Na het overlijden van opa Hubertus ontdekt Dries een testament met een merkwaardige voorwaarde: om zijn erfenis te krijgen, moet hij trouwen vóór de begrafenis. Er is alleen één klein probleem: hij heeft geen bruid.
Met zijn impulsieve vriend Joep begint hij aan een overhaaste zoektocht vol onhandige aanzoeken, twijfelachtige plannen en onverwachte kandidaten. Ondertussen bemoeit tante Gerda zich overal mee en weet al snel het hele dorp van zijn huwelijksproblemen.
Tranen, trouwringen en tante Gerda is een warme komedie over afscheid nemen, familiebanden en de chaos die ontstaat wanneer je je hele leven in één keer probeert te regelen.
1 De derde lade
Toen de dokter zei dat opa Hubertus niet lang meer had, wilde tante Gerda weten of hij daarmee vóór of na het weekend bedoelde.
Ze had zondag een etentje.
De dokter keek haar aan.
‘Het is geen levering, mevrouw.’
‘Dat begrijp ik. Maar men moet toch iets kunnen plannen.’
In de slaapkamer rook het naar zeep, afgekoelde thee en de lavendelzakjes die Gerda overal tussen stopte. Hubertus had ooit gezegd dat zelfs zijn belastingaangifte daardoor naar een bejaarde vlinder rook.
Dries zat naast het bed. Hij was zevenentwintig, werkte in een boekhandel en woonde boven een bakkerij. Elke ochtend werd hij wakker met de geur van croissants en het gevoel dat andere mensen hun leven beter georganiseerd hadden.
Nu hield hij de hand van zijn grootvader vast.
Hubertus Vercauteren was drieëntachtig en had zijn leven lang machines gebouwd, grond gekocht en gesprekken beëindigd zodra iemand het woord ‘gevoelens’ gebruikte. Zijn overleden vrouw had hem daar ooit op aangesproken.
‘Je bent emotioneel een gereedschapskist,’ had ze gezegd.
‘Wel een degelijke,’ had hij geantwoord.
Toch was hij iedere woensdag naar Dries gekomen. Ze aten broodjes, bespraken boeken die Hubertus niet gelezen had en keken soms twintig minuten zwijgend naar een loszittende kastdeur. Het waren goede woensdagen geweest.
Hubertus opende zijn ogen.
‘Dries.’
‘Ja, opa?’
‘De commode. Derde lade.’
Dries boog voorover. In films werd op zulke momenten een familiegeheim onthuld. Een verborgen kind. Een fortuin. Een sleutel tot een Zwitserse kluis.
‘Die grijze sokken,’ fluisterde Hubertus. ‘Niet aantrekken. Jeuken als de hel.’
Dries lachte, hoewel zijn keel pijn deed.
‘Goed, opa.’
Dat waren Hubertus’ laatste woorden. Een halfuur later stelde de dokter zijn overlijden vast.
De stilte die volgde, was anders dan de stiltes van woensdag.
Dries bleef zitten totdat zijn moeder, Annemie, een hand op zijn schouder legde.
‘Kom even mee naar beneden.’
In de keuken zette ze koffie. Dat was wat hun familie deed wanneer niemand wist hoe het verder moest: water verhitten en mensen iets in handen geven.
Gerda, Hubertus’ jongere zus, haalde de zilveren kandelaars uit de salon.
‘Voor de condoleances,’ zei ze.
Niemand had om kandelaars gevraagd, maar Gerda beschouwde een onbezet tafeloppervlak als een persoonlijke nederlaag.
Haar zoon Karel informeerde naar de autosleutels.
‘Ik wil alleen voorkomen dat ze zoekraken.’
‘Waarom zit je dan al in de bestuurdersstoel?’ vroeg Annemie door het raam.
Karel stapte uit de auto.
‘Ik controleerde of het interieur nog in orde was.’
Ze noemden hem allemaal neef Karel. Dat hij eigenlijk een neef van Dries’ moeder was, werd nooit uitgelegd. Binnen de familie betekende ‘neef’ vooral dat iemand niet dagelijks meeat.
De begrafenisondernemer kwam tegen de avond. Ze spraken over een afscheid op vrijdag om drie uur, over bloemen en over Hubertus’ wens om bij zijn vrouw begraven te worden.
‘Geen overdreven gedoe,’ zei Annemie. ‘Dat wilde hij niet.’
Gerda schoof haar lijst met bloemstukken onder een tijdschrift.
Toen de ondernemer vertrokken was, ging Dries naar boven. Hij wilde de wollen sokken uit de lade halen. Niet om ze aan te trekken, maar omdat hij iets wilde doen met die laatste, belachelijke opdracht.
Onder de sokken lag een bruine envelop met het woord TESTAMENT.
Hij bleef ernaar kijken.
Beneden riep Gerda dat de melk zuur was. Dat leek hem een buitengewoon ongepast probleem.
Dries bracht de envelop naar de keuken.
‘Opa had dit in zijn commode.’
Gerda zette onmiddellijk haar bril op. Voor rouw had ze zakdoeken. Voor belangrijke zaken een leesbril.
Het document was met de hand geschreven, gedateerd en ondertekend. Hubertus’ letters stonden rechtop alsof ze een militaire inspectie verwachtten.
‘Aan mijn dochter Annemie laat ik de helft van mijn nalatenschap,’ las Gerda.
Annemie slikte.
‘Het beschikbare gedeelte laat ik aan mijn kleinzoon Dries.’
Karel zette zijn kopje neer met het geluid van een kleine teleurstelling.
Gerda las verder.
‘Op voorwaarde dat hij vóór mijn begrafenis in het huwelijk treedt. Indien hij hieraan niet voldoet, gaat dit gedeelte naar de Stichting tot Behoud van Historische Duivenhokken.’
Niemand zei iets.
Vanuit de gang keek Hubertus’ opgezette fazant de keuken in. Zelfs die leek het overdreven te vinden.
‘Lees dat laatste nog eens,’ zei Dries.
Gerda deed het met zichtbaar plezier.
‘Een huwelijk?’ vroeg hij.
‘Je grootvader heeft niet over een abonnement op de sportclub geschreven.’
Annemie nam het papier over.
‘Dit is jaren geleden opgesteld. We weten niet of dit nog geldt. Morgen bellen we de notaris.’
‘Maar vrijdag is de begrafenis.’
‘Daarom trouwen mensen nog niet op maandag.’
Gerda maakte een afkeurend geluid.
‘Hubertus vond altijd dat je te veel nadacht.’
Dat klopte. Dries had ooit drie weken onderzocht welke waterkoker hij moest kopen. Uiteindelijk had zijn moeder er een meegebracht omdat hij zijn thee in een kookpot maakte.
‘Hoeveel is die helft eigenlijk?’ vroeg Karel.
Annemie aarzelde. Haar vader had een bedrijf verkocht, enkele gebouwen verhuurd en jarenlang beleggingen aangehouden. Bij een eerdere bespreking was zijn totale vermogen voorlopig op ongeveer zes miljoen euro geschat.
‘Dat zijn geen zes miljoen op een rekening,’ waarschuwde ze. ‘En er zijn kosten en belastingen.’
Dries hoorde vooral drie miljoen.
Drie miljoen betekende een eigen woning. Minder zorgen. Het lekkende dak van zijn moeder eindelijk herstellen zonder dat zij zei dat een emmer ook een oplossing was.
Het betekende ook dat hij iets kon uitvoeren wat opa blijkbaar nog van hem verlangde.
‘Ik ga trouwen,’ zei hij.
Zijn moeder sloot haar ogen.
‘Je gaat morgen naar de notaris.’
‘Dat ook.’
‘Met wie wil je trouwen?’ vroeg Karel.
Dries keek naar het testament.
Dat onderdeel had hij nog niet uitgewerkt.
Gerda vouwde haar handen.
‘Je langste relatie was met een kamerplant.’
‘Sanne en ik waren acht maanden samen.’
‘Die plant heeft het langer geprobeerd.’
Annemie legde de envelop weg.
‘Vandaag is je grootvader gestorven. Je hoeft vanavond niets anders op te lossen.’
Dries knikte.
Tien minuten later stond hij buiten de yogastudio van Sanne.
Verdriet, ontdekte hij, kon iemand heel overtuigend vertellen dat een verschrikkelijk idee toch dringend uitgevoerd moest worden.
2 Een bruid met eigen pen
Sanne gaf op zondagavond een workshop ontspanning. Dries kende haar goed genoeg om te weten dat binnenvallen daarbij zelden hielp.
Hij deed het toch.
Zes mensen lagen op matjes. Sanne zat voor hen met gesloten ogen.
‘Laat alles los wat je niet langer dient,’ zei ze.
‘Sanne?’
Ze opende één oog.
‘Dat is bijvoorbeeld een uitstekende kandidaat.’
Even later stonden ze in de gang.
Dries legde het testament uit. Bij het woord ‘duivenhokken’ keek Sanne even naar het plafond, alsof ze hulp van een hogere instantie verwachtte.
‘En daarom vraag jij of ik deze week met je wil trouwen?’
‘Ja.’
‘Waarom zijn wij uit elkaar gegaan?’
‘Omdat ik moeilijke beslissingen uitstelde.’
‘En jouw oplossing is nu alle moeilijke beslissingen tegelijk te nemen?’
Hij dacht daarover na.
‘Ik heb een pak.’
‘Dries.’
‘Een donkerblauw.’
Sanne zuchtte en pakte zijn hand.
‘Het spijt me van je opa. Echt. Maar je bent verdrietig en in paniek. Daar hoef je geen echtgenoot bij te bestellen.’
‘Dus nee?’
‘Een zeer ontspannen nee.’
Ze gaf hem een flesje water en stuurde hem naar huis.
Dries ging naar de boekhandel.
Romy, zijn collega, telde de kas na een koopzondag. Ze luisterde terwijl hij tussen de kookboeken en de reisgidsen stond.
‘Trouwen?’ vroeg ze.
‘Voor vrijdag.’
‘Je weet dat ik met Sven verloofd ben.’
‘Ja, maar misschien kon de datum—’
‘Met Sven, Dries.’
‘Juist.’
Hij pakte automatisch een scheefstaand boek recht. Het heette Rust in je hoofd.
Romy keek naar de titel en daarna naar hem.
‘Neem dat mee.’
‘Ik zoek geen zelfhulpboek.’
‘Dat merk ik.’
Ze maakte thee en liet hem vertellen over Hubertus. Niet over het geld. Over zijn grootvader.
Dries vertelde hoe opa iedere verjaardag een envelop gaf met een rond bedrag, maar de envelop zelf zorgvuldig terugvroeg.
‘Die kan nog mee,’ zei hij dan.
Romy moest lachen.
Dries ook. Daarna huilde hij onverwacht boven de reisgidsen voor Portugal.
Romy schoof de thee dichterbij en deed alsof ze dringend een prijssticker moest verwijderen.
Dat was vriendelijker dan alle goedbedoelde toespraken die hij die dag gehoord had.
Om elf uur belandde hij in café De Kromme Kurk. Zijn beste vriend Joep zat aan de toog en bestelde onmiddellijk een tweede glas.
Joep werkte als geluidstechnicus. Hij kon een volledige concertzaal aansluiten zonder één fout, maar zijn eigen verzekeringspapieren lagen in een doos met het opschrift KABELS OVERIG.
‘We moeten eerst weten of dit juridisch kan,’ zei Dries.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Joep. ‘Maar ondertussen kunnen we praktisch denken.’
Dat was bij Joep meestal het moment waarop de problemen zich vermenigvuldigden.
‘Je hebt geen ex nodig. Je hebt iemand nodig die openstaat voor een onverwachte levenswending.’
‘Dat klinkt als een reclame voor een vervallen vakantiepark.’
Joep haalde zijn laptop uit zijn tas.
Een halfuur later lag er een advertentie op tafel.
GEZOCHT: LEVENSPARTNER VOOR SPOEDHUWELIJK.
Fatsoenlijke man, 27 jaar. Goede vooruitzichten. Geen ervaring vereist. Graag eigen pen meenemen.
Dries las hem tweemaal.
‘Waarom die pen?’
‘Dat straalt voorbereiding uit.’
‘En waarom staat er niets over de erfenis?’
‘Dan krijgen we mensen die alleen op geld uit zijn.’
‘Dat is ongeveer mijn volledige voorstel.’
Joep dacht even na.
‘Dan zetten we “ongebruikelijke financiële context”.’
Cafébaas Luc gaf toestemming voor één briefje op het prikbord. Joep plaatste daarnaast een foto in de dorpsgroep, met Dries’ toestemming en een enthousiasme dat niemand meer kon terugnemen.
Binnen tien minuten vroeg iemand of de man ook afzonderlijk te huur was voor het snoeien van een haag.
Een ander schreef: ‘Heeft hij een eigen woning?’
Joep antwoordde: ‘Mogelijk binnenkort.’
Daarop verschenen zeven duimpjes.
De eerste belangstellende kwam tegen middernacht binnen. Chantal droeg een nette jas en duwde een hondenbuggy met vier chihuahua’s.
Luc keek naar de dieren.
‘Als er eentje bestelt, betalen ze allemaal.’
Chantal ging zitten.
‘Ik hou van duidelijke afspraken. Wat zoek je?’
Dries vertelde het hele verhaal.
Ze luisterde zonder hem te onderbreken. Dat gaf hem even hoop.
‘Dus we trouwen,’ zei ze, ‘en daarna gaan we weer uit elkaar?’
‘Dat dacht ik.’
‘En waarom zou ik dat willen?’
Hij opende zijn mond.
Joep nam het over.
‘We staan open voor voorstellen.’
Chantal wees naar de advertentie.
‘Hier staat levenspartner. Ik zoek iemand om mee te leven. Samen koken, wandelen, ruzie maken over de thermostaat. Geen tijdelijke handtekening.’
Dries voelde zijn wangen warm worden.
‘U hebt gelijk. Dat was misleidend.’
‘Ja.’
Ze stond op. Eén chihuahua blafte naar Joep.
‘Die heeft ook gelijk,’ zei ze.
Luc bracht haar nog een koffie op kosten van Dries. Joep veranderde de advertentie, maar inmiddels had iemand er al een schermafbeelding van gemaakt.
Tegen halféén verscheen buurvrouw Elsje.
Ze was zevenenzestig, tweemaal weduwe en eigenares van een regenjas met eenden waarvan geen enkele dezelfde kant op keek.
‘Ik hoorde dat je een vrouw zoekt.’
‘Het ligt iets ingewikkelder,’ zei Dries.
‘Dat doet het na je eerste huwelijk altijd.’
Ze luisterde, bestelde tonic en knikte.
‘Ik heb dinsdag toch niets.’
Dries keek naar Joep.
Joep keek alsof er zojuist een reddingshelikopter op het terras geland was.
‘U zou werkelijk met mij trouwen?’ vroeg Dries.
‘Mijn tweede man at kiwi’s met schil. Mijn eisen zijn sindsdien overzichtelijk.’
‘Maar we kennen elkaar nauwelijks.’
‘Je zet je afval op tijd buiten. Dat is meer informatie dan ik over mijn eerste man had.’
Voordat Dries kon antwoorden, ging de deur open.
Zijn moeder stond op de drempel met haar jas over haar pyjama.
‘Dries.’
Hij had zijn naam uit haar mond nog nooit zo kort horen klinken.
‘Mama, ik kan het uitleggen.’
‘Heel het dorp kan het inmiddels uitleggen.’
Elsje hief haar glas.
‘Hij heeft opties, Annemie.’
‘Hij heeft slaap nodig.’
‘Dat sluit een huwelijk niet uit.’
Joep schoof een schaaltje kaasblokjes naar voren. Hij beschouwde zuivel als een geschikte bemiddelaar.
Annemie ging zitten.
‘Mijn vader is vandaag gestorven. Ik kan niet ook nog bijhouden met welke buurvrouw mijn zoon morgen trouwt.’
Elsje keek haar aan. Toen verzachtte haar gezicht.
‘Nee,’ zei ze. ‘Dat snap ik.’
Dries liet zijn hoofd zakken.
‘Het spijt me.’
Zijn moeder pakte zijn hand.
‘Kom mee. Morgen spreken we iemand die hiervoor geleerd heeft.’
Elsje nam drie kaasblokjes in een servet mee.
‘Voor thuis. Bruidsvoorbereidingen maken hongerig.’
Maar ze knipoogde en drukte Annemie even tegen zich aan.
Toen Dries eindelijk in bed lag, had hij drie afwijzingen, een bijna-bruid van zevenenzestig, een flesje water en een digitale advertentie die inmiddels in twee naburige gemeenten circuleerde.
Het pak hing nog in de kast.
Voor het eerst die avond leek dat hem onvoldoende.
3 Anne en de burgerlijke stand
Om acht uur de volgende ochtend belde tante Gerda.
‘De slager verkoopt bruidsworstjes.’
Dries staarde naar het plafond.
‘Waarom vertel je me dat?’
‘Ik dacht dat je graag op de hoogte bleef.’
Ze hing op.
Om halfnegen belde het notariskantoor terug. Van Heumen kon hen om elf uur ontvangen. Annemie zou de papieren en het bewijs van overlijden meenemen.
Om negen uur werd er geklopt.
Op de overloop stond Anne, met twee koffiekoeken in een papieren zak.
Ze woonde twee straten verderop, werkte in de bibliotheek en kende Dries sinds de lagere school. Ze kwamen elkaar nog geregeld tegen bij lezingen en boekenleveringen. Dries kon dan uitstekend praten over romans, totdat Anne hem iets persoonlijks vroeg.
Dan veranderde hij in een meubelstuk.
‘Gecondoleerd,’ zei ze.
Hij knikte en deed de deur verder open.
Anne keek naar de mokken in zijn gootsteen.
‘Je hebt een indrukwekkend archief opgebouwd.’
‘Ik was nog niet aan de afwas toegekomen.’
‘Sinds wanneer? De herfst?’
Ze ging zitten en legde de zak op tafel.
‘Joep heeft me gebeld.’
‘Dat had hij niet moeten doen.’
‘Hij vroeg of de bibliotheek een afdeling had voor onmiddellijk beschikbare echtgenoten.’
Dries sloot zijn ogen.
‘Wat zei je?’
‘Dat wij niets uitlenen wat daarna met de helft van iemands huis kan vertrekken.’
Hij moest lachen. Het deed hem onverwacht goed.
Anne liet hem vertellen. Over opa, de lade, het testament, het café. Toen hij klaar was, brak ze een koffiekoek doormidden.
‘Goed. Eerst eten. Daarna controleren we wat waar is.’
‘Wil je me helpen?’
‘Ja. Onder voorwaarden.’
Hij keek hoopvol op.
‘Eén: je vertelt me alles. Twee: je houdt op mensen als noodoplossing te behandelen. Drie: je doet niets met een handtekening voordat je begrijpt wat je ondertekent.’
‘Dat klinkt redelijk.’
‘Vier: na afloop krijg ik lunch.’
‘Bij de slager?’
‘Absoluut niet.’
Ze gingen naar het gemeentehuis, dat tegenover de bibliotheek lag. Anne kende de route. Dries had het gebouw voornamelijk bezocht voor identiteitskaarten en boetes die hij te laat betwist had.
Aan de balie zat mevrouw De Smet, met een brilketting en de kalmte van iemand die dagelijks uitlegde waarom een pasfoto niet hetzelfde was als een vakantiefoto.
‘Wij willen informatie over trouwen,’ zei Anne.
Mevrouw De Smet keek naar hen.
‘Zijn jullie het paar van de advertentie?’
‘Wij zijn geen paar,’ zei Anne.
Dries voelde dat zinnetje harder aankomen dan nodig was.
‘In elk geval niet van de advertentie,’ voegde ze toe.
Hij wist niet of dat hielp.
Mevrouw De Smet legde de gewone procedure uit. Voor een huwelijk moest aangifte worden gedaan; de wettelijke wachttijd bedroeg minstens veertien dagen. Ze controleerde daarbij ook de nodige gegevens en documenten.
‘Dus niet vrijdag?’ vroeg Dries.
‘Niet via de gewone procedure, als je vandaag pas begint.’
‘Ook niet met een verklaring van de notaris?’
‘Een notaris kan veel. De week verlengen hoort daar niet bij.’
Anne schoof haar stoel iets naar achteren.
‘We doen geen aangifte. We hadden vooral behoefte aan een volwassen antwoord.’
‘Dan zijn jullie hier goed,’ zei mevrouw De Smet.
Buiten bleef Dries op de trappen staan.
‘Ik heb het volledig verkeerd aangepakt.’
‘Je bent gisteren je opa verloren.’
‘Dat maakt die advertentie niet beter.’
‘Nee. Maar het verklaart waarom je niet op je scherpst bent.’
Anne zei het zonder hem uit te lachen. Dat maakte het makkelijker om naast haar verder te lopen.
Notaris Van Heumen had een smal gezicht, keurige manchetten en een stem die ieder woord eerst op bruikbaarheid leek te controleren.
Gerda en Karel waren ook gekomen. Gerda had aangekondigd dat ze als familiegetuige aanwezig moest zijn. Niemand wist waarvan.
Van Heumen bekeek het gevonden document.
‘Ik begrijp dat dit onrust veroorzaakt heeft.’
‘Er is een buurvrouw bij betrokken geraakt,’ zei Annemie.
‘Dan is onrust wellicht voorzichtig geformuleerd.’
Hij keek naar Dries.
‘U had ons beter eerst geraadpleegd.’
‘Dat begint een terugkerend advies te worden.’
De notaris legde het papier neer.
‘Dit testament is zeven jaar oud. Uw grootvader heeft drie jaar geleden bij mij een nieuw testament gemaakt. Daarin heeft hij zijn eerdere testamenten uitdrukkelijk herroepen.’
Dries hoorde een klok tikken.
‘Dus dit geldt niet meer?’
‘Inderdaad. We hebben de registratie gecontroleerd. Het geldende testament wordt hier bewaard.’
Gerda boog naar voren.
‘En de huwelijksvoorwaarde?’
‘Staat daar niet in.’
‘Helemaal niet?’
‘Ook niet in kleine letters.’
Dries liet zijn adem ontsnappen.
Naast hem begon Anne haar lippen samen te persen. Hij herkende de poging om niet te lachen.
‘Waarom heeft hij dat oude papier dan bewaard?’ vroeg Annemie.
Van Heumen keek over zijn bril.
‘Uw vader bewaarde ook betalingsbewijzen van een boormachine die hij in 1986 had gekocht.’
Daar kon niemand veel tegen inbrengen.
Het nieuwe testament was veel eenvoudiger. Annemie kreeg de helft. Zij was Hubertus’ enige kind; haar beschermde erfdeel werd gerespecteerd. Dries kreeg het overige deel, verminderd met enkele afzonderlijke legaten. De duivenhokkenstichting kreeg vijfentwintigduizend euro. Gerda kreeg de zilveren kandelaars.
‘De kandelaars?’ herhaalde ze.
Van Heumen knikte.
‘Hij noteerde dat u ze toch al jaren onder uw hoede had.’
Karel vroeg of er iets over de auto stond.
‘Die valt onder de verdere verdeling.’
‘Hij had hem graag schoon.’
‘Dat wijzigt de bestemming niet.’
Daarna legde de notaris uit dat de waardering, de schulden, de verdeling en de erfbelasting nog moesten worden uitgewerkt. Niemand zou die middag met een koffer geld naar buiten lopen.
Dries knikte. Drie miljoen klonk nog altijd onwerkelijk, maar minder dringend dan een halfuur geleden.
Van Heumen gaf hem een tweede envelop.
‘Uw grootvader heeft ook een persoonlijke brief achtergelaten. Die is voor u.’
Dries stak hem in zijn jaszak.
Buiten vroeg Anne: ‘Wat nu?’
Hij keek naar haar.
Zijn grootvader kon hem nergens meer toe verplichten. Het geld hing niet van een bruid af. Hij kon naar huis en haar bedanken met een bericht dat hij zes keer zou herschrijven.
‘Eerst die lunch,’ zei hij. ‘En daarna zou ik je graag een keer mee uit vragen.’
‘Een keer?’
‘Een normale keer. Zonder erfenisvoorwaarden.’
Anne keek hem een ogenblik aan.
‘Dat zou een interessante ontwikkeling zijn.’
‘Ik vind je al lang leuk.’
‘Dat vermoedde ik.’
‘Hoe?’
‘Je hebt vorig jaar drie dozen boeken voor me gedragen die op een kar stonden.’
Hij keek naar zijn schoenen.
‘Ik wilde behulpzaam zijn.’
‘Je droeg ook de lege doos.’
Dries lachte beschaamd.
Anne haakte haar arm in de zijne.
‘Lunch, Dries. Je hoeft de rest niet voor vrijdag te regelen.’
4 Afscheid met een vlek
Die middag verwijderde Joep de advertentie en plaatste een rechtzetting. Hij schreef dat er voorlopig geen huwelijk kwam en dat de kandidaat zichzelf uit het aanbod had teruggetrokken.
‘Ik ben geen appartement,’ zei Dries.
Joep veranderde de tekst opnieuw.
Dries belde Sanne, Romy en Chantal. Hij bedankte hen voor hun geduld en bood zijn excuses aan. Chantal nam ze aan, maar vertelde dat één chihuahua nog bedenkingen had.
Elsje deed open met haar eendenjas aan.
‘Ik kwam zeggen dat het van die bruiloft niet hoeft,’ begon hij.
‘Gelukkig. Ik had mijn blouse nog niet gestreken.’
Ze liet hem binnen en zette koffie.
‘Na de dood van mijn eerste man heb ik een caravan gekocht,’ zei ze. ‘Ik hield niet van kamperen. Ik dacht alleen dat ik ergens anders minder verdriet zou hebben.’
‘Werkte dat?’
‘Nee. En de caravan lekte.’
Ze schoof de suiker naar hem toe.
‘Een mens grijpt soms iets vast omdat stilzitten erger lijkt.’
Dries bleef tot zijn koffie koud was. Daarna ging hij naar huis en opende opa’s brief.
Beste Dries,
Ik heb lang gedacht dat je iemand vooruit kon helpen door hem op te jagen. Dat werkte met personeel soms al slecht en met familie nog slechter.
Je oma zei dat ik jouw leven niet moest behandelen als een machine die verkeerd afgesteld stond. Ze had gelijk. Ik vond dat destijds een hinderlijke eigenschap van haar.
Het geld is er om je mogelijkheden te geven. Je hoeft er niets voor te bewijzen. Doe werk waar je achter staat. Zorg voor de mensen die je liefhebt. En als je iemand graag ziet, zeg het dan. Niemand kan gedachten lezen, zelfs tante Gerda niet, al doet ze daar wel naar.
Ik heb genoten van onze woensdagen.
Opa
Dries las die laatste zin opnieuw.
Toen belde hij zijn moeder. Ze praatten niet over de erfenis. Ze vertelden elkaar welke dingen ze zouden missen: zijn gemopper tegen de radio, de pepermuntjes in zijn jas, de manier waarop hij een compliment verpakte als een technische vaststelling.
‘Dat kapsel zit functioneel,’ had hij eens tegen Annemie gezegd.
Ze moesten erom lachen. Daarna waren ze een tijdje stil, ieder aan de eigen kant van de lijn.
Vrijdag droeg Dries zijn donkerblauwe pak.
De kist stond vooraan in de aula. Gerda had uiteindelijk één bloemstuk besteld. Het was groot genoeg om op een plaatselijke rotonde dienst te doen, maar niemand maakte daar een opmerking over.
Dries sprak over zijn grootvader. Zijn eerste zinnen trilden. Daarna vertelde hij over de enveloppen die terug moesten, de waterkoker en de woensdagen.
‘Opa hield niet van verspilling. Toch heeft hij nooit gedaan alsof de tijd die hij met mij doorbracht ergens anders nuttiger besteed kon worden.’
Hij keek even naar Anne, die naast zijn moeder zat.
‘Dat is wat ik van hem wil onthouden.’
Op de begraafplaats waaide het zacht. Hubertus werd naast zijn vrouw begraven, zoals hij gewenst had.
Gerda huilde. Deze keer zag Dries gewoon een vrouw die haar broer kwijt was. Hij legde een hand op haar arm.
‘Hij kon verschrikkelijk koppig zijn,’ fluisterde ze.
‘Ja.’
‘Als kind al. Hij heeft ooit drie dagen niet met mij gesproken omdat ik zijn meetlat had gebruikt.’
‘Waarvoor?’
‘Om te kijken of mijn pop in zijn gereedschapskist paste.’
Dries drukte haar arm even.
Toen viel er iets op Karels schouder.
Hij keek omhoog. Op een tak zat een duif.
‘Nee,’ zei Karel zacht.
Joep keek naar de witte vlek, toen naar Dries. Zijn mond begon gevaarlijk te bewegen.
Gerda gaf Karel een zakdoek.
‘Niet vegen. Deppen.’
Dat was het moment waarop Annemie moest lachen. Ze hield een hand voor haar mond. Dries volgde, met tranen die niet uitsluitend bij het lachen hoorden.
De begrafenisondernemer keek discreet de andere kant op.
Later, bij de koffie, sprak Dries met Pieter, een bestuurslid van de duivenhokkenstichting die Hubertus persoonlijk had gekend.
‘We bewaren oude gebouwen en de verhalen erachter,’ legde Pieter uit. ‘Uw grootvader hielp ons bij een restauratie. Hij vond vooral dat wij betere schroeven moesten gebruiken.’
Dries schaamde zich voor hoe gemakkelijk hij de stichting tot vijand had gemaakt.
‘Ik ben blij dat jullie iets krijgen,’ zei hij.
‘Dat zijn wij ook. En voor de duidelijkheid: niemand hoeft ervoor te trouwen.’
Anne bracht Dries een broodje.
‘Je hebt nauwelijks gegeten.’
‘Jij houdt de lunchvoorwaarden streng in het oog.’
Hun eerste echte afspraak was een week later. Dries kwam een kwartier te vroeg. Anne vijf minuten te laat.
‘Een gunstige gezamenlijke gemiddelde afwijking,’ zei hij.
‘Heb je dat voorbereid?’
‘Sinds de parkeerplaats.’
Er kwamen meer afspraken. Ze wandelden, kookten en ontdekten dat Anne midden in een film vragen stelde die Dries ook niet kon beantwoorden. Dries liet kastdeurtjes open. Anne zette lege verpakkingen terug wanneer ze dacht dat er nog iets in zat.
De afhandeling van de nalatenschap duurde maanden. Annemie liet haar dak herstellen. Gerda kreeg haar kandelaars. De stichting ontving haar legaat. Karel kocht de auto uit de nalatenschap voor een afgesproken, redelijke prijs.
Dries bleef in de boekhandel werken. Hij hoefde niet langer rijk te worden door iemand tot haast te verleiden.
Acht maanden na opa’s dood vroeg hij Anne ten huwelijk, tijdens de afwas.
Hij had een echte ring gekocht en een toespraak voorbereid.
Van de toespraak kwam weinig terecht.
‘Ik wil graag mijn leven met je delen,’ zei hij. ‘Ook de gewone stukken.’
Anne keek naar de ring. Toen naar de pan in haar handen.
‘Inclusief deze?’
‘Zelfs deze.’
Ze zette de pan neer.
‘Ja, Dries.’
Ditmaal hoefde niemand eerst een notaris te bellen.
5 De juiste ja
Het huwelijk vond plaats in het voorjaar, ruim een jaar na Hubertus’ overlijden.
De aangifte was tijdig gedaan, de documenten waren in orde en de datum was gekozen omdat Dries en Anne die zelf mooi vonden.
Joep had voorgesteld vrijdag om drie uur te nemen.
Anne had hem aangekeken.
‘Zaterdag om elf uur,’ had hij onmiddellijk gezegd. ‘Een uitstekende tijd.’
Gerda ontfermde zich over de tafelversiering. Ze vond het budget laag.
‘Er zijn geen twaalf mensen overleden,’ zei Anne. ‘We hebben geen twaalf bloemstukken nodig.’
Ze bereikten een akkoord over kleine vaasjes en twee kandelaars.
Gerda beschouwde dat als een overwinning voor de zilverindustrie.
Dries en Anne hadden vooraf met Van Heumen gesproken over hun financiële afspraken. Daarna hadden ze thuis verder gepraat over werk, wonen en wat ieder belangrijk vond. Dat gesprek duurde langer dan hun eerste kennismaking bij de burgerlijke stand, maar niemand hoefde zich te haasten.
Ze zouden na het huwelijk verhuizen naar een huis met een kleine tuin, genoeg ruimte voor boeken en een dak dat een keuring door Annemie had doorstaan.
‘Ik hoor niets druppelen,’ had zij tevreden vastgesteld.
Op de ochtend van de bruiloft stond Joep om acht uur voor Dries’ deur.
Hij droeg een pak, hield een kledingroller vast en zag eruit alsof hij een belangrijke evacuatie leidde.
‘Ik ben volledig voorbereid.’
‘Waar zijn de ringen?’
Joep klopte op zijn binnenzak.
‘Veilig.’
‘Laat zien.’
‘Vertrouw je me niet?’
Dries bleef hem aankijken.
Joep haalde een doosje boven. Erin lagen twee plastic ringen met de woorden FOREVER FRIENDS.
Dries zei niets.
‘Herinnering aan de eerste poging,’ verklaarde Joep haastig. ‘De echte zitten hier.’
Hij haalde het andere doosje tevoorschijn.
Dries controleerde het en stak het in zijn eigen zak.
‘Een goede getuige kent zijn grenzen,’ zei Joep.
‘Dat lijkt me een doel voor vandaag.’
Beneden kreeg Dries van de bakker een koffiekoek in de vorm van een hart.
‘Voor onderweg.’
‘Dank je.’
Bij het gemeentehuis stonden Annemie en Elsje al te wachten. Elsje droeg de nette blouse die ze een jaar eerder niet had hoeven strijken.
‘Toch nog gebruikt,’ zei ze.
Anne kwam even later met haar ouders. Haar jurk was eenvoudig. Dries zag haar glimlachen en vergat de helft van wat hij tegen Joep had willen zeggen.
‘Daar is het meubelstuk,’ fluisterde ze toen ze naast hem stond.
In de trouwzaal zat mevrouw De Smet klaar om de administratie te begeleiden. De schepen zou het huwelijk voltrekken.
De Smet herkende hen onmiddellijk.
‘Het is dus toch een paar geworden.’
‘Zonder advertentie,’ zei Anne.
‘Een duidelijke verbetering.’
Dries’ moeder en Joep waren hun getuigen. Karel zat op de tweede rij, zorgvuldig uit de buurt van het open raam.
Gerda kwam als laatste binnen. Ze had haar hoed in de auto vergeten en die alsnog opgehaald.
‘Ik heb bezwaar,’ zei ze terwijl ze ging zitten.
Dries verstarde.
‘Tegen die verwarming. Een mens zou hier moeten kunnen ademhalen.’
Mevrouw De Smet draaide rustig een radiatorknop dicht.
‘Opgelost.’
De schepen begon. Er werden wettelijke bepalingen voorgelezen over de rechten en plichten van echtgenoten. Joep luisterde opvallend aandachtig. Bij het woord ‘bijstand’ knikte hij alsof hij zelf een belangrijke bijdrage had geleverd.
Daarna kwam de vraag.
Dries keek naar Anne.
Hij dacht aan hun eerste lunch. Aan de woensdag waarop hij opeens weer om zijn opa had gehuild en zij eenvoudig naast hem was gaan zitten. Aan de film waarvan ze allebei het einde hadden gemist omdat ze onderweg ruzie hadden gekregen over wie de moordenaar was.
Hij dacht aan de pan bij de afwas.
‘Ja,’ zei hij.
Anne antwoordde even duidelijk.
Toen de schepen hen in naam van de wet door het huwelijk verbonden verklaarde, begon Annemie te huilen. Gerda gaf haar een zakdoek en pakte voor zichzelf een tweede.
Dries schoof de ring om Annes vinger.
Ze kuste hem.
Joep keek naar een zakje in zijn hand.
‘Buiten,’ zei mevrouw De Smet zonder haar stem te verheffen.
Hij stopte de confetti terug.
Op de trappen gooide hij te vroeg. De wind stuurde een handvol papiertjes tegen zijn eigen gezicht.
Elsje plukte er eentje uit zijn haar.
‘Je moet met de omstandigheden samenwerken, jongen.’
Na de foto’s ruimden ze de papiertjes op. Karel hielp, al keek hij bij ieder vogelgeluid omhoog.
De lunch werd gehouden in een kleine feestzaal. Er waren broodjes, warme gerechten en meer dessert dan Anne oorspronkelijk besteld had. Gerda had ‘voor de zekerheid’ nog twee taarten laten brengen.
Tijdens zijn toespraak bedankte Dries iedereen. Ook Sanne en Romy, die samen met haar man Sven gekomen was.
‘En Chantal heeft een kaart gestuurd,’ zei hij. ‘Drie honden wensen ons geluk. Met de vierde zijn de onderhandelingen nog bezig.’
Joep lachte het hardst.
Later ging Gerda naast Dries zitten.
‘Je opa had hier graag bij willen zijn.’
Hij knikte.
Gerda legde haar hand op de zijne.
‘Je hebt goed gekozen.’
Het was een klein zinnetje, zonder voorwaarden of opmerkingen over planten. Dries wist hoeveel dat bij haar betekende.
Toen de laatste gasten vertrokken waren, gingen hij en Anne naar hun nieuwe huis. Het rook naar verf, boeken en de lasagne die Annemie in de koelkast had gezet.
Ze aten nog een klein stukje taart aan de keukentafel.
Opa’s brief lag veilig opgeborgen in het bureau. De erfenis was afgehandeld. Zijn moeder zat droog, Gerda had haar zilver en niemand hoefde nog iets te bewijzen aan een oude envelop.
Anne legde haar voeten op Dries’ schoot.
‘Waar denk je aan?’
‘Dat ik bijna met Elsje getrouwd was.’
‘Ze heeft een uitstekend systeem voor de afvalophaling.’
‘Dat gaf inderdaad de doorslag.’
Anne lachte en pakte zijn hand.
Dries keek naar hun trouwringen. Hij had er geen deadline voor gehaald en niemand ermee gered. Hij had gewoon ja gezegd tegen het leven dat ze samen wilden.
Soundtrack
[Intro — funky bass, sweeping strings, handclaps]
Ooh, bring it, bring it!
Bring your own heart!
Everybody’s talking—
Let the music start!
[Verse 1]
Coffee cooling in the kitchen,
Silver polished till it shines.
Everybody’s making plans here,
I’m still trying to read the signs.
Grey socks waiting in the third drawer,
Something folded underneath.
Got a blue suit on a hanger,
Got no time to stop and breathe.
[Pre-Chorus]
Tick-tock, the town is talking,
Tick-tock, “Don’t be late!”
But a feeling needs some breathing room—
Some things just have to wait.
[Chorus]
Bring your own heart—bring it, baby!
Leave that ticking clock outside.
Bring your own heart—bring it, baby!
Come and dance here by my side.
We got tears in our laughter,
We got two feet on the floor.
Bring your own heart—bring it, baby!
That’s what I’ve been looking for.
[Verse 2]
There’s a notice: “Need a partner!
Come prepared and bring your pen.”
Four small dogs inspect the offer—
Here we go, here we go again!
A duck-print raincoat in the doorway,
Free advice from every chair.
Now the whole town knows my business—
Can a man get any air?
[Pre-Chorus]
Tick-tock, the town is talking,
Tick-tock, “Don’t be late!”
But a feeling needs some breathing room—
Some things just have to wait.
[Chorus]
Bring your own heart—bring it, baby!
Leave that ticking clock outside.
Bring your own heart—bring it, baby!
Come and dance here by my side.
We got tears in our laughter,
We got two feet on the floor.
Bring your own heart—bring it, baby!
That’s what I’ve been looking for.
[Disco Break — brass hits, playful call and response]
Got your pen? (Got my pen!)
Got your shoes? (Got my shoes!)
Got a heart beneath that blue suit?
Let it loose, let it loose!
Ooh, shake a little worry!
Ah, make a little room!
Everybody’s in a hurry—
But a heart needs time to bloom!
[Bridge — warm vocals, strings rising, groove continues]
Half a pastry on the table,
And a coffee going cold.
You don’t offer me an answer;
You just let the day unfold.
Some days I still miss those Wednesdays,
When a quiet room was home.
You don’t have to fill the silence,
Just don’t let me sit alone.
[Final Chorus — full harmonies]
Bring your own heart—bring it, baby!
Leave that ticking clock outside.
Bring your own heart—bring it, baby!
Come and dance here by my side.
We got tears in our laughter,
We got two feet on the floor.
Bring your own heart—bring it, baby!
That’s what I’ve been looking for.
[Outro — falsetto backing vocals, disco fade]
Bring it, bring it!
Bring your own heart!
A little less forever talk,
A little more of who you are.
Bring it, bring it!
Let your heartbeat answer mine.
Bring your own heart, baby—
Let the loving take its time.
Reactie plaatsen
Reacties