. Eentje hield een houten vork vast alsof daarmee een volwassen man te bedwingen viel.
‘U zit op onze toegangsweg,’ zei het mannetje.
Herman schoof voorzichtig op.
‘Mijn excuses.’
‘Aanvaard. U hebt wel de rotonde meegenomen.’
Onder Hermans broek kleefde een metalen ring.
Hij legde hem terug.
Het mannetje maakte een stijve buiging.
‘Burgemeester Plof. Welkom bij de Vuilnikkers.’
‘Herman.’
‘Uw titel?’
‘Meestal gewoon Herman.’
Plof dacht daar even over na.
‘Een sobere bestuursvorm.’
Nu Herman wist waar hij moest kijken, zag hij het dorp. Het lag tussen de wortels van een oude eik, verscholen achter varens en een gevallen tak. Er stonden huisjes van houten reststukjes, koektrommels en zorgvuldig uitgesneden verpakkingen. Een rij lepels vormde een afdak. Flessendoppen dienden als emmers en bloempotten. Boven een plein stond een broodtrommel op platte stenen, met een bordje: GEMEENTEHUIS.
Ernaast hing een kleiner bordje: BIJ REGEN HARDER KLOPPEN.
‘Hoe komen jullie hier?’ vroeg Herman.
‘We wonen hier.’
‘Dat zie ik. Ik bedoel: hoe kan het dat ik jullie nooit eerder heb gezien?’
‘Wij verstoppen ons voor mensen.’
‘Waarom praten jullie dan met mij?’
Plof keek naar de beschadigde rotonde.
‘De omstandigheden vroegen om rechtstreeks overleg.’
Een vrouw met opgestroopte mouwen kwam uit een huis waarvan het dak scheef hing. In haar riem zaten een naald, een klein tangetje en een potloodstomp.
‘Als het kennismaken klaar is: de school lekt.’
‘Bikkel is onze bouwmeester,’ legde Plof uit. ‘Ze heeft weinig belangstelling voor plechtigheden.’
‘Water ook niet.’
Herman boog zich voorover. Het doorzichtige dak van het schooltje vertoonde barstjes. Daaronder stonden zes potjes op banken om druppels op te vangen.
‘Kunnen jullie dat niet herstellen?’
Bikkel hield een doos omhoog. Er lagen drie knopen in, een kort touwtje en iets wat ooit een elastiekje was geweest.
‘Hiermee kan ik een jas sluiten en iemand teleurstellen.’
Plof zuchtte.
‘Wij beleven een afvalcrisis.’
Herman keek om zich heen. Hij zag geen vuilnisbelt, geen stinkende hopen en zelfs geen verloren zakdoek.
‘Het ziet er juist behoorlijk opgeruimd uit.’
‘Dat is het probleem.’
Vroeger had langs hun dorp een druk wandelpad gelopen. Mensen verloren dopjes, lieten verpakkingen vallen en vergaten soms dingen waarvan Herman zich moeilijk kon voorstellen hoe je ze vergat. Een schoen. Een braadpan. De broodtrommel die nu het gemeentebestuur huisvestte.
Toen het lage stuk van het pad te modderig werd, was de route verlegd. Vrijwilligers hadden bovendien het zwerfvuil opgeruimd.
‘Uitstekend werk,’ zei Herman.
Achtenzestig kleine gezichten keken hem verwijtend aan.
‘Voor het bos,’ voegde hij eraan toe.
‘Voor het bos wel,’ erkende Bikkel. ‘Maar wij waren gewend geraakt aan spullen die toevallig langskwamen. Nu vergaan onze oude daken en komt er niets bruikbaars bij.’
‘Wij zijn slachtoffer van toenemende beschaving,’ zei Plof.
Een meisje met twee vlechtjes trok aan zijn jas. Ze hield een dennenappel vast.
‘Mijn step is stuk. Opa zegt dat ik hiermee moet spelen.’
‘Een dennenappel kan best leuk zijn,’ zei Herman.
‘Hoe?’
Hij bekeek het ding.
‘Je kunt hem ergens neerleggen.’
Het meisje knikte langzaam, alsof ze vermoedde dat grote mensen maar heel weinig opleiding kregen.
‘Pip,’ zei Bikkel, ‘ga de schoolboeken hoger leggen.’
Pip rende weg.
Herman keek naar de vochtige huisjes. De grappige dekselhoeden en keurige bordjes maakten het gemakkelijk te vergeten dat hier mensen woonden die bang waren hun huis kwijt te raken. Kleine mensen, maar met dezelfde bezorgde blik die hij kende van collega’s wier kelder was ondergelopen.
‘Eten jullie dat afval eigenlijk ook?’
Plof trok een gezicht.
‘Eet u uw dak?’
‘Nee.’
‘Dan hebben we dat gemeen.’
Ze hadden voedselvoorraden, vertelde Bikkel. Het tekort betrof bouwmateriaal. En een betere manier om droog te wonen.
Herman knielde naast de school. Een druppel gleed door een barst en viel precies op een klein schrift.
Hij hield zijn hand boven het gat.
‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’
Plof rechtte zijn rug.
‘Een verbond tussen onze volkeren!’
‘Voorlopig heb je mijn hand boven een dak.’
‘Elk verbond begint ergens.’
Even later wees Bikkel hem de kortste weg naar het openbare wandelpad. Die bleek verrassend dichtbij.
Toen Herman thuiskwam, zat er modder in zijn sok, ontbrak zijn krant en had hij voor het eerst in maanden iets om over na te denken dat niet morgen precies hetzelfde zou zijn.
2 Het plan met de blije laars
Die avond schreef Herman bovenaan een notitieblok: OPERATIE ELZENBOS.
Daaronder zette hij drie punten.
- Meer mensen naar het bos krijgen.
- Zorgen voor bruikbaar materiaal.
- Niet gearresteerd worden.
Hij keek een tijd naar het tweede punt. Meer wandelaars zouden misschien meer rommel achterlaten. Dat was eenvoudig, goedkoop en bij nader inzien een bijzonder beroerd idee.
Hij streepte het eerste punt door.
Toen belde zijn buurvrouw Rita aan.
Rita had vroeger een school geleid. Sinds haar pensioen beperkte ze haar toezicht tot de straat, haar familie en iedereen die binnen gehoorsafstand een ondoordachte beslissing nam.
‘Je buitenlamp brandt nog,’ zei ze.
‘Dat weet ik.’
‘Het is nog licht.’
‘Ze is haar tijd vooruit.’
Rita keek langs hem naar de uitgespoelde yoghurtpotten op het aanrecht.
‘Ga je knutselen?’
‘Misschien.’
‘Met yoghurt?’
‘Met de potten.’
‘Dat scheelt.’
Herman schoof zijn notitieblok onder de krant van gisteren. Rita zag nog net het woord gearresteerd.
Ze zette haar boodschappentas neer.
‘Ik blijf even.’
Een kwartier later wist ze dat Herman een onbekend miniatuurdorp wilde helpen. Ze nam aan dat het om een hobbyproject ging. Herman hielp dat misverstand niet uit de wereld. Hij was nog niet klaar om aan zijn buurvrouw uit te leggen dat de burgemeester in een broodtrommel werkte.
‘Dan verzamel je schoon materiaal,’ zei Rita. ‘Gericht. Wat heb je nodig?’
‘Dat moet ik nog vragen.’
‘Dat lijkt me een uitstekend begin voor iemand die al een operatie heeft opgericht.’
De volgende middag nam Herman zijn uitgespoelde potjes, enkele verpakkingen en een kartonnen doos mee. Bikkel wachtte hem op bij het pad.
‘Ik dacht dat jullie je verstopten.’
‘Dat doe ik ook. U kijkt alleen voortdurend naar de grond.’
Ze leidde hem naar het dorp, waar Plof een ontvangstcomité had samengesteld.
Zijn materiaal werd grondig onderzocht. De potjes waren bruikbaar voor opslag. Een stevig deksel kon een lek dichten. De kartonnen doos leverde minder enthousiasme op.
‘Die wordt buiten vochtig,’ zei Bikkel. ‘We hebben al een bibliotheek gehad waarvan de muur in de uitleenboeken trok.’
Ze liet hem achter het gemeentehuis zien waarom losse reparaties niet volstonden. Onder de huizen bleef de grond nat. Oude kunststof onderdelen waren broos geworden. Elke herstelling schoof het volgende probleem enkele weken op.
‘We hebben een droge plek nodig,’ zei ze. ‘En materiaal dat we kunnen blijven onderhouden.’
Plof keek naar de eik.
‘Mijn grootvader woonde hier al.’
‘Uw grootvader had ook een dak dat nog heel was.’
Herman maakte aantekeningen. Dat kon hij goed. Op zijn werk in het magazijn vertrouwde iedereen op zijn voorraadtellingen. Het leek hem verstandig om eens iets te doen waarvoor hij aantoonbaar geschikt was.
Bikkel dicteerde aantallen. Geen ‘heel veel deksels’, maar twaalf stevige exemplaren. Geen zak vol touw, maar enkele stukken zonder rafels. Kleine houten reststukken waren welkom als er geen scherpe splinters aan zaten.
Op de terugweg trof Herman boswachter Jenny.
Ze keek naar zijn lege krat.
‘U komt van het oude pad.’
‘Klopt.’
‘Dat is afgesloten.’
‘Daar ben ik inmiddels achter.’
‘Was u iets aan het neerzetten?’
Herman overwoog het woord kunstproject. Jenny had een blik die dat woord vermoedelijk dagelijks moest verdragen.
‘Ik probeer iemand te helpen.’
‘Wie?’
Uit zijn borstzak klonk: ‘Wij verlangen een gesprek op gelijk niveau.’
Herman keek omlaag.
Plof stond rechtop tussen zijn leesbril en een pakje papieren zakdoekjes.
‘Wat doe jij daar?’
‘Diplomatiek toezicht.’
‘Je zou in het dorp blijven.’
‘Dat was vóór ik besloot mee te gaan.’
Jenny bleef zo stil staan dat Herman even dacht dat ze niet ademde.
Toen ging ze op haar hurken zitten.
‘Goedemiddag.’
Plof nam zijn dekseltje af.
‘Kijk,’ zei hij tegen Herman. ‘Zo hoort het.’
Er volgde een gesprek dat voor alle drie ongewoon was. Jenny stelde weinig vragen tegelijk en luisterde naar de antwoorden. Alleen toen Plof zei dat hij namens achtenzestig burgers sprak, sloot ze kort haar ogen.
‘Achtenzestig,’ herhaalde ze.
‘We hebben geen plannen voor uitbreiding.’
‘Dat is voorlopig fijn.’
Ze ging mee kijken. In het dorp liep ze voorzichtig, liet Bikkel de problemen uitleggen en vroeg voordat ze iets aanraakte.
Bij een bank bleef ze staan. Onder de zitting lagen twee oude batterijen als steun.
‘Die moeten hier weg.’
‘Familiebezit,’ zei Plof.
‘Dan zoeken we iets anders voor onder die bank. Batterijen horen apart ingezameld te worden.’
‘Maar ze doen het niet meer.’
‘Juist dan laat je ze hier niet liggen.’
Bikkel knikte meteen. Plof vroeg of er nog een foto van de bank mocht worden gemaakt.
Aan het einde van haar ronde wees Jenny richting bosrand.
‘Naast de werkschuur staat een oude opslagruimte. Droog, met een stenen vloer en een dak dat vorig jaar hersteld is. Ze wordt nauwelijks gebruikt. Ik bespreek of we die voor een klein hergebruikproject mogen inrichten.’
‘Hoe klein?’ vroeg Plof.
Jenny keek hem aan.
‘Ongeveer uw maat.’
Bikkel wilde onmiddellijk gaan kijken. Plof vroeg eerst of het gemeentehuis mee kon.
‘Als het door de deur past,’ zei Herman.
De burgemeester keek beledigd.
‘Mijn gemeentehuis past door elke menselijke deur.’
‘Dan is dat alvast geregeld.’
Tegen vrijdag was er toestemming voor het gebruik van de opslagruimte. Jenny hielp ook een wandelroute uitstippelen voor een inzamelactie, met ontvangst bij de werkschuur en alle deelnemers op de openbare paden.
Rita nam de inschrijvingen op zich.
‘Hoe heet onze vereniging?’ vroeg ze.
Herman dacht aan iets gezelligs.
Zo ontstonden de Vrienden van Gezellig Buiten Zijn, voorlopig bestaande uit drie mensen, een notitieblok en een logo waarop Rita een blije laars had getekend.
Onder de aankondiging kwam een nauwkeurige lijst van gewenste materialen.
Helemaal onderaan schreef Rita: KOOP HIER NIETS SPECIAAL VOOR. GEBRUIK WAT U AL HEBT.
‘En gratis koek,’ zei Herman.
‘Daar komt volk op af.’
Hij keek tevreden naar de poster.
Zijn plan was aanzienlijk verbeterd sinds hij het slechtste gedeelte had geschrapt.
3 Gratis koek en andere risico’s
Twee weken later stonden er op zondagochtend negenenveertig mensen bij de werkschuur.
Herman had op twintig gerekend. Rita had voor zestig personen koek voorzien, omdat ze zijn berekeningen kende van een straatfeest waarbij hij de kinderen als halve eters had geteld.
Een man in een geruit hemd keek achter de schuur.
‘Waar staat de barbecue?’
‘Er is geen barbecue,’ zei Herman.
De man haalde een opgevouwen poster tevoorschijn.
‘Er staat eten.’
‘Er staat koek.’
Hij bestudeerde het papier.
‘Dat is wel een heel kleine maaltijd.’
‘U mag er twee.’
De man heette Koen en besloot voorlopig te blijven.
Bij de inschrijftafel stonden de zussen Agnes en Odette, allebei uitgerust alsof ze vóór het middaguur een bergketen moesten oversteken. Ze droegen wandelstokken, regenhoezen en identieke hoeden.
‘Welke afstand?’ vroeg Agnes.
‘Vier kilometer.’
‘En daarna?’
‘Bent u terug.’
Odette keek naar haar zus.
‘Dan hadden we de tweede drinkzak kunnen thuislaten.’
Rita controleerde ondertussen de meegebrachte spullen. De meeste deelnemers hadden de lijst gelezen. Sommige hadden alleen het woord inzameling onthouden.
Een man bood een kapotte printer aan.
‘Die kan misschien nog dienen.’
‘Niet voor dit project,’ zei Rita.
‘Hij doet niets meer.’
‘Dan zijn we het eens.’
De printer ging weer mee naar huis.
Een vrouw zette een boodschappentas vol wijnkurken neer.
‘U vroeg kurken.’
‘Tien,’ zei Rita.
‘Ik heb ze niet geteld.’
Rita keek in de tas.
‘Dat geloof ik.’
De vrouw voegde haastig toe dat ze ze al jaren bewaarde.
Achter de gesloten deur van de opslagruimte hielden Bikkel en Plof toezicht op wat Herman naar binnen bracht. De burgemeester droeg voor de gelegenheid zijn beste sjerp, gemaakt van een stukje lint waarop nog GOED GEKOZEN stond.
Bij de eerste krat sloeg hij zijn handen voor zijn gezicht.
‘Zoveel.’
‘Nog niets uitdelen,’ zei Bikkel. ‘Eerst nakijken.’
Herman sloot de deur voordat de discussie zich tot constitutionele proporties kon ontwikkelen en ging voor de wandelaars staan.
Hij droeg een fluitje. Dat had hij in een lade gevonden en het gaf hem het gevoel dat mensen hem gemakkelijker zouden geloven.
‘Welkom allemaal. We blijven op de aangegeven paden. Wat we meebrengen, nemen we ook weer mee. Jenny loopt voorop, ik sluit aan achteraan.’
‘Waarom loopt de organisator achteraan?’ vroeg Koen.
‘Omdat de organisator weet waar hij goed in is,’ zei Rita.
De wandeling verliep de eerste tien minuten uitstekend.
Toen bleef Odette staan om haar jas uit te trekken. Agnes stopte omdat Odette stopte. Een gezin stopte omdat de zussen blijkbaar iets interessants zagen. Binnen enkele ogenblikken stond de hele groep naar een boom te kijken.
‘Wat zit erin?’ fluisterde iemand.
‘Niets,’ zei Odette.
Er werden toch drie foto’s gemaakt.
Verderop gleed een servetje uit een open zijvak. Herman zag het tussen de bladeren belanden en liep erheen. Een jongen was hem voor.
‘Dat hoort hier niet,’ zei hij.
‘Precies.’
Vanuit een lage struik klonk een diepe zucht.
Plof en twee helpers hadden via hun eigen paadjes een uitkijkplek bereikt. De burgemeester zag de jongen het servetje in zijn jaszak steken en keek alsof zojuist een bouwvergunning was ingetrokken.
Herman bukte zogenaamd om zijn veter vast te maken.
‘Er staan drie kratten klaar,’ fluisterde hij.
‘Dat weet ik.’
‘Dan hoef je niet te treuren om een vuil servetje.’
Plof keek naar de jongen, die alweer verder liep.
‘Het blijft wennen aan vooruitgang.’
Halverwege kwamen ze langs de oude route. Een afsluiting hield wandelaars op het nieuwe pad. Daarachter glinsterde water tussen de boomwortels.
‘Daar liep het vroeger,’ zei Jenny. ‘Op het nieuwe pad blijft de bodem beter begaanbaar.’
Herman keek naar de varens. Hij wist nu dat daarachter achtenzestig levens werden ingepakt. Bikkel had hem die ochtend verteld dat sommige bewoners nog nooit ergens anders hadden geslapen.
Even voelde zijn inzamelactie groter dan de posters, de koek en de blije laars.
Toen vroeg Koen of soep misschien wél tot de mogelijkheden behoorde.
Bij terugkomst stonden onder het afdak lange tafels klaar. Rita had scharen, lijm en gecontroleerd knutselmateriaal verdeeld. De kinderen mochten iets bouwen en hun werk mee naar huis nemen. Alleen de ongebruikte, geschikte spullen gingen naar het miniatuurproject.
Dat onderscheid had Rita driemaal aangekondigd.
Toch hield een jongetje zijn kartonnen raket beschermend tegen zich aan toen Herman voorbijliep.
‘Die is van mij.’
‘Daar twijfel ik niet aan.’
‘Ook als er heel kleine mensen in passen.’
Herman keek even naar de opslagdeur.
‘Zeker dan.’
Koen bouwde een toren van lege bekertjes. Volgens hem was het een uitkijkpost. Volgens Agnes leek het op iets dat over vijf seconden zou omvallen.
Agnes kreeg gelijk.
Koen verklaarde dat de wind ongunstig stond.
Er was nauwelijks wind.
Tegen drie uur waren de wandelaars vertrokken en had Rita de laatste tafel afgenomen. De bruikbare voorraad vulde vier kratten. Wat niet geschikt was, werd apart gehouden om correct te sorteren of terug te geven. Herman had nadrukkelijk geweigerd de opslagruimte tot een verzamelplaats voor alle overschotten van het dorp te maken.
Hij begon net te ontspannen toen uit de opslagruimte een gil klonk.
Rita zette haar emmer neer.
‘Wat was dat?’
‘Waarschijnlijk een meningsverschil.’
Er volgde een zware bons en iemand riep: ‘Niemand bewegen! De burgemeester zit onder het cultuurgoed!’
Rita opende de deur.
Een omgevallen doos had een lawine van wijnkurken veroorzaakt. Daaruit staken twee beentjes, een stuk sjerp en een dekseltje.
Bikkel stond ernaast met haar handen in haar zij.
‘Ik had gezegd dat hij moest wachten.’
Rita keek naar Bikkel. Toen naar Herman. Toen weer naar Bikkel.
Herman voelde hoe alle verklaringen tegelijk uit zijn hoofd verdwenen.
Rita knielde neer en haalde voorzichtig de bovenste kurken weg.
Plof kwam overeind, veegde zijn snor schoon en zei: ‘Dit blijft onder ons.’
‘Uiteraard,’ antwoordde Rita. ‘Maar voortaan klimt u niet in een doos die schuin staat.’
Ze trok een stoel naar zich toe en ging zitten.
‘Herman. Jij zet koffie.’
Hij haastte zich naar de thermos.
‘En deze keer,’ voegde ze eraan toe, ‘begin je helemaal bij het begin.’
4 De verhuizing van een beschaving
Rita onderbrak Hermans uitleg slechts vier keer.
De eerste keer om te vragen hoeveel inwoners er waren. De tweede keer om te vragen of iedereen eten had. De derde keer om te informeren naar toiletten, waarover Plof liever niet in aanwezigheid van buitenstaanders sprak.
De vierde keer stond ze op.
‘Goed. Dan moeten we morgen vroeg beginnen.’
‘U gelooft ons?’ vroeg Herman.
Rita keek naar Plof, die op een omgekeerd kommetje zat en met beide handen een kruimel koek vasthield.
‘Ik kan moeilijk volhouden dat hij een deurstopper is.’
De verhuizing was voor maandag gepland. Er kwamen regenbuien aan, en Bikkel wilde geen extra nacht meer verliezen aan het verplaatsen van opvangbakjes.
Jenny had de opslagruimte vrijgemaakt. Ze had kieren bij het dak hersteld en een lage, beschutte doorgang aangebracht, zodat de bewoners zelf naar buiten konden. Het hergebruikmateriaal zou binnen blijven, droog en bereikbaar voor onderhoud. Het oude dorp zou volledig worden opgeruimd.
Langs de wand stonden stevige lage tafels klaar. Daarop konden de woningen worden neergezet, met brede loopplanken ertussen en een helling naar de vloer. Bikkel had de indeling getekend en ervoor gezorgd dat elke woning bereikbaar bleef.
Plof had op de tekening vooral gekeken naar de plaats van het gemeentehuis.
‘Naast de gemeenschappelijke wasplaats?’
‘Ja,’ zei Bikkel.
‘Het gezag heeft toch enige afstand nodig.’
‘Van schoon ondergoed?’
Herman hield wijselijk zijn mond.
Maandagochtend om acht uur stonden ze bij de eik. Jenny had toestemming geregeld om voor de verhuizing via de oude onderhoudsroute te werken. Herman trok een handkar met grote wielen. Rita droeg een mand met stoffen doeken, klaar om kwetsbare spullen in te wikkelen.
De Vuilnikkers wachtten op het plein.
Er waren koffers van luciferdoosjes, bundels beddengoed en een oude man die weigerde zijn stoel los te laten. Dat hoefde ook niet. Herman tilde hem met stoel en al in een lage, beklede transportkist.
‘Eerste klas,’ zei de man tevreden.
Pip stond bij de resten van haar kapotte step.
‘Mag die mee?’
Bikkel bekeek het gebroken plankje en de scheve as.
‘Ja. Maar alleen omdat we hem kunnen herstellen.’
Pip keek naar de dennenappel in haar andere hand.
‘Deze ook?’
‘Als je hem zelf draagt.’
Dat deed ze.
Er was een duidelijk systeem. Herman en Jenny vervoerden mensen en bezittingen in verschillende ritten. Rita ontving de bewoners bij de schuur. Bikkel stuurde het inpakken en demonteren aan. Alles kreeg een bestemming voordat het op de kar kwam.
Het systeem werkte uitstekend, tot Plof besloot dat een vertrekceremonie noodzakelijk was.
Hij beklom het opstapje van het gemeentehuis en rolde een strook papier uit.
Die rolde drie treden verder.
‘Vrienden. Op deze historische ochtend moeten wij stilstaan bij—’
‘Het weer,’ zei Bikkel.
Een druppel tikte op zijn dekselhoed.
Plof keek naar boven.
‘Bij de betekenis van deze plek voor onze—’
Een tweede druppel viel midden op zijn toespraak. De inkt begon uit te lopen.
‘Voor onze wat?’ vroeg de oude man vanuit zijn kist.
Plof hield het papier dichterbij.
‘Dat is helaas niet meer vast te stellen.’
Er werd gelachen, maar de burgemeester lachte niet mee.
Hij keek naar het gemeentehuis, de school en de gevel waarin zijn grootvader ooit een deur had gezaagd.
‘Als we alles weghalen,’ zei hij zacht, ‘wat blijft er dan van ons over?’
Bikkel liet haar touw los.
Even zei niemand iets.
Herman hurkte bij het plein. Hij kende dat gevoel beter dan hij had verwacht. Toen het magazijn waar hij jarenlang had gewerkt naar een nieuw gebouw verhuisde, had hij wekenlang gemopperd op de ruimere gangen en de betere verlichting. Pas later had hij begrepen dat hij vooral zijn oude plek bij het raam miste.
‘Mijn werktafel stond vroeger ergens anders,’ zei hij. ‘De mensen die bij me kwamen praten, hebben de nieuwe ook gevonden.’
Plof streek met zijn hand over het deurkozijn.
Pip kwam naast hem staan.
‘Ik neem de dennenappel mee,’ zei ze. ‘Dan hebben we daar ook iets van hier.’
De burgemeester knikte.
Hij rolde zijn natte toespraak op, pakte de kleinste koffer en liep naar de kar.
‘We mogen mevrouw Flens niet laten wachten. Die gaat zingen als ze zenuwachtig wordt.’
Uit de eerste transportkist klonk onmiddellijk een toon die ergens tussen een sirene en een gekwetste viool lag.
De verhuizing kreeg vaart.
Bij de schuur brak een korte discussie uit over het aantal aangekomen inwoners.
‘Zevenenzestig,’ zei Plof, die iedereen persoonlijk had geteld.
Herman keek naar zijn lijst.
‘Ik heb achtenzestig namen.’
Plof begon opnieuw. Hij liep langs de bewoners en tikte bij iedere naam met zijn potlood op het papier.
Weer zevenenzestig.
Rita keek over zijn schouder.
‘Waar staat u zelf?’
De burgemeester zweeg.
Bikkel stak haar hand op.
‘De ontbrekende inwoner is terecht.’
Plof zette een laatste streepje.
‘Het gemeentebestuur was voortdurend op de hoogte van zijn verblijfplaats.’
Tegen de middag waren alle bewoners binnen. De regen roffelde op het schuurdak. Niemand hoefde potjes neer te zetten.
Dat was zo ongewoon dat de schooljuf toch even onder de tafel keek.
In de dagen die volgden, werden de woningen hersteld en ingericht. De kinderen hielpen hun school opbouwen. Plof schroefde onder Bikkels toezicht nieuwe steunen vast en ontdekte dat een burgemeester uitstekend een plank kon vasthouden zonder daardoor minder burgemeester te worden.
Herman en Jenny haalden ook de laatste resten van het oude dorp weg. De batterijen gingen apart naar een geschikt inzamelpunt. Versleten materiaal werd gesorteerd afgevoerd. Tussen de eikenwortels bleven alleen aarde, bladeren en de plekken waar de huizen hadden gestaan.
Op vrijdag keurde Bikkel de laatste woning goed.
Mevrouw Flens ging op haar droge bed zitten en begon te huilen.
Herman wist niet goed wat hij moest zeggen.
‘Het is gewoon,’ zei ze, ‘dat ik mijn deken niet eerst hoef uit te wringen.’
Hij knikte en gaf haar een schoon stukje stof.
Even later stond Plof naast hem.
‘We moeten iets voor u doen.’
‘Zorg eerst dat iedereen kan slapen.’
De burgemeester keek naar de verlichte raampjes onder het grote, degelijke dak.
Voor één keer had hij geen toespraak klaar.
‘Dat kunnen ze,’ zei hij.
5 Het operahuis dat niemand besteld had
Zes weken later wist Herman precies hoeveel bouwmateriaal een dorp van achtenzestig Vuilnikkers nodig had.
Minder dan de inhoud van zijn garage.
Dat was een nuttige ontdekking, vooral omdat sommige buurtbewoners na de inzamelactie ongevraagd dozen aan zijn voordeur waren blijven zetten. Zijn garage stond inmiddels zo vol dat hij zijn fiets via de zijdeur naar buiten moest tillen.
De inzamelactie had voldoende materiaal opgeleverd voor de herstellingen en een bescheiden reserve. Daarom hing Rita bij de supermarkt een nieuw bericht op: VOORLOPIG GENOEG. BEDANKT.
Voortaan stuurde Bikkel alleen een lijstje wanneer er iets nodig was. Herman controleerde eerst de voorraad. Daarna vroegen ze gericht rond. Wat kapotging, werd hersteld als dat kon. Wat niet meer bruikbaar was, ging mee terug om correct te worden afgevoerd.
‘Dus het is eigenlijk een magazijn,’ stelde Rita vast.
‘Met inwoners,’ zei Herman.
‘En meer vergaderingen,’ voegde Jenny eraan toe.
De Vrienden van Gezellig Buiten Zijn bleven bestaan. Eén keer per maand organiseerden ze een wandeling met een knutselmiddag. Kinderen maakten hun eigen bouwwerken van meegebracht materiaal. Er hoefde niets achtergelaten te worden en het bos bleef schoon.
De Vuilnikkers hielden hun dorp verborgen voor bezoekers. De opslagruimte bleef tijdens activiteiten gesloten; hun nieuwe toegangsweg lag aan de rustige achterzijde. Jenny, Rita en Herman kwamen er op afspraak, nadat ze hadden aangeklopt. Want ook wie vijftien centimeter groot was, had recht op een ochtend zonder reuzenhoofd voor het raam.
Binnen veranderde het dorp snel.
Er kwamen droge voorraadkasten, een werkplaats en een school waar de kinderen hun schriften gewoon op tafel konden laten liggen. Bikkel leerde hun hoe ze eerst een ontwerp maakten en daarna pas materiaal uitzochten.
Pip vond dat tijdverlies, tot haar eerste zelfgebouwde kast uitsluitend vanaf de achterkant open kon.
Daarna tekende ze.
Haar step werd hersteld met een stevig houten plankje, twee passende wieltjes en een stuur dat vroeger bij een kapot stuk speelgoed had gehoord. De dennenappel hield voortaan de deur van haar slaapkamer open.
‘En?’ vroeg Herman. ‘Is het iets geworden?’
Pip keek naar de dennenappel.
‘Hij heeft één functie. Maar die doet hij goed.’
Plof richtte een klein museum in. Het pronkstuk was een blauwe dop, gevonden door zijn grootvader. Niemand wist meer van welke fles hij afkomstig was.
Op het kaartje stond: BLAUWE DOP. VERDERE GEGEVENS ONTBREKEN.
Bikkel vond het zijn beste officiële tekst tot dan toe.
Alleen de wijnkurken bleven een probleem.
Ze namen te veel plaats in om ze eeuwig te bewaren. Een deel ging daarom terug naar de vrouw die ze had gebracht. Van de overige bouwden de Vuilnikkers scheidingswandjes en onderdelen van een gemeenschappelijke zaal.
Die zaal was bedoeld voor vergaderingen, schoolactiviteiten en winterwerk.
Tot mevrouw Flens er ging staan.
Ze haalde adem.
Drie timmerlieden lieten hun gereedschap vallen.
‘Prachtig,’ zei ze.
Niemand vroeg of ze daarmee de zaal of zichzelf bedoelde.
Binnen een week hing er een gordijn. Twee dagen later stond er een podium. Daarna verschenen banken, een orkestbak en een programma waarop in zwierige letters DE LAATSTE KURK stond.
Plof liet Herman dringend komen.
‘We hebben een operahuis.’
Herman keek naar de zaal.
‘Ik dacht een gemeenschappelijke ruimte.’
‘Dat dacht ik ook. Maar toen kwam er een repetitieschema.’
Bikkel schoof aan.
‘Het blijft een gemeenschappelijke ruimte. Op dinsdag school, op donderdag herstelwerk. Op zaterdag mag er gezongen worden.’
‘En vergaderingen?’ vroeg Plof.
‘Die kunnen korter.’
Er werd een gebruiksrooster gemaakt. Jenny sprak met de zangers af dat deuren en ramen tijdens repetities gesloten bleven en dat het op tijd stil werd. Rita hielp mevrouw Flens haar voorstelling terug te brengen van anderhalf uur naar vijfentwintig minuten.
‘Maar mijn personage moet eerst haar hele verleden vertellen.’
‘Ze kan ook zeggen dat ze veel heeft meegemaakt.’
Mevrouw Flens dacht daar lang over na.
Vervolgens schrapte ze vier liederen en een sterfbed dat achteraf toch onnodig bleek.
De première vond plaats op een zaterdagmiddag.
Herman, Rita en Jenny zaten op drie gewone stoelen voor de opengeklapte voorwand van de zaal. De kleine banken zaten vol Vuilnikkers. De oude man had zijn eigen stoel meegenomen.
Het orkest bestond uit vier muzikanten. Er werd getokkeld op gespannen draden, getrommeld op een klein doosje en voorzichtig geblazen op een fluit die Bikkel had gemaakt.
De opera vertelde over een volk dat zijn thuis kwijtraakte en elders een nieuw begin vond.
Het personage dat Herman moest voorstellen, droeg een jas met twaalf zakken en kwam bij iedere opkomst van de verkeerde kant.
Rita genoot zichtbaar.
Halverwege zakte een decorstuk scheef. Pip reed met haar step het podium op, zette haar dennenappel ertegen en verdween weer zonder iets te zeggen.
Ze kreeg het eerste applaus.
Mevrouw Flens zong haar slotlied zuiverder dan Herman had verwacht. Het ging over een raam waarachter het droog bleef, een stoel die mocht meeverhuizen en iemand die op je wachtte.
Toen het afgelopen was, klapten ze allemaal.
Plof kwam naar voren. Hij had één klein kaartje bij zich.
‘Wij dachten dat onze toekomst afhing van wat mensen lieten vallen,’ zei hij. ‘Gelukkig bleek er ook hulp te bestaan waarvoor niemand iets op de grond hoefde te gooien.’
Hij bedankte Bikkel, Jenny, Rita en alle bewoners die hadden meegewerkt. Daarna overhandigde hij Herman een medaille van glanzend metaal en een sleutel, gemaakt van een omgebogen paperclip.
‘Ereburger,’ zei hij.
Herman slikte.
‘Dank je.’
Op de terugweg liep hij naast Rita. Jenny sloot de schuur, waarachter de Vuilnikkers samen hun zaal opruimden. Alle huizen waren hersteld, de voorraden waren op orde en niemand hoefde nog bang te zijn voor regen op zijn bed.
‘Je bent veranderd,’ zei Rita.
‘Hoe bedoel je?’
‘Je klaagt minder.’
‘Ik heb het drukker.’
Bij zijn voordeur haalde Herman de papieren krant uit de brievenbus. Rita had een abonnement voor hem geregeld, nadat hij voor de vierde keer zonder krant uit het bos was teruggekomen.
Hij ging zitten, maakte een kop koffie en legde zijn medaille naast de leesbril.
Toen vouwde hij de krant open.
Voor het eerst die herfst had hij het spannendste nieuws al meegemaakt.
Soundtrack
[Intro – spoken over bass and handclaps]
Hey, watch your step!
Something’s happening
Down by the old oak tree…
Keep it between you and me!
Hit it!
[Verse 1]
Went out to buy the paper,
Took a wrong turn by a tree.
Heard a voice among the ferns say,
“You’re sitting on our street!”
A lunchbox for a town hall,
A mayor in a bottle-top crown.
I was only out for a morning walk—
Now I’m the biggest thing in town!
[Pre-Chorus]
The woods were getting cleaner,
But their roofs were wearing thin.
Everybody grab a little pot—
Here comes the rain again!
[Chorus]
Little town, big get-down!
Pass a little love around.
Small hands, big plans, working side by side,
Everybody needs a place that’s warm and dry.
Little town, big get-down!
Turn a little trouble round.
Everybody’s got a little something to start—
A little bit of help and a whole lot of heart!
[Post-Chorus – call and response]
What you got? (A little!)
What we need? (A little!)
Put it all together—
Now we’re getting somewhere!
Hey! Hey!
[Verse 2]
Happy boot upon the flyer,
Free cookies, come along!
Someone’s asking for a barbecue—
Well, somebody read that wrong!
There’s a list of little treasures,
There’s a box beside the door,
And a very small important man
Who always wants the floor!
[Pre-Chorus]
There’s more beneath the branches
Than you notice passing through.
Keep an eye on all those little things—
They might be watching you!
[Chorus]
Little town, big get-down!
Pass a little love around.
Small hands, big plans, working side by side,
Everybody needs a place that’s warm and dry.
Little town, big get-down!
Turn a little trouble round.
Everybody’s got a little something to start—
A little bit of help and a whole lot of heart!
[Bridge – soulful vocals, warm strings]
A silver spoon, a piece of string,
A lid without a jar—
Funny how the smallest things
Can stop you where you are.
There’s a thousand little stories
Where the ferns grow thick and tall.
Lean a little closer, baby—
You haven’t heard them all!
[Breakdown – bass, wah-wah guitar, spoken responses]
Big shoes! (Little street!)
Watch your step! (Feel that beat!)
Tip that shiny bottle-top crown—
Something little’s going down!
Who’s got plans? (We got plans!)
Who can lend a helping hand?
Clap twice, let the bass come through—
There’s a little bit of wonder looking up at you!
[Instrumental Break – punchy horns and funky guitar]
[Final Chorus – full band, layered backing vocals]
Little town, big get-down!
Pass a little love around.
Small hands, big plans, working side by side,
Everybody needs a place that’s warm and dry.
Little town, big get-down!
Turn a little trouble round.
Everybody’s got a little something to start—
A little bit of help and a whole lot of heart!
[Outro – playful ad-libs]
Keep the cookies coming!
Keep that good thing going!
Went out for the paper—
Look what I found!
Big feet…
(Little street!)
Little town…
(Big get-down!)
Hey—
You gonna eat that cookie?
Reactie plaatsen
Reacties