De Afvalcrisis van het Elzenbos
Hoofdstuk 1 – Het pad dat nergens stond
Op een grijze woensdagmiddag, waarop alles even zinloos voelde als een natte sok, zat Herman aan zijn keukentafel naar een halflege koffiekop te kijken. Buiten tikte de regen tegen het raam. Niet hard genoeg om gezellig te klinken, maar net hard genoeg om vervelend te zijn.
Herman was een man van middelbare leeftijd met een licht uitstekende buik, een jas met veel te veel zakken en het opmerkelijke talent om zelfs op bekende plaatsen verkeerd te lopen. In zijn linker jaszak bewaarde hij gewoonlijk zijn sleutels, in de rechter een pakje papieren zakdoekjes en in de overige zes zakken voorwerpen waarvan hij meestal niet meer wist waarom hij ze had meegenomen.
Die middag wilde hij eigenlijk alleen de krant gaan halen. De krantenwinkel lag op nauwelijks twintig minuten wandelen, maar Herman besloot een omweg door het Elzenbos te maken. Wat frisse lucht zou hem goeddoen, vond hij. Bovendien was de koffie op en had hij geen zin om naar de lege pot te blijven kijken.
Hij trok zijn jas aan, controleerde of zijn telefoon voldoende was opgeladen en vertrok. Zijn gps stelde een route voor langs de hoofdweg, maar Herman negeerde die. Sinds het toestel hem ooit naar een gesloten fietsenwinkel had gestuurd terwijl hij een bakker zocht, vertrouwde hij moderne navigatie alleen nog wanneer hij zelf al wist waar hij naartoe moest.
Het eerste deel van de wandeling verliep zonder problemen. Het pad kronkelde tussen hoge elzen en oude eiken. Regenwater hing als glanzende kralen aan de bladeren. De lucht rook naar natte aarde, mos en hout. Herman begon zich zelfs iets beter te voelen.
Toen verscheen er een eekhoorn.
Het dier zat midden op het pad met een kastanje tussen zijn voorpoten. Herman bleef staan. De eekhoorn bleef eveneens zitten.
“Opzij,” zei Herman.
De eekhoorn kauwde verder.
“Dit is een wandelpad.”
De eekhoorn keek hem aan met de zelfverzekerde blik van iemand die nooit belastingen betaalde en zich daar bijzonder goed bij voelde.
Herman maakte een beweging met zijn hand. Het dier sprong niet weg, maar schoof slechts enkele centimeters op. Daardoor moest Herman om de eekhoorn heen stappen. Zijn schoen bleef achter een boomwortel haken, hij verloor zijn evenwicht en landde met één been in een modderplas.
“Dat was zeker de bedoeling,” bromde hij.
De eekhoorn verdween met zijn kastanje in de struiken.
Terwijl Herman de modder van zijn broek probeerde te vegen, merkte hij aan de overkant van het pad een opening tussen twee dichtbegroeide struiken op. Hij dacht dat het een kortere route was en stapte erdoorheen. Na tien minuten wist hij niet meer uit welke richting hij was gekomen.
Zijn telefoon zei dat hij moest omkeren.
Herman liep verder.
Het bos werd dichter. De gewone wandelpaden verdwenen en maakten plaats voor een smalle strook tussen varens en boomwortels. De takken hingen zo laag dat hij zich voortdurend moest bukken. Ergens boven hem kraakte hout. Water tikte langzaam van blad naar blad.
“Prachtig,” mompelde Herman terwijl hij een tak uit zijn haar trok. “Ik ga de krant halen en eindig in Narnia.”
Toen hoorde hij stemmen.
“Heeft iemand dat gezien?”
“Dat ding beweegt!”
“Misschien is het een vallende jas!”
“Nee, vallende jassen hebben geen schoenen!”
Herman bleef stokstijf staan. De stemmen klonken dichtbij, maar hij zag niemand. Hij keek achter een boom, tuurde tussen de struiken en wierp zelfs een blik omhoog. Pas toen iemand riep dat “de reus” hen bijna vertrapte, keek hij naar beneden.
Tussen de wortels van een oude eik stond een groepje piepkleine wezentjes. De grootste kwam nauwelijks tot aan Hermans middel. Sommige waren niet hoger dan een regenlaars. Ze hadden puntige oren, ronde neuzen en kleding die samengesteld leek uit alles wat mensen normaal gesproken weggooiden.
Een van hen droeg een jasje van snoeppapiertjes. Een ander had een riem van elastiekjes. Twee wachters hielden colablikjes voor zich alsof het schilden waren. Op hun hoofden droegen ze dopjes van frisdrankflessen.
Een klein mannetje stapte naar voren. Hij was hooguit veertig centimeter groot, maar beschikte over een snor waarvoor een volwassen veldheer zich niet zou hebben geschaamd.
“Reusachtig persoon,” zei hij plechtig, “u hebt ons ontdekt.”
Herman knipperde een paar keer.
“Daar lijkt het inderdaad op.”
“U toont weinig verbazing.”
“Ik heb een moeilijke middag.”
Het mannetje legde een hand op zijn borst. “Mijn naam is Burgemeester Plof. Ik ben de gekozen leider van de Vuilnikkers van het Elzenbos.”
“Plof?”
“Ik ben als kind van een champignon gevallen. De naam is blijven hangen.”
Herman knikte. “Dat klinkt redelijk.”
Burgemeester Plof keek over zijn schouder naar de andere wezentjes. “Hij aanvaardt mijn naam. Dat is een gunstig teken.”
De Vuilnikkers begonnen opgelucht door elkaar te praten. Een van de wachters liet zijn colablikje zakken. Een andere tikte voorzichtig tegen Hermans schoen en rende daarna snel weg.
“Volgt u mij,” zei Plof. “U moet iets zien.”
Achter de oude eik lag een verborgen dorp. Herman moest op zijn knieën gaan zitten om het goed te kunnen bekijken. Tussen wortels, stenen en varens stonden tientallen kleine huizen. Sommige waren gemaakt van conservenblikjes. Andere bestonden uit koekjesdozen, kromme lepels, ijsstokjes en gebarsten plastic bakjes.
In het midden van het dorp stond een fontein die gemaakt was van een kapotte douchekop. Een halve broodrooster deed dienst als gemeentehuis. Het snoer was als versiering rond twee houten paaltjes gewikkeld.
Het zag er vindingrijk uit, maar ook vervallen. Verschillende daken waren ingestort. Een schuurtje van cd-hoesjes helde gevaarlijk opzij. Een bruggetje van plastic lepels miste twee steunbalken. Op het centrale plein zaten Vuilnikkers somber rond een lege koekjesverpakking.
“Wij verkeren in groot gevaar,” vertelde Plof. “Al generaties lang gebruiken wij wat mensen in het bos achterlaten. Dopjes worden dakpannen. Wikkels worden gordijnen. Plastic lepels worden balken en verloren teenslippers zijn uitstekend geschikt voor openbare zitbanken.”
“Jullie leven van zwerfafval?”
“Wij geven de voorkeur aan de term onbeheerde grondstoffen.”
Plof wees naar een ingestort huisje.
“Vroeger kwamen hier veel wandelaars. Er was altijd voldoende materiaal om onze huizen te onderhouden. Maar enkele jaren geleden werd aan de andere kant van het bos een nieuw wandelpad aangelegd. Bijna niemand komt nog langs deze plaats. Bovendien zijn de mensen veel properder geworden.”
“Dat klinkt normaal gesproken als goed nieuws.”
“Niet voor ons. Wij zijn het slachtoffer van een buitensporig succesvol netheidsbeleid.”
Bij een klein huisje probeerden twee timmerlieden een dak met boomschors te herstellen. Telkens wanneer ze een stuk neerlegden, gleed het naar beneden. Een oude Vuilnikker zat op een lege batterij en keek alsof hij de hoop op een beter leven al lang had opgegeven.
Een klein meisje kwam naar Herman toe. Ze droeg een jasje van glanzende verpakkingen en hield een dennenappel vast.
“Dit is mijn speelgoed,” zei ze.
“Een dennenappel kan leuk zijn.”
“Hij heeft geen kleur.”
“Je kunt hem schilderen.”
“Hij heeft geen klepje.”
“Nee.”
“En geen wielen.”
“Dat klopt.”
“Hij doet helemaal niets.”
“Je kunt hem gooien.”
Het meisje keek hem aan alsof hij had voorgesteld haar verjaardagsfeest in een belastingkantoor te houden.
“Onze kinderen moeten met natuurproducten spelen,” fluisterde Plof geschokt. “Vorige week heeft een jongen drie uur lang naar een takje moeten kijken.”
“Hij had het ook kunnen gebruiken om iets te bouwen.”
“Dat zei zijn moeder ook. Het arme kind heeft er nog nachtmerries van.”
Herman keek opnieuw naar het dorp. De situatie was vreemd en zelfs een beetje belachelijk, maar de bezorgdheid van de Vuilnikkers was echt. Als hun huizen verder instortten, konden ze hier niet blijven wonen. De eerstvolgende winter zou grote problemen veroorzaken.
“Goed,” zei hij. “Dan lossen we dit op.”
Plof keek hem met grote ogen aan. “Kunt u dat?”
“Waarschijnlijk.”
“Hebt u een plan?”
“Nee.”
De burgemeester liet zijn schouders zakken.
“Maar ik heb vaak geen plan,” vervolgde Herman. “Dat heeft me tot nu toe niet tegengehouden.”
Het meisje legde de dennenappel aan zijn voeten. “Als u ons redt, mag u deze hebben.”
“Dat is bijzonder vriendelijk, maar houd hem voorlopig maar.”
Plof hief beide armen op. “Vuilnikkers, de reus zal ons helpen!”
Er brak onmiddellijk gejuich uit. Iemand sloeg met twee lepeltjes op een pepermuntdoosje. Een ander rolde van enthousiasme van een wortel af. De twee wachters botsten met hun colablikjes tegen elkaar.
“Niet te vroeg juichen,” waarschuwde Herman. “Ik moet eerst uitzoeken hoe ik dit kan doen zonder het bos in een vuilnisbelt te veranderen.”
De burgemeester knikte ernstig. “Dat lijkt mij een nuttig detail.”
Toen Herman die avond thuiskwam, had hij modder aan zijn broek, bladeren in zijn sokken en nog altijd geen krant. Hij zette koffie, pakte een notitieblok en schreef bovenaan:
Operatie Red de Vuilnikkers
Daaronder noteerde hij:
- Mensen naar het bos lokken.
2. Bruikbaar materiaal verzamelen.
3. Het bos schoonhouden.
4. Niet gearresteerd worden.
Het vierde punt onderstreepte hij tweemaal.
Daarna keek hij lange tijd naar het papier.
“Een slecht plan,” zei hij uiteindelijk. “Maar wel een plan.”
Hoofdstuk 2 – De vrienden van gezellig buiten zijn
De volgende ochtend begon Herman aan de voorbereiding. Hij had nauwelijks geslapen, omdat hij voortdurend aan ingestorte blikjeshuizen, ongelukkige Vuilnikkers en dat meisje met haar dennenappel had gedacht.
Zijn eerste idee was eenvoudig: hij zou een groot bord bij de ingang van het bos zetten met de tekst Gooi hier uw afval voor een goed doel. Na enkele minuten besefte hij dat dit waarschijnlijk zou eindigen met kapotte meubels, lekkende vuilniszakken en minstens één oude koelkast.
Hij streepte het idee door.
Daarna overwoog hij om bij alle inwoners van het dorp persoonlijk schoon verpakkingsmateriaal te gaan ophalen. Ook dat idee verdween snel. Mensen stelden vragen, en “ik lever het aan een geheim volk van kleine afvalwezens” was geen antwoord dat vertrouwen wekte.
Uiteindelijk besloot Herman iets te organiseren. Waar mensen samenkwamen, verschenen vanzelf lege doosjes, dopjes en verpakkingen. Als hij ervoor zorgde dat alles netjes werd ingezameld, kon hij de Vuilnikkers helpen zonder het bos te vervuilen.
Hij ontwierp een poster op zijn computer:
GROOTSE WANDELTOCHT!
Ontdek het mysterieuze Elzenbos!
Gratis koek en limonade aan het einde!
Voor kinderen, ouders en mensen die per ongeluk meegaan!
Onderaan schreef hij dat de tocht werd georganiseerd door de vereniging Vrienden van Gezellig Buiten Zijn.
Die vereniging bestond niet, maar Herman maakte er een behoorlijk overtuigend logo voor: een lachende wandelschoen onder een groene boom. De schoen leek volgens hem eerder geschrokken dan blij, maar na drie mislukte pogingen vond hij het goed genoeg.
Hij hing posters op bij de supermarkt, de bakker, het gemeentehuis en de krantenwinkel. Bij die laatste kocht hij eindelijk de krant die hij de dag voordien had willen halen. Tegen de tijd dat hij thuis was, was hij te moe om ze te lezen.
Twee dagen later keerde Herman terug naar het verborgen dorp. Ditmaal nam hij een kompas, een zaklamp, drie boterhammen en een rol rood touw mee. Hij bond het touw aan verschillende bomen zodat hij de weg naar huis zou terugvinden.
De eigenwijze eekhoorn verscheen opnieuw, beet het eerste stuk touw los en sleepte het naar een struik.
Herman keek het dier zwijgend aan.
“Wij gaan ooit een ernstig gesprek voeren.”
In het dorp werd hij als een belangrijk staatshoofd ontvangen. Burgemeester Plof stond op de trappen van het broodroostergemeentehuis. Naast hem stonden twee wachters met opgepoetste colablikjes.
“Onze redder is teruggekeerd!” riep Plof.
“Ik ben nog altijd bezig met het redding gedeelte.”
Herman legde zijn plan uit. Plof luisterde aandachtig en liet ondertussen een secretaris aantekeningen maken op de achterkant van een oud prijskaartje.
“Dus de mensen brengen materiaal naar een verzamelplaats,” zei Plof. “En daarna brengt u het hier?”
“Precies. Alleen schoon materiaal. Ik wil geen voedselresten, scherpe voorwerpen of gevaarlijke rommel in het bos.”
“Een verstandig besluit. Vorig jaar vonden we een halfvol blik bonen. De gevolgen waren verschrikkelijk.”
Herman besloot niet naar de details te vragen.
Samen maakten ze een lijst van wat het dorp het dringendst nodig had. Doorzichtig plastic voor schoolramen. Stevige yoghurtdeksels voor daken. Dopjes voor wielen en tafels. Elastiekjes voor verbindingen. Kartonnen doosjes voor binnenmuren. Plastic lepels voor balken en bruggen.
“En snoeppapiertjes,” voegde Plof eraan toe.
“Zijn die noodzakelijk?”
“De gordijnen van het gemeentehuis zijn beige. Niemand kan op die manier behoorlijk besturen.”
Tijdens de rondgang kwamen ze opnieuw langs het meisje met de dennenappel. Ze zat voor haar huis en probeerde twee ronde kastanjes aan een takje te bevestigen.
“Wat maak je?” vroeg Herman.
“Een step.”
“Dat wordt moeilijk zonder assen.”
“Wat zijn assen?”
Herman hurkte naast haar neer en tekende met een takje een eenvoudig ontwerp in de aarde. Het meisje luisterde aandachtig.
“Met twee knopen en een stevig stukje plastic zou het kunnen lukken,” zei hij.
“Brengt u die mee?”
“Ik zal mijn best doen.”
Het meisje knikte ernstig. Voor haar was het blijkbaar geen gewone belofte.
Op zondagochtend arriveerde Herman een halfuur te vroeg bij de ingang van het Elzenbos. Hij droeg zijn jas met de vele zakken, stevige schoenen en een fluitje om zijn nek. Hij wist niet precies waarom hij het fluitje had meegenomen, maar het gaf hem een zeker gezag.
Hij verwachtte hooguit vijftien deelnemers.
Er kwamen er vijfenveertig.
Gezinnen met kinderen verzamelden zich bij het informatiebord. Twee gepensioneerde zussen hadden wandelstokken, rugzakken en voldoende proviand bij zich om een kleine expeditie te overleven. Een groepje joggers sprong voortdurend op en neer om warm te blijven. Een jongen vertelde iedereen dat hij alleen was meegekomen omdat er “gratis” op de poster stond.
Achteraan stond een man met een opgevouwen tuinstoel.
“Waar is de barbecue?” vroeg hij.
“Er is geen barbecue.”
“Maar er staat gratis koek.”
“Dat is iets anders.”
De man dacht daar even over na en besloot toch mee te gaan.
Herman klom op een lage boomstronk.
“Welkom bij de eerste wandeling van de Vrienden van Gezellig Buiten Zijn,” begon hij. “Vandaag ontdekken we samen het Elzenbos. Blijf op de paden, geniet van de natuur en ga niet in discussie met eekhoorns. Ze zijn koppiger dan ze eruitzien.”
De deelnemers lachten aarzelend.
Herman blies op zijn fluitje. Het geluid was veel harder dan verwacht. Drie vogels vlogen verschrikt uit een boom en een peuter begon te huilen.
“Dat gebruiken we voortaan alleen bij noodgevallen,” zei Herman.
De groep vertrok. Herman leidde hen langs een beekje, een kleine heuvel en een open plek waar zonlicht door de wolken brak. Hij vertelde wat hij wist over het bos en verzon overtuigend klinkende uitleg wanneer hij iets niet wist.
“Waarom groeit er mos aan die kant van de boom?” vroeg een jongen.
“Omdat het aan de andere kant te druk was.”
De moeder van de jongen fronste, maar het kind leek tevreden.
Na ruim een uur naderden ze het verborgen gebied van de Vuilnikkers. Herman hield de groep zorgvuldig op het gewone pad. Tussen de struiken zag hij af en toe een puntig oor of een glimmend flessendophelmpje verschijnen.
De Vuilnikkers hielden zich stil.
Toen waaide er een lege chips zak uit een rugzak.
Het ding danste enkele meters door de lucht en landde tussen de varens. Meteen schoten drie Vuilnikkers uit hun schuilplaats. Ze grepen de zak en sleepten hem weg voordat iemand iets merkte.
Even later rolde een sportdrankdop van het pad. Burgemeester Plof dook er persoonlijk achteraan.
“Een blauwe!” hoorde Herman hem fluisteren. “En nog bijna onbeschadigd!”
Een servetje ontsnapte uit een picknicktas. Een plastic lepeltje viel uit de zak van een kind. Iemand verloor een elastiekje. Voor de wandelaars waren het onbelangrijke voorwerpen, maar in de struiken werd iedere vondst met ingehouden gejuich ontvangen.
Een oude Vuilnikker kreeg tranen in zijn ogen toen hij het elastiekje zag.
“Die kwaliteit maken ze tegenwoordig bijna niet meer,” fluisterde hij.
Hoewel zijn plan leek te werken, voelde Herman zich ongemakkelijk. Dit mocht geen uitnodiging worden om rommel achter te laten. Hij raapte zelf een leeg snoeppapiertje op dat midden op het pad lag en stopte het in een van zijn jaszakken.
Het grootste deel van het materiaal moest aan het einde van de wandeling worden verzameld. Daarvoor had hij een tweede verrassing voorbereid.
Op een open plek stonden verschillende grote bakken onder een bord:
KNUTSELWEDSTRIJD VOOR KINDEREN
BOUW IETS GEKS VAN SCHOON AFVALMATERIAAL!
Daarnaast stonden tafels met plakband, touw, kind veilige scharen en voorbeelden van bruikbare verpakkingen. Herman had de deelnemers vooraf gevraagd enkele gewassen potjes, doppen en doosjes mee te brengen, zogenaamd voor een milieuvriendelijke activiteit.
De kinderen vonden het fantastisch.
Binnen enkele minuten lagen de tafels vol wc-rolletjes, yoghurtbekers, flessendoppen en kartonnen verpakkingen. Een meisje bouwde een raket. Twee broers maakten een monster met zeven ogen. Een peuter plakte zoveel doppen op een doos dat niemand meer kon zien wat het moest voorstellen.
“Een tractor,” verklaarde hij.
De man met de tuinstoel maakte een toren van papieren bekertjes.
“Moderne architectuur,” zei hij toen iemand vroeg wat het was.
De volwassenen vonden de activiteit leerzaam. De kinderen vonden haar vooral heerlijk rommelig. Herman wandelde tussen de tafels, gaf advies en verzamelde het overgebleven materiaal in afzonderlijke bakken.
Het meisje met de raket won de eerste prijs. Het doppenmonster werd tweede. De bekertjestoren kreeg de derde prijs, al vermoedde Herman dat de maker zichzelf als jurylid had beschouwd.
Toen iedereen naar huis ging, bleven vijf volle bakken achter. Er waren dopjes, doosjes, doorzichtige verpakkingen, knopen, elastiekjes, plastic lepels, lege tubes, kurken en zorgvuldig gewassen potjes.
Herman keek naar de buit.
Hij had de Vuilnikkers beloofd materiaal te brengen.
Hij had alleen niet nagedacht over het gewicht.
Hoofdstuk 3 – De nacht van de grote levering
Die avond keerde Herman met een oude kruiwagen naar het bos terug. In de kruiwagen stonden twee bakken. De overige drie had hij in zijn schuur verstopt, omdat hij geen zin had aan de buren uit te leggen waarom hij midden in de nacht met een berg yoghurtdeksels vertrok.
Hij droeg een zaklamp op zijn hoofd, een thermosfles koffie onder zijn arm en het uiteinde van een nieuw rood touw in zijn hand. Ditmaal had hij het touw ingesmeerd met citroensap, omdat hij ergens had gelezen dat eekhoorns daar niet van hielden.
De eigenwijze eekhoorn zat al op hem te wachten.
Het dier rook aan het touw, keek beledigd naar Herman en beet het alsnog door.
“Ik bewonder je volharding,” zei Herman. “Dat maakt je niet minder vervelend.”
De kruiwagen reed moeilijk over de boomwortels. Bij iedere hobbel rammelden de dopjes en potjes tegen elkaar. Halverwege bleef het wiel steken in de modder. Herman duwde, trok, vloekte zachtjes en dronk daarna koffie om te doen alsof alles onder controle was.
Toen hij eindelijk de oude eik bereikte, sprongen tientallen Vuilnikkers uit de struiken.
“Hij is gekomen!”
“Er zit doorzichtig plastic bij!”
“Ik ruik puddingpotjes!”
“Dat hoop ik niet,” zei Herman. “Ze zijn gewassen.”
Burgemeester Plof liep voor de menigte uit. Hij droeg een ceremoniële ketting van paperclips en een hoge hoed die gemaakt was van een opgerold stuk karton.
“Vriend Herman,” sprak hij plechtig, “u hebt ons meer gebracht dan wij durfden te dromen.”
“Dit is nog maar de eerste lading.”
De burgemeester werd bleek. “Nog meer?”
“Nog drie bakken.”
Een oude Vuilnikker viel flauw van geluk.
De inhoud van de kruiwagen werd naar het dorpsplein gedragen. Voor de kleinste materialen vormden de inwoners menselijke kettingen. Dopjes gingen van hand tot hand. Voorwerpen die voor Herman bijna niets wogen, moesten soms door vier Vuilnikkers tegelijk worden gedragen.
Een doorzichtig plastic deksel werd onder luid applaus naar de school gebracht. Een groep bouwvakkers inspecteerde de yoghurtdeksels en discussieerde onmiddellijk over de beste dakconstructie. De oude timmerman die eerder met een steen op een takje had geslagen, omhelsde een plastic lepel.
“Ik kan weer werken,” snikte hij.
Herman maakte die nacht nog twee tochten. Bij de laatste lading zat een lege tube tandpasta. De Vuilnikkers droegen hem zingend door de straten, hoewel niemand precies wist waarvoor ze hem zouden gebruiken.
Tegen de tijd dat alles in het dorp was aangekomen, begon de hemel lichter te worden. Herman zat uitgeput tegen de oude eik. Zijn thermosfles was leeg en zijn schoenen waren opnieuw met modder bedekt.
Op het plein werd ondertussen al gebouwd.
De Vuilnikkers werkten razendsnel. De timmerlieden maakten stevige verbindingen met elastiekjes. Nieuwe daken werden uit yoghurtdeksels gesneden. Het ingestorte schuurtje kreeg wanden van cd-hoesjes en steunbalken van plastic lepels. De school kreeg heldere ramen waardoor voor het eerst echt daglicht naar binnen viel.
Het kleine meisje stond naast Herman. In haar handen hield ze twee knopen en een tandenborstelkop.
“U hebt het onthouden,” zei ze.
“Een belofte is een belofte.”
Samen met een Vuilnikkerbouwer maakte ze een kleine step. Een stukje stevig plastic vormde de plank. Twee dunne metalen pennetjes dienden als assen. De knopen werden wielen en de steel van de tandenborstel veranderde in een stuur.
Toen de step klaar was, reed het meisje drie keer rond het plein. Bij de vierde ronde botste ze tegen een leeg pepermuntdoosje, maar ze stond onmiddellijk weer op.
“Dit is echt speelgoed!” riep ze.
“En de dennenappel?” vroeg Herman.
“Die bewaar ik voor noodgevallen.”
Burgemeester Plof beklom de trappen van het broodroostergemeentehuis. Hij tikte met een lepeltje tegen een leeg potje totdat iedereen stil werd.
“Vuilnikkers,” begon hij, “vandaag is een dag die wij nooit zullen vergeten! Niet omdat we hem netjes gaan opschrijven, want papier is schaars, maar omdat wij hem luid zullen navertellen tot iedereen er genoeg van heeft!”
De inwoners juichten.
“Onze huizen zullen opnieuw stevig zijn. Onze kinderen zullen opnieuw met voorwerpen kunnen spelen die wielen, klepjes en onnodig felle kleuren bezitten. En dat alles dankzij Herman, de reus die verkeerd liep maar juist handelde!”
Twee wachters brachten een medaille van aluminiumfolie. Een derde kwam met een officiële sleutel van het dorp, gemaakt van een omgebogen paperclip.
Daarna verscheen een vierde Vuilnikker met een erehelm van een pindakaaspotdeksel.
“Die gaat nooit passen,” zei Herman.
“Het is een symbolische helm.”
Met enige moeite zette Herman hem boven op zijn hoofd. Hij bleef daar ongeveer drie seconden liggen en viel vervolgens over zijn oor.
De Vuilnikkers applaudisseerden alsof dit onderdeel van de ceremonie was.
“Vanaf vandaag bent u ereburger van het Elzenbos,” verklaarde Plof.
Herman bekeek zijn medaille. Het was zonder twijfel het goedkoopste en tegelijkertijd het bijzonderste ereteken dat hij ooit had gekregen.
“Dank u,” zei hij. “Maar we zijn er nog niet.”
Het gejuich verstomde.
“Deze voorraad helpt jullie voorlopig. Als we willen dat het dorp blijft bestaan, hebben we een vaste oplossing nodig. En jullie kunnen niet volledig afhankelijk blijven van wat mensen weggooien.”
Plof trok aan zijn snor. “Bedoelt u dat wij natuurproducten moeten gebruiken?”
“Voor sommige dingen wel.”
Er klonk onrustig gemompel.
“Geen paniek,” zei Herman. “Ik heb het niet over huizen die volledig uit nat mos bestaan. Maar hout, schors, kastanjes en dennenappels kunnen nuttig zijn als je ze goed combineert met het ingezamelde materiaal.”
Het meisje hield haar step stevig vast. “Dennenappels hebben geen wielen.”
“Dat klopt, maar ze kunnen misschien wel als deurstopper dienen.”
Plof keek alsof Herman een gevaarlijke politieke theorie had verkondigd.
Voordat hij kon antwoorden, rolde in de verte de donder.
De Vuilnikkers keken naar de hemel. Donkere wolken trokken over het bos. De eerste regendruppels vielen op de bladeren.
“De westenstorm,” fluisterde een oude inwoner. “Die komt ieder najaar één keer door het dal.”
“Maar het is nog geen najaar,” zei Herman.
“Hij heeft een slecht tijdsbesef.”
De wind stak op. De takken boven het dorp bewogen heen en weer. Een leeg blikje rolde over het plein. De nieuwe daken waren nog niet overal vastgemaakt en verschillende huizen hadden slechts voorlopige steunbalken.
Plof sprong van de trappen. “Iedereen naar de werkplaatsen! Maak de daken vast! Breng de kinderen naar de school!”
Het dorp veranderde in een georganiseerde chaos. Vuilnikkers renden met touwen, elastiekjes en lepels heen en weer. Herman ging op zijn knieën zitten en hield een groot plastic dakdeel tegen terwijl de bouwers het aan een wortel bevestigden.
De regen werd heviger. Water stroomde tussen de huizen door. Een groep inwoners probeerde het tegen te houden met karton, maar het materiaal werd onmiddellijk slap.
“Gebruik takken!” riep Herman. “Maak een geul en leid het water rond het dorp!”
De Vuilnikkers aarzelden slechts een ogenblik. Daarna grepen ze stokken en stukken schors. Samen groeven ze een smalle afvoergoot. Kastanjes werden gebruikt om losse wanden te verankeren. Mos werd tussen kieren geduwd om de wind buiten te houden.
Het meisje plaatste haar dennenappel tegen de deur van de school. Daardoor bleef die open terwijl de laatste bewoners naar binnen vluchtten.
“Hij doet iets!” riep ze verbaasd.
De storm duurde bijna een uur. Herman lag op zijn buik naast de beek en hield een provisorische dam van takken en plastic op zijn plaats. Zijn jas was doorweekt. Het water liep langs zijn gezicht en zijn erehelm was al lang verdwenen.
Toen de regen eindelijk afnam, stond het dorp nog overeind.
Enkele dakdelen waren verschoven, maar geen enkel huis was ingestort. De nieuwe afvoergoot had het plein beschermd. Het mos hield de school warm en droog. De dennenappel stond nog steeds tegen de deur.
Plof stapte door de plassen en bekeek het resultaat.
“Misschien,” zei hij langzaam, “zijn natuurproducten niet volkomen nutteloos.”
“Dat is een historische uitspraak,” zei Herman.
“Schrijf hem niet op.”
“Natuurlijk niet. Papier is schaars.”
Voor het eerst die dag lachte de burgemeester zonder dat hij een toespraak hield.
Hoofdstuk 4 – Een dorp van twee werelden
In de weken die volgden, veranderde Hermans leven aanzienlijk. Voor zijn ontmoeting met de Vuilnikkers had hij zijn dagen gevuld met wandelen, koffie drinken, de krant lezen en zich ergeren aan apparaten die beweerden beter te weten waar hij naartoe wilde.
Nu organiseerde hij activiteiten.
Eén keer per maand hield hij een wandeling door het Elzenbos. Soms volgde daarop een knutselmiddag. Soms organiseerde hij een “toevallige picknick” waarvoor iedereen werd gevraagd schoon verpakkingsmateriaal mee te brengen. De vereniging Vrienden van Gezellig Buiten Zijn kreeg steeds meer deelnemers, hoewel Herman nog altijd het enige officiële lid was.
De mensen in het dorp vonden hem plotseling een milieubewuste organisator. De supermarkt gaf hem dozen met overgebleven promotiemateriaal. De bakker bewaarde schone verpakkingen. Een school vroeg hem zelfs een middag over recycling te komen vertellen.
Herman zei niet dat zijn belangstelling voor afval was begonnen bij een veertig centimeter lange burgemeester met een enorme snor.
In het verborgen dorp ging de vooruitgang snel. De huizen werden steviger, kleurrijker en minder tochtig. Doorzichtig plastic liet licht binnen. Daken van yoghurtdeksels hielden de regen tegen. Elastiekjes en paperclips vormden stevige verbindingen.
Tegelijkertijd gebruikten de Vuilnikkers steeds vaker materialen uit het bos. Dennenappels werden deurstoppers. Kastanjes veranderden in knopen, handvatten en sierbollen. Dunne takken bleken uitstekende steunbalken wanneer ze goed werden gedroogd. Mos was geen geschikt veranda dak, maar wel een bijzonder zacht vloerkleed.
Het meisje met de step werd een van de grootste voorstanders van deze nieuwe aanpak. Ze reed iedere ochtend naar school met een kastanje als fietsbel. De dennenappel die ze ooit zo nutteloos had gevonden, stond nu naast de deur van het klaslokaal.
Op school kwam een nieuw vak: Mensenkunde.
Tijdens de eerste lessen leerden de jonge Vuilnikkers waarom mensen “even gaan wandelen” zeiden en vervolgens halverwege klaagden over hun schoenen. Ze bestudeerden rugzakken, picknickgewoontes en het mysterieuze verschijnsel waarbij volwassenen een voorwerp weggooiden en een bijna identiek nieuw voorwerp kochten.
Herman werd uitgenodigd als gastdocent.
“Waarom hebben mensen zoveel verschillende dopjes?” vroeg een leerling.
“Omdat flessen verschillende openingen hebben.”
“Waarom hebben flessen verschillende openingen?”
“Dat weet ik niet.”
“Waarom zeggen grote mensen dan altijd dat zij alles weten?”
“Dat zeggen vooral grote mensen die weinig weten.”
De leerlingen schreven het aandachtig op.
Burgemeester Plof was tevreden met de vooruitgang. Hij liet een klein museum bouwen voor bijzondere menselijke vondsten. Het topstuk was een glimmende blauwe dop waarvan niemand wist op welke fles hij ooit had gezeten. De dop stond onder een doorzichtige verpakking op een sokkel van kurk.
Op het bordje stond:
DE BLAUWE DOP
PERIODE ONBEKEND
OORSPRONKELIJKE FUNCTIE WAARSCHIJNLIJK BELANGRIJK
Herman had geprobeerd uit te leggen dat het waarschijnlijk gewoon een dop van een sportdrank was. Plof had hem gevraagd de magie van het museum niet te bederven.
Toch bracht de nieuwe welvaart ook problemen met zich mee.
Sommige Vuilnikkers begonnen meer materiaal te verzamelen dan ze nodig hadden. Familie Prut stapelde puddingpotjes op tot tegen het dak. Een handelaar kocht alle rode doppen op omdat hij beweerde dat rood het volgende seizoen in de mode zou zijn. Twee buren kregen ruzie over het bezit van een beschadigde speelgoedlepel.
Op een ochtend trof Herman Burgemeester Plof aan tussen drie enorme stapels verpakkingen.
“We hebben een nieuwe crisis,” zei Plof.
“Een tekort?”
“Een overschot.”
Herman keek naar de stapels. “Dat is vooruitgang, denk ik.”
“Niet wanneer iemand tweeënveertig deksels in zijn badkamer bewaart.”
Samen richtten ze een centraal magazijn in. Materialen werden voortaan gesorteerd op soort en verdeeld volgens behoefte. Scherpe of onveilige voorwerpen werden geweigerd. Alles wat niet bruikbaar was, ging terug mee met Herman en werd op de normale manier gerecycleerd.
Plof stelde een officiële Commissie voor Verantwoord Dopgebruik aan. De commissie bestond uit zeven leden en vergaderde drie weken over de vraag of lichtblauw en donkerblauw in dezelfde bak mochten.
Herman loste het probleem op door de bakken naast elkaar te zetten.
“Besturen kan soms verrassend eenvoudig zijn,” zei hij.
“Zeg dat niet waar de commissie het kan horen,” fluisterde Plof. “Dan blijven ze nog langer vergaderen.”
Op een zaterdagmiddag bracht Herman een grote zak wijnkurken naar het dorp. Een restaurant uit de buurt had ze maandenlang verzameld voor een kunstproject dat uiteindelijk niet doorging.
De Vuilnikkers waren dolenthousiast.
Kurken waren licht, stevig en gemakkelijk te bewerken. Er waren er zoveel dat Burgemeester Plof besloot een nieuwe opslagplaats te laten bouwen. Het gebouw moest aan de rand van het dorp komen, tussen twee dikke boomwortels.
De bouwmeester tekende een eenvoudig rechthoekig ontwerp. Maar tijdens het stapelen van de eerste muren merkte iemand op dat ronde ramen mooier zouden zijn. Een ander stelde voor een trap toe te voegen, zodat het magazijn twee verdiepingen kon krijgen. Daarna kwam er een balkon, omdat een gebouw met een trap volgens de bouwers nu eenmaal een balkon verdiende.
Toen de muren klaar waren, klapte een timmerman in zijn handen om te controleren of alles stevig stond.
Het geluid galmde prachtig door de ruimte.
“Wat een akoestiek,” zei iemand.
Mevrouw Flens, die toevallig voorbijliep, kwam onmiddellijk naar binnen. Ze was een kleine maar opvallende Vuilnikker met een zwierige jurk van wijnetiketten en glanzende folie.
Ze zong één lange noot.
Het hele gebouw trilde mee. Buiten bleven inwoners staan luisteren. Toen de laatste echo wegstierf, pinkte een oude Vuilnikker een traan weg.
“Dit is geen opslagplaats,” verklaarde Mevrouw Flens. “Dit is een operahuis.”
De bouwmeester wilde protesteren, maar iemand had ondertussen al rode wikkels als toneelgordijnen opgehangen. Een groep muzikanten bracht instrumenten van elastiekjes en blikjes binnen. Voor Plof begreep wat er gebeurde, waren de eerste repetities begonnen.
Dat veroorzaakte een praktisch probleem. Een aantal van de wijnkurken die in het gebouw opgeslagen moesten worden, waren in de muren verwerkt. Het dorp had dus nog steeds geen opslagplaats.
Er was ook een tweede probleem.
Mevrouw Flens repeteerde iedere avond.
Haar stem droeg ver door het bos. Vogels veranderden van slaapplaats. Een das verliet tijdelijk zijn burcht. Zelfs de eigenwijze eekhoorn keek tijdens de hoge noten bezorgd naar de bomen.
Plof probeerde haar vriendelijk te vragen iets zachter te zingen.
Mevrouw Flens antwoordde dat ware kunst niet fluisterde.
De volgende ochtend stuurde de burgemeester een boodschapper naar Herman.
Het kleine wezentje vond hem aan de rand van het bos en kwam buiten adem aanrennen.
“Probleem!” riep hij. “Groot probleem!”
Herman schrok. “Wat nu? Tekort aan blikjes?”
“Nee. Overschot aan wijnkurken. We hebben per ongeluk een operahuis gebouwd.”
Herman zweeg even.
“Per ongeluk?”
“We wilden een opslagplaats maken. Maar toen kwam er een trap, daarna een balkon en nu repeteert Mevrouw Flens iedere avond.”
Uit de verte klonk een dramatische hoge noot. Enkele kraaien vlogen verschrikt uit een boom.
Herman zuchtte en ritste zijn jas dicht.
“Breng me ernaartoe.”
Hoofdstuk 5 – De opera onder de oude eik
Het operahuis was indrukwekkender dan Herman had verwacht. Het had ronde ramen, een sierlijke trap en een balkon dat rustte op zuilen van op elkaar gestapelde kurken. De ingang was versierd met aluminiumfolie en boven de deur hing een bord:
HET GROTE KURKTHEATER
Binnen stonden rijen zitplaatsen van flessendoppen. Op het toneel repeteerde Mevrouw Flens een aria, begeleid door drie Vuilnikkers die op elastiekjes tokkelden. Een vierde muzikant gebruikte een leeg conservenblik als trommel.
Mevrouw Flens droeg een nieuwe jurk van paarse wikkels. Haar stem vulde de zaal en liet het balkon licht trillen.
“Hoort u dat?” fluisterde Burgemeester Plof.
“Dat het balkon trilt?”
“Nee, de zuiverheid van haar hoogste noot.”
“Het balkon trilt.”
Plof keek omhoog. “Nu u het zegt.”
Herman inspecteerde het gebouw. De kurken muren waren stevig, maar sommige verbindingen waren haastig gemaakt. Het balkon was vooral decoratief en duidelijk niet berekend op een zaal vol enthousiaste Vuilnikkers.
“Hier mag niemand zitten totdat dit verstevigd is.”
“Maar vanavond is de première,” zei Plof.
“Dan stellen jullie die uit.”
Mevrouw Flens stopte midden in haar aria.
“Uitstellen?” vroeg ze. Het woord klonk bij haar als een persoonlijke belediging. “Kunst laat zich niet uitstellen.”
“Een instortend balkon is ook slecht voor de voorstelling.”
“Het zou dramatisch zijn.”
“Dat is niet hetzelfde als goed.”
Mevrouw Flens zette haar handen in haar zij. “Het hele dorp kijkt hier al weken naar uit.”
Buiten stond inderdaad een menigte. Kinderen droegen feestelijke dophelmen. Oude Vuilnikkers hadden hun beste snoeppapieren jasjes aangetrokken. De timmerlieden die het gebouw hadden gemaakt, keken trots naar hun werk.
Herman besefte dat hij de première niet zomaar kon schrappen. Het operahuis was meer dan een uit de hand gelopen opslagplaats. Enkele maanden geleden hadden de Vuilnikkers gevreesd voor hun voortbestaan. Nu hadden ze voldoende veiligheid en materiaal om tijd aan muziek en kunst te besteden.
Dat verdiende gevierd te worden.
“Goed,” zei hij. “De voorstelling gaat door, maar eerst verstevigen we het balkon.”
Iedereen ging aan het werk. Takken uit het bos werden gebruikt als steunbalken. Elastiekjes hielden de verbindingen op hun plaats. Plastic lepels vormden dwarsverbindingen en stukken kurk dempten de beweging.
Het meisje met de step bracht kastanjes waarmee de voet van iedere balk werd vastgezet.
“Zonder natuurproducten was dit nooit gelukt,” merkte Herman op.
Burgemeester Plof keek om zich heen om te controleren of niemand hem hoorde.
“Dat hoeft niet tijdens mijn officiële toespraak vermeld te worden.”
Tegen de avond was het gebouw veilig. De inwoners stroomden naar binnen en namen plaats op de doppenstoelen. Herman kreeg een ereplaats vooraan. Omdat de stoelen veel te klein voor hem waren, zat hij buiten voor een open raam.
Plof beklom het podium.
“Vuilnikkers,” begon hij, “en onze uitzonderlijk grote ereburger. Nog niet zo lang geleden dachten wij dat onze samenleving ten einde liep. Onze huizen stortten in. Onze voorraadkamers waren leeg. Onze kinderen moesten spelen met voorwerpen die rechtstreeks uit bomen kwamen.”
Er klonk geschokt gemompel bij de oudere inwoners.
“Maar door samenwerking, vindingrijkheid en een zorgvuldig georganiseerd systeem van schoon materiaal hebben wij ons dorp gered. Wij hebben geleerd dat afval geen afval hoeft te blijven. En sommigen van ons hebben zelfs geleerd dat een dennenappel onder bepaalde omstandigheden een aanvaardbare deurstopper kan zijn.”
Het meisje naast het podium juichte het hardst.
“Vandaag openen wij niet alleen een operahuis. Wij vieren dat ons dorp opnieuw een toekomst heeft.”
Plof maakte een buiging en verliet het toneel.
De rode gordijnen van wikkels schoven open. Mevrouw Flens verscheen in het licht van drie kleine lampjes. De muzikanten zetten in.
Haar eerste aria vertelde over een eenzame dop die van zijn fles was gescheiden en na een lange reis een nieuw doel vond als wiel van een speelgoedkar. Het verhaal was volgens Herman iets te dramatisch voor een dop, maar de muziek klonk verrassend mooi.
De tweede aria ging over een yoghurtdeksel dat droomde van een leven als dakpan. Bij het refrein zong het halve publiek mee.
Tijdens het laatste lied stak buiten een zachte wind op. De takken boven het dorp bewogen, maar het operahuis bleef stevig staan. De natuurlijke steunbalken kraakten nauwelijks. De muren van kurk hielden de kou buiten en zorgden voor een warme klank.
Toen Mevrouw Flens haar laatste hoge noot zong, bleef het enkele seconden volledig stil.
Daarna barstte het applaus los.
Vuilnikkers sloegen dopjes tegen elkaar, stampten op de vloer en gooiden snippers van gekleurde verpakkingen in de lucht. Mevrouw Flens maakte zeven buigingen en begon aan een achtste totdat Plof voorzichtig het gordijn sloot.
Herman keek door het raam naar het feest. Hij voelde zich onverwacht trots. Hij had gedacht dat hij alleen wat materiaal zou inzamelen, maar ondertussen was er een blijvende samenwerking ontstaan.
Na de voorstelling ging hij met Plof op een wortel aan de rand van het dorp zitten. Voor hen glansden de daken in het maanlicht.
“U hebt ons gered,” zei de burgemeester.
“We hebben het samen gedaan.”
“Dat klinkt bescheidener, maar ik blijf bij mijn versie.”
“Jullie hebben ook iets belangrijks geleerd.”
Plof zuchtte. “Dat natuurproducten soms bruikbaar zijn?”
“Onder andere. Maar vooral dat jullie geen zwerfafval nodig hebben. Jullie hebben materiaal nodig dat verantwoord wordt ingezameld en opnieuw wordt gebruikt.”
De burgemeester knikte. “En wij gebruiken alleen wat we werkelijk nodig hebben.”
“Dat gedeelte moeten we nog wat oefenen.”
In de verte probeerde familie Prut een toren van puddingpotjes in haar huis te duwen.
“Wij zijn een volk in ontwikkeling,” zei Plof.
Het meisje kwam op haar step voorbijgereden. Aan het stuur hing haar oude dennenappel. Ze gebruikte hem nu als mandje voor kleine kastanjes.
“Een natuurproduct met een functie,” zei Herman.
Plof trok aan zijn snor. “Als dit zo doorgaat, krijgen we straks een Commissie voor Dennenappelzaken.”
“Hoeveel leden?”
“Minstens negen.”
“Dan moet je twee extra stoelen laten maken.”
“Ik zal rode doppen bestellen.”
Herman en Plof begonnen tegelijk te lachen.
Vanaf die avond werd het Kurktheater een vast onderdeel van het dorp. Mevrouw Flens gaf iedere maand een voorstelling. Soms zong ze opera, soms volksliederen en één keer voerde ze een experimenteel stuk uit dat uitsluitend bestond uit het ritmisch openen en sluiten van twaalf pepermuntdoosjes.
Herman begreep dat stuk niet, maar Plof noemde het vernieuwend.
De maandelijkse wandelingen gingen eveneens door. Kinderen uit het mensendorp leerden bouwen met hergebruikt materiaal. Volwassenen brachten schone verpakkingen naar de inzamelpunten. Wat de Vuilnikkers niet nodig hadden, werd gerecycleerd.
Niemand gooide bewust afval in het bos. Herman vertelde tijdens iedere wandeling dat een proper bos belangrijk was voor alle dieren en planten die er leefden. In de struiken luisterden de Vuilnikkers mee en knikten ernstig.
Het verborgen dorp groeide, maar verloor zijn bijzondere karakter niet. Het broodroostergemeentehuis bleef staan, ook nadat Plof een nieuwer gebouw had kunnen laten maken. De douchekopfontein werd hersteld. De blauwe dop bleef het topstuk van het museum.
Herman bleef ereburger. Bij officiële gelegenheden droeg hij zijn medaille van aluminiumfolie. De erehelm liet hij voortaan thuis, omdat het pindakaaspotdeksel zelfs na verschillende aanpassingen niet op zijn hoofd paste.
Ook zelf veranderde hij. Zijn dagen voelden niet langer zo grijs en nutteloos. Er was altijd wel een wandeling om voor te bereiden, een materiaalbak om te controleren of een Vuilnikkerprobleem op te lossen.
Niet alle problemen waren ernstig.
Soms ging het om een tekort aan paarse wikkels voor de toneelgordijnen. Soms had iemand een brug van lepels gebouwd die nergens naartoe leidde. Eén keer moest Herman bemiddelen in een ruzie over de vraag of een tandenborstelkop als voertuig of als meubelstuk geregistreerd moest worden.
En natuurlijk waren er altijd de eekhoorns.
Op een grijze woensdagmiddag, precies een jaar nadat hij voor het eerst het verborgen pad had gevonden, wandelde Herman opnieuw door het Elzenbos. Zijn telefoon vertelde hem dat hij naar rechts moest, maar hij ging naar links.
Bij de oude eik zat de eigenwijze eekhoorn op hem te wachten. Het dier hield iets blauws tussen zijn voorpoten.
Herman bleef staan.
“Dat is toch niet…”
De eekhoorn liet de glimmende blauwe dop vallen en rende weg.
Even later klonk er vanuit het verborgen dorp een paniekerige stem.
“Het museum is beroofd!”
Herman raapte de dop op en stopte hem in een van de vele zakken van zijn jas.
“Rustig maar,” riep hij terwijl hij tussen de wortels door naar het dorp liep. “Ik heb het topstuk gevonden.”
Burgemeester Plof kwam hem tegemoet, gevolgd door twee wachters en een volledige onderzoekscommissie.
“Waar was hij?”
“Bij de eekhoorn.”
Plof keek geschokt naar de bomen. “Een internationale kunstdiefstal.”
“Hij woont twintig meter verderop.”
“Voor ons is dat internationaal.”
Vanuit het Kurktheater klonk de stem van Mevrouw Flens. Ze repeteerde een nieuwe aria over een gestolen museumstuk en een heldhaftige reus met slechte richtingszin.
Herman gaf de dop terug aan de burgemeester.
“Misschien moeten jullie de beveiliging verbeteren.”
“Uitstekend idee. Kent u toevallig een goed bouwmateriaal?”
Herman haalde een zak schone dopjes uit zijn jas.
“Daarom ben ik hier.”
Samen liepen ze naar het dorp. Rondom hen glansden de kleurrijke huisjes tussen de wortels en varens. Kinderen reden op zelfgemaakte steps. Bouwers combineerden takken met plastic deksels. Muzikanten stemden hun elastiekjes voor de avondvoorstelling.
Herman keek omhoog naar de hoge bomen van het Elzenbos. Een jaar geleden had hij alleen de krant willen halen. Hij was verkeerd gelopen, in de modder gevallen en met een eekhoorn in discussie geraakt.
Het was zonder twijfel de beste vergissing van zijn leven.
Reactie plaatsen
Reacties