Benny Verbinnen houdt van regelmaat. Een vers brood, een tas vol prei en een rustige wandeling door de stad: meer heeft de gepensioneerde aardrijkskundeleraar niet nodig om tevreden te zijn. Zijn grootste zorg is voorlopig de soep voor de jaarlijkse buurtverkoop.

Gustaaf en Norbert hebben heel andere zorgen. Hun verhuisbedrijf is mislukt, het geld is op en een duistere opdracht moet hen weer op de been helpen. Helaas beschikt Gustaaf over aanzienlijk meer zelfvertrouwen dan talent, terwijl Norbert steeds vaker vermoedt dat nadenken vóór het handelen misschien toch voordelen heeft.

Wanneer hun wegen die van Benny kruisen, verandert een gewone week in een aaneenschakeling van verdachte ontmoetingen en buitengewoon ongelukkige voorvallen. Van een muzikaal fiasco tot complete chaos op de markt: niets verloopt zoals bedoeld. En Benny? Die probeert vooral vriendelijk te blijven.

De Verkeerde Man is een komedie vol droge humor, klungelige plannen en misverstanden, waarin zelfs een eenvoudige boodschap doen onverwacht ingewikkeld kan worden.


1 De man met de grijze jas

Op de dinsdag waarop twee mannen besloten hem te vermoorden, maakte Benny Verbinnen zich vooral zorgen over de prei.

Er zat zand tussen de bladeren. Niet veel, maar genoeg om van zaterdag een onaangename ervaring te maken. Dan zou hij voor de jaarlijkse soepverkoop van de buurtvereniging twintig liter preisoep bereiden.

Hij was drieënzestig, gepensioneerd leraar aardrijkskunde en een man van regelmaat. Om halfnegen kocht hij brood, om kwart voor negen groette hij een duif op dezelfde vensterbank, en om negen uur stootte hij zich meestal aan het paaltje op de hoek van de Korte Hoevestraat.

Zijn zus Ria had voorgesteld zijn route aan te passen.

‘Ik heb vijfendertig jaar mensen leren kaartlezen,’ had Benny gezegd. ‘Ik ga me niet laten omleiden door straatmeubilair.’

Sinds zijn pensioen miste hij vooral de leerlingen. Niet de vergaderingen, waarin men soms veertig minuten nodig had om vast te stellen dat de vorige vergadering te lang had geduurd. Wel de onverwachte vragen.

Een jongen had ooit willen weten of je aan de onderkant van de wereld duizelig werd.

‘Er is geen onderkant,’ had Benny uitgelegd.

‘Waarom tekenen we die dan?’

Benny had hem een extra punt gegeven. Hij hield van mensen die iets opmerkten waaraan iedereen gewend was geraakt.

Die ochtend nam hij na het paaltje de weg naar het station. Daar hing een prikbord waarop hij een affiche voor de soepverkoop mocht aanbrengen. Hij droeg zijn grijze regenjas en had het brood onder zijn arm. De prei stak uit zijn boodschappentas als een klein, teleurgesteld bos.

Aan de overkant zaten Gustaaf en Norbert in een bestelwagen die vroeger wit was geweest. Op de flank stond nog hun oude bedrijfsnaam: GN VERHUIZINGEN. Daaronder had Gustaaf met plakletters DISCRETE OPLOSSINGEN aangebracht. De eerste O ontbrak, waardoor hun nieuwe dienstverlening vooral vragen opriep.

‘Dat is hem,’ zei Gustaaf.

Norbert keek naar het papier op zijn schoot.

‘Grijze jas. Rond negen uur bij het station. Initialen B.V.’

‘Drie overeenkomsten. Wetenschappelijk bewezen.’

‘Er staat ook: litteken op de linkerwang.’

‘Dat kan onder zijn snor zitten.’

‘Zijn snor zit onder zijn neus.’

Gustaaf dacht even na.

‘Hij zal hem verplaatst hebben. Zulke mensen zijn sluw.’

Hun verhuisbedrijf was ten onder gegaan aan een piano, een te smalle trap en Gustaafs stellige overtuiging dat meten een gebrek aan vertrouwen was. Sindsdien namen ze allerlei klussen aan. De meeste klanten wilden een kelder leeg of een kast naar boven. Leon Geerts, een aannemer met glanzende schoenen, had iets anders gevraagd.

Een man moest verdwijnen. Definitief.

Norbert had gevraagd of die man misschien naar het buitenland wilde verhuizen.

Leon had hem aangekeken tot de vraag vanzelf dom begon te klinken.

Daarna had hij een voorschot op tafel gelegd. Veel geld, zeker voor twee mannen die hun elektriciteitsrekening al een maand als boekenlegger gebruikten. Ze hadden aangenomen. Niet omdat ze ervaring hadden met moord, maar omdat Gustaaf beweerde dat elk beroep een eerste werkdag kende.

Nu rook Norbert het brood van hun vermeende slachtoffer door het open raam.

‘We kunnen het geld nog teruggeven.’

‘We hebben er al huur mee betaald.’

‘Dan geven we de rest terug.’

‘Dat is geen bedrijfsvoering.’

‘Wat wij doen ook niet.’

Gustaaf vouwde het papier dicht. De envelop met de overige documenten schoof hij in het handschoenenkastje, tussen oude facturen en een handleiding voor een koffiezetapparaat dat ze nooit hadden bezeten.

‘Een ongeluk,’ zei hij. ‘Dat is de oplossing. Een bloempot. Zwaartekracht. Geen persoonlijk contact.’

Het woord persoonlijk contact sprak hij uit alsof dat het onfatsoenlijke deel was.

Tegenover het station stond een huis waarvan de bovenverdieping werd geschilderd. De voordeur was open. Op het balkon stond een grote bloempot in een metalen houder. Gustaaf zag mogelijkheden. Norbert zag vooral dat ze drie trappen op moesten.

Toen een schilder vroeg wat ze kwamen doen, wees Gustaaf naar zijn bestelwagen.

‘Een discrete oplossing.’

‘Voor die oude kast boven?’

‘Onder andere.’

De schilder liet hen passeren. Hij was al blij dat iemand die kast wilde bekijken.

Benny bleef beneden staan om zijn affiche uit de tas te halen. Gustaaf pakte de bloempot vast. Die bleek aanzienlijk zwaarder dan een slecht voornemen.

‘Wacht,’ fluisterde Norbert. ‘Er loopt nog iemand.’

‘Zeg jij maar wanneer.’

Norbert keek over de rand. Benny stond nog steeds stil. Hij streek de affiche glad op zijn brood en zocht naar plakband.

‘Nu niet,’ zei Norbert.

Gustaaf hoorde alleen het eerste woord.

Hij trok aan de pot. De houder bleef vastzitten. Hij trok harder. Toen de pot eindelijk loskwam, stapte hij achteruit, stootte tegen een droogrek en ging zitten in een wasmand met natte lakens.

Norbert draaide zich geschrokken om. Zijn voet raakte een hark waarmee de schilder eerder een losgevallen doek naar zich toe had getrokken. De steel kwam overeind en tikte hem tegen zijn voorhoofd.

Het was geen zware tik. Wel een bijzonder duidelijke.

Beneden keek Benny omhoog.

‘Alles in orde?’

‘Werkzaamheden!’ riep Gustaaf vanuit de wasmand.

‘Dat hoor ik,’ zei Benny. ‘Vergeet niet af en toe pauze te nemen.’

Hij hing zijn affiche op. SOEP VOOR EEN WARME BUURT, stond erop. ZATERDAG, OUDE PAROCHIEZAAL.

Onderaan stonden zijn naam en telefoonnummer. Benny vond bereikbaarheid belangrijk, al vroeg Ria zich af waarom hij zelfs bij soep bereid was vragen te beantwoorden.

Een halfuur later zaten de mannen weer in hun bestelwagen. Gustaafs broek was nat. Norbert drukte een gevouwen zakdoek tegen zijn voorhoofd.

‘Zwaartekracht werkt,’ zei Norbert.

‘Dat heb ik toch gezegd?’

‘Alleen voorlopig aan de verkeerde kant.’

Gustaafs telefoon trilde. Een bericht van Leon: Hebben jullie de opdracht goed gelezen?

Gustaaf typte: Alles onder controle.

Norbert keek naar hem.

‘Welke controle?’

‘Je moet vertrouwen uitstralen.’

Op dat moment liep Benny voorbij, op weg naar huis. Hij herkende hun natte kleren en wees naar de achterdeur van de wagen.

‘Daar zit een laken tussen.’

Gustaaf keek in de spiegel. Een wit stuk stof sleepte over het asfalt.

‘Dat is materiaal,’ zei hij.

‘Dan zou ik het vastmaken,’ antwoordde Benny. ‘Voor het verdwijnt.’

Norbert wachtte tot hij buiten gehoorsafstand was.

‘Misschien moeten wij eens zo’n discrete oplossing voor onszelf zoeken.’

 

2 Cultuur en andere ongelukken

Woensdagochtend had Gustaaf een nieuw plan.

‘We moeten dichterbij komen.’

‘Gisteren wilde je juist geen persoonlijk contact.’

‘De sector ontwikkelt zich.’

Benny wandelde na zijn broodronde gewoonlijk over het Marktplein. Daar stond een fontein met een stenen burgemeester die al honderd jaar naar dezelfde kapotte straatkei wees. Achter het standbeeld kon Gustaaf zich verbergen. Norbert zou Benny lokken met muziek.

‘Waarom ik?’

‘Jij hebt een accordeon.’

‘Van mijn oom. Dat maakt mij geen muzikant.’

‘Ik heb een bestelwagen. Toch ben ik ondernemer.’

Dat vond Norbert moeilijk te weerleggen, al was het bewijs weinig bemoedigend.

Het plan hield in dat Benny naar de rand van de fontein zou komen. Wat daarna moest gebeuren, beschreef Gustaaf als een ongelukkige beweging. Norbert keek naar het water. Het was niet bijzonder diep.

‘Dit gaat toch niet werken?’

‘Je moet niet alles vooraf afbreken.’

Norbert zette een klapstoel neer en haalde de accordeon uit haar koffer. Hij kende drie akkoorden. Helaas niet in de juiste volgorde en evenmin met de zekerheid dat het werkelijk akkoorden waren.

De eerste klank deed een hond onder een marktkraam kruipen. De tweede zorgde ervoor dat de groenteboer zijn radio harder zette. Bij de derde ging ergens een raam dicht.

Benny bleef staan.

Hij was opgevoed met het idee dat je mensen die hun best deden niet zomaar voorbijliep. Bovendien meende hij Norbert te herkennen.

‘U was gisteren bij dat huis aan het station.’

Norbert drukte uit zenuwen nog een toets in.

‘Bijverdienste,’ zei hij.

‘Veelzijdig,’ vond Benny.

Achter het standbeeld stak Gustaaf zijn duim op. Norbert wenkte Benny met zijn hoofd naar de fontein. Benny interpreteerde dat als nekkramp.

‘Zal ik uw koffer wat dichterbij zetten? Dan hoeft u niet zo te draaien.’

Hij bukte zich. Gustaaf kwam uit zijn schuilplaats, precies op het moment waarop Norbert in paniek overeind wilde komen. Een band van de accordeon bleef aan de stoel hangen. Norbert trok aan de balg, het instrument gilde, en Gustaaf struikelde over de open koffer.

Zijn knie raakte de stoel. Norbert ging weer zitten, veel sneller dan bedoeld, met zijn vingers tussen een band en de rand van het instrument.

‘Auw!’

‘Mijn hemel,’ zei Benny. ‘Bent u gewond?’

‘Nee,’ piepte Norbert. ‘Ik groei muzikaal.’

Benny hielp hem het instrument af te nemen. Daarna gaf hij hem vijftig cent.

‘Voor een begin,’ zei hij vriendelijk.

Norbert keek naar het muntje alsof het zwaarder woog dan Leons voorschot.

‘Er ligt verderop al geld in uw koffer,’ zei Benny.

Norbert keek. De groenteboer had er een euro in gegooid en een briefje bij gelegd: VOOR DE PAUZE.

‘Dat is toch bemoedigend,’ zei Benny.

‘Hij bedoelt dat ik moet ophouden.’

‘Dan heeft u alvast een betalende luisteraar die duidelijk zegt wat hij wil. Daar kan menig artiest iets van leren.’

Norbert stopte Benny’s vijftig cent apart in zijn binnenzak. De euro liet hij liggen. Hij wilde nog even verschil kunnen maken tussen waardering en geluidsoverlast.

Gustaaf kwam overeind en veegde zijn jas af.

‘U bent zijn manager?’ vroeg Benny.

‘Onder andere.’

‘Dan zou ik hem voorlopig laten rusten.’

Toen Benny verderliep, legde Norbert de accordeon behoedzaam in haar koffer.

‘Hij hielp mij.’

‘Omdat hij niets vermoedt.’

‘Misschien omdat hij aardig is.’

‘Dat zijn geen zakelijke gegevens.’

Hun volgende poging had volgens Gustaaf niets met gevoel te maken. Benny bezat een blauwe fiets. Dat hadden ze dinsdag gezien toen hij thuis zijn boodschappentas in de schuur zette. De fiets stond tegen de deur, met een mand voorop.

Woensdag zagen ze een blauwe fiets met een mand achter de marktkramen.

‘Dezelfde,’ besloot Gustaaf.

‘Er zijn veel blauwe fietsen.’

‘En toch staat deze hier.’

Dat argument bleek voor Gustaaf sluitend.

Ze rommelden bij de remmen en trokken zich terug achter de bestelwagen. Norbert voelde zich inmiddels misselijk. Hij keek naar de straat, waar een kind aan de hand van zijn moeder overstak.

‘Gustaaf, als iemand anders—’

Te laat.

Een postbode met kuiten als eikenstammen kwam bij de fiets. Hij zette zijn tas in de mand en kneep, nog voor hij opstapte, in de remhendels.

Hij keek naar de kabel. Daarna keek hij rond.

‘Hé!’

Gustaaf en Norbert doken tegelijk achter de wagen. Helaas aan dezelfde kant, waar de postbode stond.

‘Wat hebben jullie met mijn fiets gedaan?’

‘Onderhoud,’ zei Gustaaf.

‘Dan begin ik met jullie onderhoud.’

De mannen vluchtten. Norbert botste tegen een lege fruitkist. Gustaaf greep een hoek van een kraam om zich staande te houden, trok het tafelkleed mee en kreeg een meloen tegen zijn buik. Twee andere meloenen rolden onder zijn voeten.

Hij ging zitten in een krat pruimen.

Norbert probeerde hem overeind te trekken. Daarbij verloor hij zijn evenwicht en landde naast hem.

De groenteboer sloeg zijn armen over elkaar.

‘Willen jullie hier blijven wonen, of gaan jullie betalen?’

De postbode belde de politie. Deze keer ging het niet om een ongelukkig optreden of slecht vastgemaakt textiel. Iemand had zijn fiets gevaarlijk gemaakt.

Benny kwam toevallig terug van de kruidenier. Hij zag de mannen tussen het fruit en herkende hen onmiddellijk.

‘U hebt inderdaad rust nodig,’ zei hij tegen Norbert.

Inspecteur De Wilde arriveerde terwijl Gustaaf nog pruimen uit zijn jas haalde. Ze noteerde hun namen, hoorde de postbode en keek naar de beschadigde fiets.

‘Waarom zaten jullie aan die remmen?’

‘We dachten dat het onze fiets was,’ zei Gustaaf.

‘Welke van jullie twee rijdt ermee?’

‘Afwisselend.’

‘En daarom beschadigen jullie hem?’

Norbert keek naar de grond.

Voor hun verdere verklaring moesten ze mee naar het bureau. Benny hielp intussen de groenteboer de onbeschadigde meloenen op te rapen.

‘Kent u die mannen?’ vroeg de inspecteur voordat ze vertrok.

‘Alleen van ongelukken,’ zei Benny.

De Wilde keek nog eens naar de twee.

‘Daar beginnen wij ze ook van te kennen.’

Die avond mochten ze na het verhoor vertrekken. Het onderzoek naar de sabotage liep door. Op de parkeerplaats bleef Norbert naast de wagen staan.

‘We moeten stoppen.’

Gustaaf antwoordde niet meteen. Zijn telefoon trilde opnieuw.

Leon vroeg waarom er nog geen resultaat was.

Voor het eerst straalde Gustaaf helemaal niets uit.

 

3 Honderd manieren met prei

Donderdag belde Ria bij Benny aan met een zak aardappelen en het gezicht van iemand die slecht nieuws zonder verpakking aanbood.

‘Ik hoor dat jij tegenwoordig rondloopt met twee gevaarlijke vrienden.’

‘Onhandige mannen,’ zei Benny. ‘Dat is iets anders.’

‘De postbode vertelt dat ze zijn remmen hebben vernield.’

‘Dat is inderdaad meer dan onhandig.’

Ria zette de aardappelen neer.

‘Als dezelfde mensen telkens vlak bij jou ongelukken krijgen, mag je dat best vreemd vinden.’

Benny dacht aan de natte broek, de accordeon en de pruimen.

‘Ik vind het vreemd.’

‘Goed. Je kijkt erbij alsof je het vooral sneu vindt.’

‘Dat ook.’

Ria zuchtte. Ze hield van haar broer, maar hij zou een ontvoerder waarschijnlijk bedanken voor de lift.

Hij beloofde beter op te letten. Toch ging hij die middag naar de tearoom. Niet omdat hij gevaar wilde trotseren, maar omdat hij er had afgesproken met mevrouw Hansen van de bibliotheek. Zij regelde vrijwilligers voor de soepverkoop. Benny nam haar planning mee naar huis.

Aan een tafeltje bij het raam zaten Gustaaf en Norbert.

‘Daar zijn ze weer,’ zei Benny.

Mevrouw Hansen keek over haar bril.

‘Wie?’

‘De veelzijdige mannen.’

Aan het andere tafeltje schoof Norbert een gebaksdoos terug naar Gustaaf.

‘Ik doe het niet.’

‘Je hoeft hem alleen aan te bieden.’

‘Er zit iets in.’

‘Daarom bieden we hem aan.’

Het plan was ontstaan na een telefoongesprek waarin Leon hun onbekwaamheid had besproken met een woordenschat die geen ruimte liet voor wedervragen. Gustaaf had daarop besloten dat Benny eerst uitgeschakeld moest worden. Hij had iets door de vulling van een éclair gedaan dat daar niet thuishoorde.

Norbert wilde niet weten hoeveel. Hij wilde dat het gebak in de vuilnisbak verdween.

De serveerster kwam met koffie. Gustaaf schoof de doos haastig opzij. Norbert probeerde haar tegelijk te pakken. De doos kantelde en de éclair viel eruit. Gustaaf ving hem met zijn hand op, waarbij een flinke streep room op zijn jas belandde.

‘Niet opeten,’ siste Norbert.

Maar Gustaaf deed precies wat hij sinds zijn kindertijd deed wanneer hij met gebak in zijn hand zenuwachtig werd: hij nam gedachteloos een hap.

Een ogenblik later verstijfde hij.

‘Welke was dit?’

Norbert keek hem aan.

‘De enige, Gustaaf.’

Ze vertrokken zonder hun koffie aan te raken. De rest van de middag bracht Gustaaf grotendeels op een toilet door. Norbert bleef aan de andere kant van de deur zitten. Toen zijn compagnon zich steeds beroerder voelde, belde hij om medisch advies en vertelde eerlijk wat er was gebeurd.

Het gesprek gaf geen enkele aanleiding tot trots.

‘Een mens kan niet eens meer bewijsmateriaal vernietigen,’ klaagde Gustaaf later.

‘Je hebt het alleen verplaatst,’ zei Norbert.

Later kocht Norbert water voor hem en wachtte tot hij weer wat kleur had. Gustaaf keek naar de fles.

‘Je bent toch niet boos?’

‘Jawel.’

‘Maar je zorgt voor mij.’

‘Dat zijn twee verschillende dingen.’

Gustaaf draaide de dop los. Hij wilde ertegenin gaan, maar kon geen antwoord vinden dat beter klonk dan een bedankje.

Dus bedankte hij hem.

Vrijdag voelde Gustaaf zich beter, maar dat was vooral lichamelijk. Norbert had de gebaksdoos weggegooid en weigerde nog iets met eten te doen.

‘Dan het park,’ zei Gustaaf. ‘Zonder hulpmiddelen.’

‘Behalve onszelf.’

‘Precies.’

‘Dat is tot nu toe het grootste probleem.’

Benny zat die ochtend op een bank bij de vijver, met een boodschappenlijstje op zijn knie. Naast hem lag zijn brood. Toen er een eend naderde, trok hij het wat verder weg.

‘Niet voor jou,’ zei hij. ‘Je hebt hier genoeg te eten.’

Verderop dreven twee zwanen met jongen. Benny hield afstand. Gustaaf en Norbert, die achter een struik overlegden, hielden alleen rekening met Benny.

Gustaaf wees naar de bank en vervolgens naar het water.

Norbert schudde zijn hoofd.

‘Hij zit drie meter van de oever.’

‘Dan nemen we aanloop.’

Op dat moment stond Benny op om een wegwaaiend boodschappenlijstje van het pad te pakken. De mannen kwamen achter de struik vandaan, botsten tegen het lege uiteinde van de bank en raakten hun evenwicht kwijt. Norbert greep Gustaafs jas. Gustaaf greep lucht.

Ze eindigden samen in het ondiepe water aan de rand.

Een zwaan kwam sissend dichterbij. Hij hoefde niet eens te pikken. Zijn houding was ruim voldoende om hun verblijf te beëindigen.

Benny stak vanaf het droge pad de steel van zijn paraplu uit. Norbert pakte hem vast. Gustaaf klom zelfstandig naar boven, met een pluk waterplanten op zijn hoofd.

‘Ik begin een patroon te zien,’ zei Benny.

‘Wat voor patroon?’ vroeg Gustaaf angstig.

‘Jullie beginnen aan dingen voordat jullie nadenken.’

Norbert bleef even zitten.

‘U hebt gelijk.’

Ditmaal zei hij het zonder daarna op Gustaafs toestemming te wachten.

Benny ging naar de bibliotheek om drie atlassen terug te brengen. De mannen volgden hem op afstand. Gustaaf wilde nog één poging doen. Daarna, beloofde hij, zouden ze opnieuw overleggen.

Norbert ging mee, vooral omdat hij bang was voor wat Gustaaf alleen zou verzinnen.

In de bibliotheek wees Gustaaf naar een rij dikke encyclopedieën.

‘Boeken. Zwaar. Stil. Maatschappelijk aanvaard.’

‘Wij horen hier dus niet bij.’

Mevrouw Hansen verscheen tussen twee kasten.

‘Dat laatste begint juist te klinken.’

Gustaaf sprong opzij. Norbert, die al op een bibliotheektrapje stond, hield een deel van de encyclopedie tegen zijn borst. Hij keek alsof hij betrapt was met een volledige misdaadgeschiedenis.

‘Wat zoeken jullie?’ vroeg ze.

‘Bergen,’ zei Norbert.

‘Dan moet u bij aardrijkskunde zijn,’ zei Benny, die achter haar kwam staan.

Gustaaf trok aan Norberts mouw. De encyclopedie gleed uit diens handen en viel op de rand van een boekenkar. Het karretje rolde tegen Gustaafs scheenbeen. Hij zakte door zijn knieën en greep een plank met dunne kookboekjes.

Er vielen er zes.

Mevrouw Hansen bleef volkomen stil. Dat maakte meer indruk dan schreeuwen.

Benny raapte een boekje op.

‘Honderd manieren met prei,’ las hij. ‘Dat komt goed uit.’

Hij leende het. Mevrouw Hansen schreef intussen de namen van de mannen op, vroeg hen te vertrekken en belde daarna inspecteur De Wilde.

Mevrouw Hansen legde het telefoonnummer van inspecteur De Wilde op de balie. Benny stopte het briefje in zijn jaszak.

 

4 De rekening voor de vergissing

Vrijdagavond zat Norbert in de bestelwagen en telde het geld dat van Leons voorschot over was.

Het resultaat werd er niet beter op als hij opnieuw begon.

‘Honderdzesentachtig euro,’ zei hij.

‘We hebben onkosten gehad.’

‘We hebben een fruitafdeling vergoed.’

Gustaaf zat naast hem met een koele doek op zijn scheenbeen. Hij had een laatste idee genoemd: schoenen poetsen bij het station. Benny had ooit gezegd dat hij zijn schoenen daar liet verzorgen.

‘En dan?’ had Norbert gevraagd.

‘Veters.’

‘Gustaaf, een mens vermoorden met veters is geen bedrijfsplan. Het is een reden om hulp te zoeken.’

Nu rommelde Norbert in het handschoenenkastje naar hun kasboek. Hij vond de envelop van Leon. Er zat nog een blad in.

Bovenaan stond een naam.

BRUNO DE WALE.

Daaronder een heldere foto van een gladgeschoren man met een zichtbaar litteken op zijn linkerwang.

Er stond bij dat De Wale Leons voormalige boekhouder was. Hij had onregelmatigheden ontdekt en beschikte over belastende documenten.

Norbert legde het blad op Gustaafs knieën.

‘Wie is dat?’ vroeg Gustaaf.

‘De man die we moesten volgen.’

‘Nee, dat is de man op de foto.’

Norbert zweeg.

Gustaaf keek opnieuw.

Een vrachtwagen reed voorbij. Ergens werd een rolluik neergelaten. Het duurde lang genoeg om te merken hoeveel geluid een stilte kon bevatten.

‘Hij heeft geen snor,’ zei Gustaaf uiteindelijk.

‘Inderdaad.’

‘Misschien een oude foto.’

‘En een andere naam. En een ander gezicht.’

‘Initialen zijn gelijk.’

Norbert haalde zijn telefoon tevoorschijn. Dinsdag had hij bij het station een foto van de soepaffiche gemaakt, om te weten waar hun vermeende doelwit zaterdag zou zijn. Onderaan stond: Contact: Benny Verbinnen.

Gustaaf keek van de foto op het papier naar die op de telefoon.

‘Dat verklaart waarom hij zo weinig op een boekhouder leek.’

‘Je vond gisteren dat hij zich goed vermomde.’

Gustaaf legde zijn hoofd tegen de rugleuning.

‘We hebben de verkeerde man.’

Norbert keek door de voorruit.

‘En voor de juiste hadden we het ook niet mogen doen.’

Deze keer kwam er geen antwoord over bedrijfsvoering.

Ze hadden geweten wat Leon bedoelde. Ze hadden het geld aangenomen. Hun onbekwaamheid had ernstige gevolgen voorkomen, maar dat maakte hun keuzes niet onschuldig. Norbert dacht aan de postbode, aan het kind op de markt en aan Benny’s uitgestoken paraplu.

‘Ik wil stoppen,’ zei hij. ‘Echt stoppen.’

Gustaaf knikte.

Hij pakte zijn telefoon en zocht het nummer dat hij als BAAS had opgeslagen. Een week eerder had hij bij het overschrijven twee cijfers verwisseld. Tot dan toe had Leon telkens zelf gebeld of berichten gestuurd.

‘Bloemenhuis De Lelie, waarmee kan ik u helpen?’

Gustaaf hoorde alleen de laatste woorden.

‘Wij stoppen ermee.’

‘Met wat precies?’

‘Met het duistere pad.’

Aan de andere kant viel een beroepsmatige stilte.

‘Dan raad ik iets lichts aan. Witte chrysanten, bijvoorbeeld.’

‘U neemt het goed op.’

‘Verandering kan mooi zijn, meneer.’

Gustaaf hing op.

Norbert keek hem aan.

‘Dat was een bloemist.’

‘Denk je?’

‘Hij heeft geen enkele keer gedreigd.’

Dat overtuigde Gustaaf onmiddellijk.

Uit schaamte, angst en het ontbreken van een beter idee reden ze naar Benny. Hij deed open met een schort voor en een vergiet in zijn hand.

‘Jullie weer. Kom binnen, maar veeg je voeten. Er ligt al genoeg zand.’

Ze gingen aan de keukentafel zitten. Gustaaf begon drie keer aan een zin. Norbert nam het van hem over.

‘Wij moeten u iets vertellen. En daarna moet u de politie bellen.’

Het duurde twintig minuten. Benny onderbrak hen slechts eenmaal.

‘Mijn fiets heeft geen mand.’

Daarna luisterde hij verder.

Toen Norbert zweeg, legde Benny het vergiet neer. Heel voorzichtig, alsof ook dat geluid nu te groot kon zijn.

‘Jullie wilden mij doden.’

Gustaaf keek naar zijn handen.

‘Ja.’

‘Omdat jullie dachten dat ik iemand anders was.’

‘Ja.’

Benny stond op. Hij was bleek. Hij liep naar het aanrecht, keek naar de netjes gesneden prei en merkte tot zijn verbazing dat hij boos werd om iets heel eenvoudigs: al die tijd had hij zaterdag proberen te halen, en zij hadden geprobeerd te zorgen dat hij er niet kwam.

‘Blijf zitten,’ zei hij.

Hij belde De Wilde. Daarna belde hij Ria en vroeg haar te komen.

De inspecteur was sneller.

Ze hoorde hun eerste verklaring, nam de documenten in ontvangst en liet een collega de telefoons veiligstellen. Norbert vertelde over Bruno De Wale. Hij was Leons boekhouder geweest en had onregelmatigheden in de administratie ontdekt. Leon wilde voorkomen dat hij met zijn bewijs naar buiten kwam.

‘Waar is De Wale nu?’ vroeg De Wilde.

Geen van beiden wist het.

De inspecteur belde het bureau. De bedreiging moest meteen onderzocht worden. Benny ging naast het raam zitten. Ria, inmiddels gearriveerd, zette een glas water voor hem neer en hield ditmaal al haar opmerkingen voor zich.

Wel ging ze naast hem zitten. Benny kende haar goed genoeg om te weten hoeveel dat zwijgen kostte.

‘Zeg het maar,’ mompelde hij.

‘Nee.’

‘Je had gelijk.’

Ze pakte zijn hand.

‘Daar heb ik nu niets aan.’

Aan de andere kant van de tafel staarde Gustaaf naar zijn jas. Voor het eerst die week begreep hij iets zonder dat Norbert het hoefde uit te leggen.

Toen Gustaafs telefoon opnieuw trilde, keek De Wilde naar het scherm.

Ik sta bij jullie wagen. Waar zijn jullie?

Een minuut later ging de deurbel.

Leon had hun bestelwagen voor Benny’s huis gevonden. Zijn geduld was op. Hij verwachtte twee bange prutsers en had geen rekening gehouden met een keuken vol politie.

Benny keek vanuit de gang naar hem.

‘Waar zijn Gustaaf en Norbert?’ vroeg Leon.

‘In mijn keuken,’ zei Benny. ‘Ik ben Benny Verbinnen.’

Leon staarde hem aan en keek vervolgens over zijn schouder naar de mannen aan tafel.

‘Verbinnen? Waar is Bruno?’

‘Dat proberen we te achterhalen,’ zei De Wilde, die naast Benny verscheen. ‘Komt u maar mee.’

Leon zette een stap achteruit. Achter hem stond haar collega.

Gustaaf zag het vanuit de keuken.

‘Eindelijk iemand die de goede man heeft,’ mompelde hij.

Niemand lachte.

Dat hielp hem begrijpen dat de week werkelijk voorbij was.

 

5 Rust, regelmaat en soep

Zaterdag ging de soepverkoop door.

Benny stond niet achter de ketel. Ria nam zijn plaats in en vroeg niemand of dat misschien lastig was. Mevrouw Hansen beheerde de kas. De postbode droeg de volle pannen en de groenteboer leverde extra aardappelen.

Benny zat aan een tafel bij het raam. Mensen kwamen hem groeten. Sommige wisten iets, andere alleen dat hij een zware week had gehad. Hij hoefde niets uit te leggen wat hij nog niet onder woorden kon brengen.

Toen De Wilde even binnenliep, schoof Ria haar een kom toe.

‘Prei?’ vroeg de inspecteur.

‘Er zijn honderd manieren,’ zei Benny. ‘Wij hebben de minst gevaarlijke gekozen.’

Hij glimlachte. Het lukte beter dan hij had verwacht.

De groenteboer kwam zijn lege kom terugbrengen.

‘Nog iemand die op rekening wil eten?’ vroeg hij Ria.

‘Hoezo?’

‘Ik heb deze week genoeg uitgesteld betaald gekregen.’

Hij keek naar Benny en verzachtte zijn stem.

‘Niet van u, natuurlijk.’

‘Ik betaal meteen,’ zei Benny. ‘Mijn enige schuld is dat ik te veel prei heb besteld.’

‘Dat dacht ik ook,’ zei Ria. ‘Daarom staat er voor morgen alweer een ketel klaar.’

Bruno De Wale was gevonden en in veiligheid gebracht. Zijn documenten bleken niet afhankelijk van één verdwenen map: hij had kopieën bewaard. Samen met de verklaringen, berichten en het verdere onderzoek vormden ze een zaak die veel groter werd dan twee mannen in een oude bestelwagen.

Leon had valse facturen gebruikt en geld weggesluisd. Wat hem uiteindelijk voor de rechter bracht, was niet alleen zijn administratie, maar ook zijn poging een getuige voorgoed het zwijgen op te leggen.

Gustaaf en Norbert kwamen eveneens voor de rechter. Hun bekentenis en medewerking telden mee; de bloempot, de fiets en de overige feiten verdwenen daardoor niet. Er volgden straffen, een periode in detentie en schadevergoedingen die op papier minder grappig waren dan pruimen in een jas.

Benny ging naar een van de zittingen. Hij vertelde wat er was gebeurd. Hij zei ook dat de mannen zichzelf hadden aangegeven.

Toen hun advocaat later vroeg of hij hun iets wilde meegeven, antwoordde hij:

‘Dat spijt pas bruikbaar wordt als je er iets mee doet.’

Hij vond het geen bijzonder mooie zin. Wel een waarachtige.

In de jaren daarna veranderde zijn leven weinig, maar niet helemaal niets. Hij bleef brood kopen, atlassen lezen en soep maken. Het paaltje in de Korte Hoevestraat gaf hij voortaan een halve meter ruimte.

‘Eindelijk,’ zei Ria toen ze het zag.

‘Voortschrijdend inzicht,’ zei Benny.

Gustaaf en Norbert schreven hem eerst apart, later samen. Hun brieven bevatten geen verzoek om alles te vergeten. Wel berichten over werk, terugbetalingen en dingen die voor het eerst niet misgingen.

Norbert volgde een kookopleiding. Gustaaf leerde magazijnwerk, waarbij iemand hem uitlegde dat een meetlint geen belediging was.

Vier jaar na die bewuste week bracht Benny een mand confituur naar de benedictijnenabdij Sint-Anselmus, buiten de stad. De abdij organiseerde een benefietmiddag en hij had beloofd iets voor de verkoop mee te nemen.

Hij wist dat Norbert er inmiddels in de keuken hielp. Via een begeleider had die na zijn straf contact gekregen met het gastenhuis. Eerst was hij enkele dagen gebleven. Later werd hij vrijwilliger. Gustaaf was gevolgd, niet omdat ze plotseling allebei een roeping hadden, maar omdat hij Norbert vertrouwde en opnieuw wilde leren werken zonder een ramp achter te laten.

Een jonge monnik wees Benny de weg naar de moestuin.

Daar stonden twee mannen tussen de kolen. Ze droegen werkkleding. Gustaaf had een strohoed op en hield een hark vast met de voorzichtigheid waarmee anderen een pasgeboren kind vasthouden.

‘Wel wel,’ zei Benny.

Norbert draaide zich om.

‘Meneer Verbinnen.’

Er volgde een handdruk. Gustaaf zette eerst de hark tegen de muur, keek of ze bleef staan en gaf hem toen ook een hand.

Benny merkte het. Hij zei er niets over.

‘Hoe gaat het?’

‘Goed,’ zei Norbert. ‘Ik maak soep voor het gastenhuis.’

‘En ik werk hier,’ zei Gustaaf. ‘Onder toezicht.’

‘Dat laatste hebben we gezamenlijk besloten,’ zei een oudere monnik die uit de kas kwam.

Het was broeder Matthias, verantwoordelijk voor de tuin. Hij begroette Benny en nam de mand van hem over.

Gustaaf wees naar Norbert.

‘Ze noemen hem soms broeder Norbertus.’

‘Alleen de gasten die niet opletten,’ zei Matthias. ‘Hij is geen monnik.’

‘Ik heb gevraagd hoe dat moest,’ vertelde Norbert. ‘Maar dat is een heel traject. Kennismaken, vorming, kijken of het leven bij je past. Geen kwestie van een jas aantrekken en een andere naam nemen.’

Gustaaf knikte.

‘Ik blijf voorlopig bij een schort. Dat kun je tenminste nog wassen zonder levenslange belofte.’

Ze liepen naar de keuken. Op een plank stonden kommen klaar. Norbert tilde het deksel van een grote pan. Benny rook prei.

‘Honderd manieren?’ vroeg hij.

‘Eén goede,’ antwoordde Norbert. ‘Ik ben niet meer zo ambitieus.’

Benny proefde. De soep was uitstekend. Geen zand, niet te zout, en de aardappelen waren gaar.

‘Daar mag je trots op zijn,’ zei hij.

Norbert keek even naar de pan voordat hij antwoordde.

‘Dat ben ik ook.’

Tijdens de maaltijd verscheen de abt. Hij hoorde dat Benny op bezoek was en schoof kort aan.

‘Deze mannen doen veel goed werk,’ zei hij. ‘En sinds Gustaaf in de tuin helpt, let broeder Matthias bijzonder aandachtig op.’

‘Dat heet risicobeheersing,’ zei Matthias.

Na het eten bracht Norbert de mand naar de verkooptafel. Op een stapeltje oude boeken lag een muziekhandleiding met een accordeon op de omslag.

Gustaaf draaide haar onmiddellijk om.

‘Sommige herinneringen hoef je niet op te halen,’ zei hij.

Benny lachte. Nu kon het.

Toen hij afscheid nam, stond de hark nog keurig tegen de muur. Gustaaf liep er met een ruime boog omheen.

‘Je hebt iets geleerd,’ merkte Benny op.

‘Van de besten,’ zei Gustaaf.

Benny wandelde terug naar de parkeerplaats. Achter hem begon Norbert de kommen af te wassen. Gustaaf droogde ze af, één voor één, zonder te stapelen.

Er klonk geen harde klap. Niemand riep om hulp. Zelfs het tuinhek bleef heel.

Na een tijdje zette Gustaaf een droge kom neer.

‘Rust, regelmaat en soep,’ zei hij tevreden.

Norbert knikte.

‘En eerst lezen wie er op de opdracht staat.’

Gustaaf keek hem aan.

‘Dat geldt niet meer.’

Hij nam het volgende kommetje aan.

‘Ik neem alleen nog opdrachten aan waar afwassen bij staat.’


Soundtrack

[Intro – Spoken]
Just another morning…
Just another walk…
Why’s everybody falling over?
Come on, let’s groove!

[Verse 1]
Grey coat swinging in the morning breeze,
Bread under my arm, bag full of leeks.
Say hello to the bird on the windowsill,
Same old corner, same old little thrill.

Two long coats by a tired white van,
One looks worried, one’s got a plan.
Something crashes on the floor upstairs,
I look up smiling, “Take some care!”

[Pre-Chorus]
There’s a strange little rhythm in the town today,
Everything’s moving in a sideways way.
I don’t know what they’re trying to do,
But the whole street’s dancing out of tune.

[Chorus]
Trouble’s got two left feet,
Slipping and sliding on a cobblestone street.
Big ideas, but it can’t keep the beat—
Trouble’s got two left feet!

Wrong turn, right groove,
Shake a little dust off, make your move.
I’ve got a smile for everyone I meet,
While trouble’s got two left feet!

[Verse 2]
An accordion cries by the fountain wall,
Sounds like somebody’s moving a wardrobe down the hall.
Drop a little silver in the open case,
See a little sunshine on a worried face.

Blue wheels waiting by the market stand,
Purple fruit where somebody planned to land.
Melons rolling like they own the square,
Two fancy hats going everywhere!

[Pre-Chorus]
There’s a strange little rhythm in the town today,
Even the fruit wants to roll away.
I step aside, let the madness through,
Got ordinary things to do.

[Chorus]
Trouble’s got two left feet,
Slipping and sliding on a cobblestone street.
Big ideas, but it can’t keep the beat—
Trouble’s got two left feet!

Wrong turn, right groove,
Shake a little dust off, make your move.
I’ve got a smile for everyone I meet,
While trouble’s got two left feet!

[Disco Break]
Step to the left—
Watch that crate!
Step to the right—
A little too late!

Round by the fountain,
Splash goes the day!
Somebody tell that swan
We’re moving away!

[Bridge]
Quiet in the library, easy on the floor,
Here comes a book cart through the aisle once more.
Recipes falling, pages in the air,
I find a little supper inspiration there.

Everybody’s rushing, everybody’s tense,
I’m still trying to make a little sense.
A kindly word, a helping hand—
Some things work better than a clever plan.

[Final Chorus]
Trouble’s got two left feet,
Slipping and sliding on a cobblestone street.
Big ideas, but it can’t keep the beat—
Trouble’s got two left feet!

Wrong turn, right groove,
Shake a little dust off, make your move.
I’ve got a smile for everyone I meet,
While trouble’s got two left feet!

[Outro]
Grey coat, fresh bread,
Green leaves, straight ahead.
Same old town, brand-new beat—
Watch out, trouble…
You’ve got two left feet!


Downloads

De Verkeerde Man Pdf

PDF – 497,2 KB 4 downloads

Troubles Got Two Left Feet Mp 3

Audio – 15,0 MB 4 downloads

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.