Het Gemaskerde Bal van de Wanhoop
Hoofdstuk 1 – De envelop tussen de folders
Tobias was negenentwintig en al zo lang vrijgezel dat zelfs zijn moeder was gestopt met vragen of er nog iemand speciaals in zijn leven was. Dat betekende niet dat ze haar bezorgdheid had opgegeven. Ze had haar aandacht alleen verlegd naar andere zaken: of hij genoeg sliep, of hij zijn ramen regelmatig opende en vooral of hij wel voldoende groente at.
Tobias vond die laatste vraag vernederender dan alle vragen over zijn liefdesleven bij elkaar. Alsof hij niet alleen romantisch, maar ook op voedingskundig vlak mislukt was.
Hij woonde in een bescheiden appartement op de derde verdieping van een gebouw waarvan de lift alleen werkte als niemand haast had. Overdag werkte hij op de schadeafdeling van een verzekeringskantoor. Hij was betrouwbaar, nauwkeurig en kalm, maar zijn collega’s wisten weinig over hem. Iedere avond vertrok hij op hetzelfde tijdstip naar huis.
Daar wachtte Sergio op hem.
Sergio was een kamerplant met brede groene bladeren en een karakter dat Tobias volledig zelf voor hem had bedacht. Volgens Tobias was Sergio streng maar rechtvaardig. Hij luisterde zonder te onderbreken, stelde nooit ongepaste vragen en had in vijf jaar tijd nog geen enkele afspraak afgezegd. Daar konden veel mensen iets van leren.
Op een druilerige dinsdagavond haalde Tobias de post uit de brievenbus. Tussen drie reclamefolders, een rekening en een aanmaning van de tandarts zat een crèmekleurige envelop. Zijn naam stond erop in gouden letters die zo sierlijk waren dat ze bijna verdacht leken.
Hij legde de rest van de post op het aanrecht en maakte de envelop voorzichtig open.
UITNODIGING
Voor het Groot Gemaskerd Bal der Vrijgezellen
Waar liefde, mysterie en een goed buffet op u wachten
Tobias las de tekst tweemaal.
“Dit is óf mijn grote kans,” zei hij, “óf een bijzonder creatieve manier om mijn nieren te stelen.”
Sergio stond op de vensterbank en gaf geen antwoord. Een van zijn bladeren hing een beetje naar beneden.
“Precies,” zei Tobias. “Dat dacht ik ook.”
Op internet vond hij donkere foto’s van een oud landhuis en recensies die weinig duidelijk maakten. Iemand prees de hapjes; een ander waarschuwde dat hij er zijn ex-vrouw had ontmoet.
Drie dagen lang zwierf de uitnodiging door Tobias’ appartement. Eerst lag ze op de keukentafel. Daarna verdween ze in een la. Een uur later haalde hij haar er weer uit en zette haar rechtop tegen Sergio’s bloempot. Iedere keer wanneer hij erlangs liep, leek het goud op de envelop hem persoonlijk uit te dagen.
Zijn aarzeling had weinig met het masker te maken. Een masker leek hem juist praktisch. Het probleem waren de mensen erachter.
Tobias’ liefdesleven bestond uit misverstanden en pijnlijke stiltes. Vrouwen moesten tijdens afspraakjes opvallend vaak de volgende ochtend vroeg opstaan. Eén vrouw had hem gevraagd zichzelf in drie woorden te beschrijven. Tobias had zo lang nagedacht dat zij uiteindelijk zelf antwoordde: “Waarschijnlijk niet geschikt.”
Hij gaf zichzelf daar niet meer volledig de schuld van.
Meestal.
Op zaterdagmiddag stond hij met de uitnodiging in zijn hand voor Sergio.
“Ik zou kunnen gaan,” zei hij. “Eén avond. Als het verschrikkelijk is, vertrek ik. Als het gevaarlijk is, bel ik de politie. Als iemand vraagt naar mijn bloedgroep, vertrek ik onmiddellijk.”
Sergio zweeg veelbetekenend.
“Wat is het ergste dat er kan gebeuren?”
De bladeren van de plant hingen als een bezorgd oordeel. Toch legde Tobias de uitnodiging op tafel en opende zijn kledingkast.
Zijn netste hemd bleek achterin te hangen, naast een jasje dat hij voor het laatst op de bruiloft van zijn neef had gedragen. Hij poetste zijn schoenen met een oude sok, kamde zijn haar driemaal opnieuw en probeerde voor de spiegel een mysterieuze blik. Bij de eerste poging zag hij eruit alsof hij slecht nieuws moest brengen. Bij de tweede alsof hij iets rook. Bij de derde alsof er iets in zijn oog zat.
Hij besloot dat mysterie overschat werd.
Net toen hij zijn jas aantrok, ging zijn telefoon.
“Ga je ergens heen?” vroeg zijn moeder zodra hij opnam.
Tobias keek om zich heen, alsof ze zich ergens in het appartement had verstopt.
“Hoe weet je dat?”
“Je klinkt alsof je een overhemd draagt.”
“Ik ga naar een bal.”
Aan de andere kant bleef het stil.
“Een voetbalwedstrijd?” vroeg ze uiteindelijk.
“Een gemaskerd bal voor vrijgezellen.”
De stilte werd langer.
“Vrijwillig?”
“Dat moet nog blijken.”
“Heb je wel gegeten?”
Tobias keek naar de koude pizza op het aanrecht. Op een van de punten lag een verdwaald stukje paprika.
“Er zit groente op.”
“Paprika op een pizza is geen maaltijdsalade, Tobias.”
“Ik heb nooit beweerd dat het een salade was.”
Zijn moeder zuchtte alsof ze hem zojuist op zowel culinair als emotioneel vlak had opgegeven. Daarna wenste ze hem toch plezier en liet ze hem beloven dat hij een bericht zou sturen wanneer hij veilig thuis was.
Tobias stopte zijn telefoon weg en keek nog eenmaal naar Sergio.
“Als ik morgenochtend niet terug ben, geef mijn spullen dan aan iemand die je regelmatig water geeft.”
Hij trok de deur achter zich dicht.
Het landhuis lag aan de rand van de stad, achter een rij hoge bomen die in de regen bewogen alsof ze onderling over de gasten fluisterden. Tobias stapte uit de taxi en keek naar de lange, verlichte oprijlaan. Het gebouw had hoge ramen, klimop langs de muren en voldoende donkere hoeken om minstens drie familievloeken te verbergen.
Voor de ingang stond een fontein met stenen engeltjes. Het regenwater liep over hun gezichten, waardoor ook zij spijt leken te hebben van hun aanwezigheid.
Tobias bleef staan.
Hij kon nog terug. Thuis wachtten koude pizza en een plant die nooit vroeg wat hij in een relatie te bieden had.
Toen zag hij door een hoog raam een man met een pauwenmasker voorbijlopen. Achter hem danste iemand die vermoedelijk als Napoleon verkleed was.
Tobias haalde diep adem.
“Eén avond,” fluisterde hij.
Daarna liep hij de trappen op en duwde de zware voordeur open.
Hoofdstuk 2 – De parade van de wanhopigen
In de hal stond een dame in een donkerrode jurk achter een lessenaar. Ze nam Tobias’ uitnodiging aan, controleerde zijn naam op een lijst en overhandigde hem een zwartfluwelen masker.
“Dit model geeft u een zweem van gevaar,” zei ze.
Tobias zette het masker op en keek in een spiegel naast de garderobe. Hij zag vooral een boekhouder die per ongeluk bij een toneelvereniging was binnengelopen.
“Een heel klein zweempje dan,” zei hij.
Bij de garderobe hing een bord: Laat hier uw jas én uw emotionele bagage achter. Daaronder had iemand met balpen geschreven: Werkt niet.
Tobias voelde zich onmiddellijk minder alleen.
Kroonluchters verlichtten een zaal vol vrijgezellen met veren, glitters, snavels en kattenoren. Een man in een pauwenmasker liep alsof hij werkelijk veren bezat. Een vrouw met een Venetiaans masker droeg een chihuahua met een eigen miniatuurmasker.
Tobias zette drie stappen richting de drankjes en botste tegen een man in een wolvenmasker. Het dienblad in diens handen kantelde. Gehaktballetjes vlogen in alle richtingen.
Eén belandde in het decolleté van een vrouw die als Cleopatra verkleed was.
Ze keek naar beneden en zuchtte.
“Niet weer.”
“Het spijt me verschrikkelijk,” zei Tobias.
“Geen probleem,” zei de wolf, terwijl hij onder een tafel kroop. “Dit is al mijn tweede dienblad.”
Tobias hielp twee gehaktballetjes oprapen, maar stopte toen hij besefte dat niemand ze nog zou willen eten. Terwijl hij overeind kwam, botste de man in het pauwenmasker bijna tegen hem aan.
“Let op de veren,” zei die beledigd.
Er waren geen echte veren.
Tobias besloot niets te zeggen.
Hij bereikte de bar en bestelde bruiswater. Alcohol leek hem onverstandig op een locatie waar gevogelte tegen mensen praatte. Naast hem stelde een breedgeschouderde man zich aan twee vrouwen voor als Graaf Ronny van de Liefde.
“Ronny kent geen vreemden,” verklaarde hij. “Alleen geliefden die hem nog niet hebben leren kennen.”
De vrouwen verdwenen onmiddellijk richting toiletten.
Ronny draaide zich naar Tobias.
“Staat u open voor broederschap?”
“Niet zonder meer informatie.”
“Verstandig. Mysterieus. Ronny respecteert dat.”
Voor Tobias kon vragen waarom Ronny over zichzelf sprak alsof hij een apart koninkrijk bestuurde, klonk er muziek. Een omroeper riep alle aanwezigen naar de dansvloer voor een “mysterieus ontmoetingsmoment”. Tobias probeerde zich achter een pilaar te verbergen, maar werd bij zijn pols gegrepen door een energieke dame met een zwanenmasker.
“Gerard!” riep ze verheugd. “Daar ben je eindelijk!”
“Ik heet Tobias.”
“Dat zeggen ze allemaal, Gerard.”
De muziek ging over in een wals. De helft van de aanwezigen wist niet hoe die werkte; de andere helft dacht het te weten, wat erger bleek. De dansvloer veranderde in een collectieve noodsituatie.
De zwanendame slingerde Tobias driemaal rond. Bij de vierde draai verloor hij bijna een schoen.
“Je bent roestig, Gerard!”
“Ik ben altijd zo geweest!”
Toen de muziek stopte, maakte Tobias zich los met de belofte dat hij “straks misschien terugkwam”. Hij wist niet of liegen op een gemaskerd bal moreel verwerpelijk was, maar soms moest een mens zichzelf beschermen.
Bij het buffet ontdekte hij dat iemand de chocoladefontein naast een schaal garnalen had geplaatst. De gevolgen waren voorspelbaar en toch erger dan verwacht. Een man doopte uit nieuwsgierigheid een garnaal in de chocolade, proefde ervan en begon onmiddellijk zijn levenskeuzes te heroverwegen. Aan de overkant huilde een vrouw omdat haar mouw in de fontein was terechtgekomen.
Een goochelaar-vrijgezel sprak iedere vrouw aan met dezelfde zin:
“Mag ik uw hart laten verdwijnen?”
Niemand vond dat zo geestig als hijzelf.
Even later kondigde de omroeper een ijsbrekerspel aan. Iedereen moest een kaartje uit een zilveren schaal trekken. Tobias kreeg de opdracht: Beschrijf uzelf in drie romantische bijvoeglijke naamwoorden.
Hij keek ernaar alsof het kaartje hem persoonlijk had beledigd.
De vrouw naast hem schreef zonder aarzelen één woord op haar kaart: moe.
“Mag dat?” vroeg Tobias.
“Het is het eerlijkste wat ik vanavond te bieden heb.”
Uiteindelijk schreef Tobias: betrouwbaar, licht verward, huisdiervriendelijk.
Vervolgens begon het speeddaten. Tobias nam plaats aan een klein tafeltje tegenover een vrouw met een kattenmasker. Ze legde haar handen gevouwen voor zich neer en keek hem streng aan.
“Wat breng jij mee in een relatie?” vroeg ze.
Tobias had antwoorden kunnen geven als trouw, aandacht of gevoel voor humor. In plaats daarvan dacht hij aan zijn keuken.
“Een waterkoker,” zei hij. “En emotionele voorzichtigheid.”
De vrouw knikte langzaam, alsof ze zojuist een zeldzame aandoening had vastgesteld.
“Interessant.”
Na drie minuten klonk een belletje. Aan het volgende tafeltje zat een man die uitsluitend wilde praten over zijn verzameling antieke deurknoppen.
“Het zijn geen gewone gebruiksvoorwerpen,” legde hij uit. “Het zijn historische draaipunten van menselijke toegang.”
“Natuurlijk,” zei Tobias.
“Deze hier komt uit 1893.”
De man liet een foto zien.
“Mooi rond.”
“Ovaal,” verbeterde de verzamelaar gekwetst.
Bij het derde tafeltje zat niemand, alleen een handtas. Tobias bracht drie minuten in stilte door en vond het verontrustend hoe aangenaam dat was.
Toen de laatste bel klonk, was Tobias moe van het proberen. Overal presenteerden mensen een luidere, glanzendere versie van zichzelf.
Misschien was vrijgezel zijn toch veiliger. Minder chaos. Minder afwijzing. Minder schaaldieren in chocola. Hij kon naar huis gaan, zijn overhemd uittrekken en Sergio vertellen dat ze allebei gelijk hadden gehad.
Hij zette zijn glas neer en zocht de kortste weg naar de garderobe.
Toen zag hij haar.
Aan de rand van de dansvloer stond een vrouw met een eenvoudig zilveren masker. Geen veren. Geen glitters. Geen hond in kostuum. Ze hield een onaangeroerd glas vast en keek om zich heen met precies dezelfde mengeling van verbazing en lichte paniek als Tobias.
Een man met een kroon boog voor haar. Ze zei iets, waarop hij zichtbaar teleurgesteld wegliep.
Tobias bleef staan.
Er was geen logische reden om naar haar toe te gaan. Ze kon hem afwijzen. Ze kon enthousiast zijn over dakisolatie. Ze kon een verzameling deurkrukken bezitten die in bittere rivaliteit leefde met de deurknoppen van de man daarnet.
Maar ze keek opnieuw de zaal rond. Heel even ontmoetten hun ogen elkaar door de maskers heen.
Tobias dacht aan de crèmekleurige uitnodiging, aan zijn drie dagen twijfelen en aan Sergio’s hangende blad.
Toen liep hij naar haar toe.
Hoofdstuk 3 – Het zilveren masker
Halverwege wilde Tobias alweer omkeren. Hij had geen openingszin. In zijn hoofd klonken alleen waarschuwingen: niet struikelen en vooral niet over Sergio beginnen.
De vrouw keek hem aan toen hij naast haar bleef staan.
“Ook het gevoel dat we per ongeluk in een koortsdroom zijn beland?” vroeg hij.
Een seconde bleef het stil. Toen schoot ze in de lach.
“Ja,” zei ze. “Ik dacht dat dit chic zou zijn. Maar ik heb net een man ontmoet die zichzelf voorstelde als Graaf Ronny van de Liefde.”
“Die heeft mij gevraagd of ik opensta voor broederschap.”
“En?”
“Ik wacht nog op de algemene voorwaarden.”
Ze lachte opnieuw. Tobias voelde iets in zijn schouders ontspannen.
“Ik ben Lieselot,” zei ze.
“Tobias. Al beweert een vrouw met een zwanenmasker dat ik Gerard heet.”
“Misschien weet zij meer dan jij.”
“Dat is niet onmogelijk. De lat ligt laag.”
Lieselot wees naar het glas in zijn hand.
“Bruiswater?”
“Ik wil volledig helder zijn wanneer de orgaanhandel begint.”
“Verstandig. Ik heb mijn zus laten weten waar ik ben, voor het geval iemand straks een nier aanbiedt bij het dessert.”
Het gesprek had daar kunnen eindigen. Op ieder eerder afspraakje zou Tobias nu koortsachtig hebben gezocht naar een slimme vervolgvraag. Bij Lieselot was dat niet nodig. Ze wees naar Napoleon, die op enkele meters afstand opnieuw door een vrouw in een glitterjurk werd afgewezen.
“Dan verklaar ik u de oorlog!” riep hij.
“Derde keer in tien minuten,” zei Lieselot. “Hij voert een moeilijke campagne.”
Ze verzonnen achtergronden bij de andere gasten. Volgens Lieselot schreef de pauwenman overdag verkeersboetes uit; volgens Tobias was de goochelaar ooit begonnen om een verdwenen afstandsbediening terug te vinden.
Tobias merkte dat hij niet nadacht over wat hij moest zeggen. De woorden kwamen vanzelf. Niet allemaal waren ze verstandig, maar Lieselot leek juist daarom te lachen.
Ze vertelde dat een vriendin haar naar het bal had gestuurd.
“Sofie zegt dat het universum soms een duwtje nodig heeft,” zei ze.
“Het universum had eerst kunnen bellen.”
“Dat zei ik ook. Maar volgens Sofie zou ik dan niet opnemen.”
“Zou je opnemen?”
Lieselot dacht na.
“Alleen als het universum geen onbekend nummer gebruikt.”
De uitnodiging was via Sofie bij haar beland, samen met de mededeling dat ze te vaak nee zei tegen dates, feestjes en alles waarbij de nooduitgangen niet vooraf duidelijk waren.
“Ik ben niet asociaal,” zei Lieselot. “Ik ben selectief sociaal.”
Tobias vertelde haar over de vrouw met het kattenmasker en zijn antwoord over de waterkoker. Lieselot moest zo hard lachen dat ze haar glas neerzette.
“Een waterkoker is tenminste nuttig,” zei ze. “Mijn vorige vriend bracht vooral discussies mee over hoe handdoeken gevouwen moesten worden.”
Ze vonden twee stoelen in een rustige hoek achter een grote palm.
Lieselot was ooit meegenomen naar een lezing over dakisolatie. De man beweerde dat warmteverlies romantisch werd wanneer je er goed over nadacht.
“Werd het romantisch?” vroeg Tobias.
“Nee. Maar ik weet nu wel waarom een spouwmuur belangrijk is.”
Tobias vertelde over een vrouw die hem tijdens het voorgerecht naar zijn vijfjarenplan had gevraagd. Hij had in paniek geantwoord:
“Overleven.”
Lieselot proestte het uit.
“Eerlijk,” zei ze. “Dat is tenminste haalbaar.”
“Tot nu toe lig ik op schema.”
Hun gesprek zwierf alle kanten op. Ze waren het erover eens dat mensen op feestjes alleen deden alsof ze olijven lekker vonden. Tobias bekende dat hij koekjes rangschikte op basis van hun geschiktheid om in koffie te dopen. Lieselot tekende in haar vrije tijd gezichten die ze in oude gebouwen meende te herkennen: boze ramen, verbaasde deuren en dakgoten die eruitzagen alsof ze slecht nieuws hadden gehoord.
“Dat is een echte hobby,” zei Tobias bewonderend. “Mijn koekjesonderzoek voelt ineens oppervlakkig.”
“Onderschat nooit toegepast koekjesonderzoek.”
Hij vertelde over Sergio.
“Wacht,” zei Lieselot. “Je kamerplant heeft een naam?”
“Sergio.”
“En een mening?”
“Over alles. Vooral over mijn keuzes.”
“Wat vond hij hiervan?”
“Hij was bezorgd, maar hij respecteert persoonlijke groei.”
Lieselot keek hem zwijgend aan. Tobias vreesde dat hij te veel had gezegd.
Toen zei ze:
“Ik had vroeger een broodrooster dat Caroline heette. Ze was onbetrouwbaar, maar zeer charismatisch.”
Tobias lachte opgelucht. De muziek werd luider.
“Wil je hier weg?” vroeg Lieselot plotseling.
Tobias keek naar haar.
“Dat klinkt dreigender dan je waarschijnlijk bedoelt.”
“Naar het balkon,” zei ze. “Ik heb frisse lucht nodig voor ik ga geloven dat Ronny werkelijk een graaf is.”
Ze glipten langs de dansvloer naar een glazen deur aan de zijkant van de zaal.
Buiten was de regen bijna opgehouden. De natte tegels glansden in het licht van de lantaarns. Vanuit de balzaal klonken gedempte muziek, gelach en af en toe een kreet die vermoedelijk van Napoleon kwam.
Lieselot legde haar handen op de stenen balustrade.
“Dit is beter.”
“Minder garnalen.”
“Dat is bij bijna iedere locatie een voordeel.”
Een tijdje zwegen ze. Anders dan tijdens Tobias’ dates voelde de stilte niet als een gat dat gevuld moest worden. Ze was rustig en warm.
“Waarom ben jij eigenlijk echt gekomen?” vroeg ze.
Tobias dacht aan een grappig antwoord, maar Lieselot keek alsof ze niet om een grap vroeg.
“Omdat ik misschien te voorzichtig ben geworden,” zei hij. “Op een bepaald moment ben ik gestopt met verwachten dat iets goed kon gaan. Dat is handig, want dan word je niet vaak teleurgesteld. Alleen gebeurt er ook niets meer.”
Lieselot knikte langzaam.
“Ik kwam omdat ik moe was van altijd nee zeggen,” zei ze. “Niet tegen mensen. Tegen kansen. Ik dacht dat als ik maar lang genoeg wachtte, iets vanzelf veilig en duidelijk zou worden. Maar zo werkt het blijkbaar niet.”
“Nee,” zei Tobias. “Soms krijg je gewoon een verdachte envelop.”
“En een garnaal in chocolade.”
Binnen gleed iemand uit over een verloren gehaktballetje. Er volgde luid applaus.
“Eén avond belachelijk doen kan vast geen kwaad,” zei Lieselot.
Tobias keek door het raam naar de persoon die overeind werd geholpen.
“Dat is een gevaarlijke uitspraak op deze locatie.”
De lantaarns weerspiegelden in Lieselots zilveren masker. Tobias wilde weten hoe ze er zonder uitzag, alsof ze elkaar al veel langer kenden dan een halfuur.
Op dat moment zwol de muziek aan. De stem van de omroeper rolde door de zaal en naar buiten.
“Dames en heren, het moment is aangebroken! Begeef u naar de dansvloer. Maskers af!”
Tobias’ rustige gevoel verdween onmiddellijk.
Hoofdstuk 4 – Zonder fluweel of zilver
In de balzaal gingen overal handen naar gezichten. Gesprekken vielen stil. Zelfs Napoleon leek zijn veldtocht tijdelijk te onderbreken.
Tobias bleef op het balkon staan.
Het was belachelijk dat hij nerveus werd. Lieselot kende zijn waterkoker, zijn kamerplant en zijn gebrek aan een vijfjarenplan al. Toch voelde het masker ineens veilig. Zonder fluweel was hij gewoon Tobias, met een onwillige haarlok en twee oren die volgens hem niet helemaal even groot waren.
Wat als zij teleurgesteld was?
Lieselot draaide zich naar hem toe.
“Op drie?”
“Prima. Maar als ik tegenval, wil ik dat je weet dat dit masker uitzonderlijk hard voor me heeft gewerkt.”
“Het mijne eist ook een deel van de eer op.”
Ze gingen tegenover elkaar staan.
“Eén,” zei Lieselot.
Tobias bracht zijn vingers naar het fluweel.
“Twee.”
Hij haalde adem.
“Drie.”
Ze deden hun maskers af.
Lieselot had warme, levendige ogen en donker haar dat door de vochtige lucht een beetje krulde. Er zat een klein kuiltje in haar linkerwang. Tobias zag al die dingen tegelijk en vergat dat hij zelf bekeken werd.
Een seconde gebeurde er niets.
Toen zei Lieselot:
“O, gelukkig.”
Tobias begon zo hard te lachen dat hij een stap naar achteren moest zetten.
Ze lachte mee. De spanning verdween zo snel dat Tobias zich afvroeg waarom hij haar ooit had gevoeld.
Vanuit de zaal klonk een stem:
“Ronny behoeft geen masker! Ronny ís het mysterie!”
Ze gingen weer naar binnen. Zonder maskers zag de zaal er niet normaler uit. De pauwenman bleef lopen alsof hij een staart achter zich aantrok. Napoleon bleek een kalende man met een vriendelijk gezicht, al verklaarde hij nog steeds iedereen de oorlog.
De muziek begon opnieuw. Tobias keek naar Lieselot.
“Wil je dansen?” vroeg hij.
“Kun je dat?”
“Nee.”
“Mooi. Ik ook niet.”
Ze gingen de vloer op. De muziek was langzaam genoeg om botsingen te vermijden. Tobias legde een hand tegen Lieselots rug; zij plaatste de hare op zijn schouder.
“Als ik op je voet ga staan, is dat geen afwijzing,” zei ze.
“Als ik val, doe dan alsof het choreografie is.”
Ze bewogen onhandig maar samen. Tobias merkte dat hij niet naar de andere gasten keek. Voor het eerst die avond maakte het hem niet uit hoe hij eruitzag.
Halverwege het lied schoot de gemaskerde chihuahua tussen hun voeten door. Het dier had zijn masker nog op en droeg een mini-quiche in zijn bek.
“Dief!” riep de eigenares vanaf de andere kant van de zaal.
De chihuahua verdween onder een tafel. Tobias en Lieselot weken lachend uiteen.
“Ik denk dat hij het buffet beter begrijpt dan wij,” zei Tobias.
“Hij heeft tenminste een duidelijk vijfjarenplan.”
“Quiche.”
“Overleven en quiche.”
Ze bleven uren praten en naar de zaal kijken. De goochelaar liet zijn telefoon verdwijnen en Napoleon discussieerde met een heks over de fiscale voordelen van romantiek.
Bij de koffie demonstreerde Tobias zijn koekjestheorie. Het eerste exemplaar brak onmiddellijk af.
“Een structurele mislukking,” zei Lieselot.
“Daarom is onderzoek nodig.”
Het tweede hield stand.
“Indrukwekkend,” zei ze. “Je brengt dus meer dan een waterkoker mee.”
De woorden waren speels bedoeld, maar Tobias voelde er iets zachts onder. Hij keek naar zijn koffie.
“Ik ben niet erg goed in dit soort dingen,” zei hij.
“In koekjes dopen?”
“In weten wanneer iemand me echt leuk vindt en wanneer diegene alleen beleefd is.”
Lieselot zette haar kopje neer.
“Ik ben al bijna drie uur vrijwillig in de buurt van een chocoladegarnaal gebleven.”
“Dat is overtuigend bewijs.”
“En ik vind je leuk, Tobias.”
Hij keek op.
Ze glimlachte, maar haar blik bleef ernstig.
“Niet omdat je mysterieus bent. Voor alle duidelijkheid: dat ben je nauwelijks.”
“Dat vermoedde ik al.”
“Ik vind je leuk omdat ik niet het gevoel heb dat ik hier een betere versie van mezelf moet spelen.”
Tobias voelde warmte achter zijn borstbeen. Geen vuurwerk, geen vioolmuziek, niets van het soort dat films gebruikten om gevoelens begrijpelijk te maken. Alleen een rustige zekerheid.
“Dat heb ik bij jou ook,” zei hij. “Hoewel ik wel heb verzwegen dat ik olijven soms verdraag.”
“Dat is ernstig. Maar niet onvergeeflijk.”
Voordat hij meer kon zeggen, verscheen de zwanendame naast hen. Ze wees beschuldigend naar Tobias.
“Gerard! Daar ben je!”
Lieselot keek van haar naar Tobias.
“Lang verhaal,” zei hij.
“Ben jij eigenlijk Gerard?”
“Alleen emotioneel gezien misschien.”
De zwanendame kneep haar ogen samen.
“Je bent veranderd, Gerard.”
“Persoonlijke groei.”
“Mooi zo.”
Ze klopte hem op zijn arm en verdween weer tussen de dansende mensen.
Lieselot lachte opnieuw. Tobias dacht dat hij dat geluid nog heel vaak wilde horen.
Tegen het einde van de avond werd de prijs voor “Meest Mysterieuze Aanwezigheid” uitgereikt. Graaf Ronny legde alvast één hand op zijn borst.
“De winnaar is…” De omroeper opende een gouden envelop. “De gemaskerde chihuahua!”
Onder luid applaus bleef de chihuahua onder een tafel slapen naast drie mini-quiches en een stukje zalm. Ronny staarde onbeweeglijk naar het plafond.
“Het mysterie kiest zijn eigen pad,” fluisterde hij uiteindelijk.
Tobias voelde Lieselots schouder tegen de zijne. Samen keken ze hoe Ronny waardig probeerde te verliezen en daar spectaculair niet in slaagde.
Toen de kroonluchters werden gedimd en het personeel voorzichtig begon op te ruimen, keek Lieselot op de klok.
“Het is bijna twee uur.”
“Sergio zal ongerust zijn.”
“Dan moeten we hem niet langer laten wachten.”
Het woord we bleef even in Tobias’ gedachten hangen.
Ze haalden hun jassen op. Zijn emotionele bagage bleek nog altijd aanwezig, maar voelde aanzienlijk lichter toen ze samen door de voordeur naar buiten stapten.
Hoofdstuk 5 – Een begin zonder vermomming
De regen was opgehouden en tussen de wolken verschenen enkele sterren.
Tobias en Lieselot liepen langzaam. Door een raam zagen ze Graaf Ronny plechtig voor een grote kamerplant buigen.
“Hij communiceert met jouw volk,” zei Lieselot.
“Sergio zou hem doorzien.”
“Sergio klinkt streng maar rechtvaardig.”
Bij de fontein bleven ze even staan. De stenen engeltjes zagen er zonder regen minder ellendig uit, al bleef één van hen een uitdrukking dragen alsof hij het buffet had geprobeerd.
“Dus,” zei Lieselot, “heb je de liefde gevonden?”
Tobias wist niet waar hij zijn handen moest laten en keek daarom aandachtig naar de fontein.
“Minstens een heel veelbelovende eerste date,” zei hij.
“Was dit een date?”
Zijn hart sloeg één keer over.
Toen zag hij haar glimlach.
“Wreed,” zei hij.
“Een beetje.”
“En jij?” vroeg hij. “Wat heb jij gevonden?”
Lieselot keek terug naar het landhuis.
“Bewijs dat wanhoop soms verrassend gezellig kan zijn.”
“Dat zouden ze op de uitnodiging moeten zetten.”
“Onder het goede buffet?”
“In kleine letters. Met een waarschuwing voor de garnalen.”
Ze liepen verder. Aan het einde van de oprijlaan stonden enkele taxi’s te wachten. Tobias wist dat het moment naderde waarop ze ieder een andere kant op konden gaan. Alleen al de gedachte maakte de nacht kouder.
Hij haalde diep adem.
“Zou je misschien nog eens willen afspreken?” vroeg hij. “Zonder maskers. Zonder Napoleon. Zonder rondvliegende gehaktballetjes. Tenzij je daar inmiddels emotioneel aan gehecht bent.”
Lieselot keek hem aan. Ze liet hem net lang genoeg wachten om zijn volledige leven opnieuw te evalueren.
“Alleen als Sergio het goedkeurt.”
“Hij is streng, maar rechtvaardig.”
“Dat heb ik gehoord.”
“Dus is dat een ja?”
“Dat is een ja, Tobias.”
Ze wisselden telefoonnummers uit. Tobias typte haar naam zorgvuldig in.
Haar taxi arriveerde als eerste. Voor ze instapte, draaide ze zich nog om.
“Stuur je een bericht wanneer je thuis bent?”
“Mijn moeder heeft dezelfde eis gesteld.”
“Verstandige vrouw.”
“Zeg dat niet tegen haar. Ze wordt onuitstaanbaar.”
Lieselot glimlachte en boog zich naar hem toe. Een ogenblik dacht Tobias dat ze hem zou kussen. In plaats daarvan gaf ze hem een zachte kus op zijn wang.
“Welterusten, Gerard,” zei ze.
Daarna stapte ze in.
Tobias bleef staan tot de achterlichten verdwenen. Zijn wang voelde warm. Alleen een stenen engel zag hoe belachelijk hij glimlachte.
Thuis liep Tobias rechtstreeks naar Sergio.
“Je had ongelijk,” zei hij.
De plant zweeg.
“Of ik heb jouw bladeren verkeerd geïnterpreteerd.”
Hij gaf de plant water en stuurde zijn moeder een bericht:
Veilig thuis. Het was leuk. En ik heb een garnaal gezien, dus dat telt als gezond.
Het tweede bericht ging naar Lieselot:
Sergio is geïnformeerd. Zijn eerste indruk is voorzichtig positief.
Het antwoord kwam bijna onmiddellijk.
Vertel hem dat ik Caroline als referentie kan opgeven.
Tobias las het bericht driemaal. Zijn appartement zag er hetzelfde uit, maar voelde anders. Iemand aan de andere kant van de stad glimlachte waarschijnlijk ook naar haar telefoon.
De volgende ochtend belde zijn moeder om negen uur.
“Wie is ze?” vroeg ze zonder begroeting. “Jij noemt sociale gelegenheden nooit leuk.”
Tobias vertelde zo beknopt mogelijk over Lieselot. Zijn moeder stelde twaalf vragen, waarvan er acht over het buffet gingen.
“Wanneer zie je haar terug?”
“Dat spreken we nog af.”
“Wacht niet te lang.”
“Ik wil niet opdringerig zijn.”
“Tobias, jij zou zelfs bij een brand vragen of het vuur behoefte heeft aan ruimte.”
Na het gesprek schreef en verwijderde Tobias tweemaal een bericht. Sergio leek hem aan te sporen.
Uiteindelijk schreef hij:
Koffie volgende zaterdag? Ik ken een plek zonder dresscode en met een verantwoord lage kans op rondvliegend vlees.
Lieselot antwoordde:
Alleen als er koekjes zijn. Ik wil het onderzoek controleren.
Een week later wachtte Tobias in een klein café. Op tafel lagen koekjes en een kaartje met drie woorden: betrouwbaar, licht verward, plantvriendelijk.
Toen Lieselot binnenkwam, droeg ze geen zilveren masker. Alleen een donkere jas en dezelfde glimlach die hij de hele week voor zich had gezien.
Ze nam tegenover hem plaats, las het kaartje en knikte ernstig.
“Plantvriendelijk,” zei ze. “Moedig dat je er nu openlijk voor uitkomt.”
“Ik wil geen relatie beginnen op basis van leugens.”
“Verstandig. Hoe gaat het met Sergio?”
Tobias liet haar een foto zien. Lieselot bestudeerde de plant alsof het een officiële kennismaking was.
“Hij kijkt inderdaad streng.”
Ze praatten tot hun koffie koud werd. Over hun werk, hun families, Sofies bemoeienissen en de vraag of een raam er werkelijk verbaasd uit kon zien. Lieselot tekende het café op een servet en gaf de voordeur opgetrokken wenkbrauwen. Tobias testte drie koekjes en noteerde zijn bevindingen op de achterkant van de rekening.
Er vielen stiltes, maar geen pijnlijke. Geen van beiden zocht een excuus om vroeg te vertrekken.
Toen ze later samen naar buiten liepen, raakte Lieselots hand de zijne. Tobias twijfelde één stap lang en pakte haar toen vast. Ze kneep zacht in zijn vingers.
Hij wist niet wat er zou volgen. Liefde kwam zonder garantie, en Tobias werkte lang genoeg bij een verzekeringskantoor om te weten hoe gevaarlijk dat was.
Maar voor het eerst in lange tijd wilde hij niet vooraf alle risico’s uitsluiten.
Hoop voelde niet zoals in films. Ze was kleiner, stiller en warmer. Ze zat in een bericht dat onmiddellijk werd beantwoord, in koude koffie die niemand erg vond en in een hand die de zijne niet losliet.
Tobias keek naar Lieselot. Zij glimlachte naar hem alsof ze precies wist wat hij dacht.
Soms werkte de liefde op mysterieuze wijze.
En soms verscheen ze gewoon tussen de gehaktballetjes.
Reactie plaatsen
Reacties