Tranen, Trouwringen en Tante Gerda
De kast van het verhaal
Wanneer opa Hubertus sterft, laat hij zijn kleinzoon Dries een gigantische erfenis na — maar met één absurde voorwaarde: hij moet trouwen vóór de begrafenis. Wat volgt is een dolkomische race tegen de klok vol opdringerige familieleden, mislukte bruiden, papierwerk, dorpsroddels en een tante die allesbehalve tevreden is. Tussen paniek, trouwringen en oude familiegeheimen ontdekt Dries dat liefde soms verschijnt op het meest onmogelijke moment.
Leestijd ongeveer 15 minuten.
Hoofdstuk 1 — De laatste woorden van opa Hubertus
Toen dokter Peeters zei dat opa Hubertus Vercauteren “niet lang meer had”, bleek dat ieder familielid daar iets anders onder verstond.
Dries hoorde: blijf bij hem.
Zijn moeder Marleen hoorde: probeer overeind te blijven.
Tante Gerda hoorde: poets de zilveren kandelaars, want straks komen er deftige mensen op de koffie.
Neef Karel hoorde: zoek discreet uit waar de autosleutels liggen.
Het huis van Hubertus stond aan het einde van een lindelaan: een statige woning met hoge ramen, zware gordijnen en een voordeur die kraakte alsof ze iedere bezoeker wantrouwde. Binnen rook het naar boenwas, oude boeken en de opgezette fazant die al jaren in de gang stond te kijken alsof hij elk familiegeheim kende.
Hubertus was altijd een man van stilte geweest. Niet de vriendelijke stilte van iemand die luistert, maar de zware stilte van iemand die weet dat anderen vanzelf zenuwachtig worden als hij niets zegt. Hij sprak weinig, maar als hij iets zei, klonk het alsof het in steen gebeiteld hoorde te worden.
Als kind had Dries vaak geprobeerd zijn grootvader aan het lachen te maken. Met tekeningen, met moppen, met een keer zelfs een dansje achter de sofa. Hubertus had dan alleen zijn wenkbrauw opgetrokken. Pas jaren later had Marleen verteld dat opa na zo’n dansje in de keuken minutenlang had staan grinniken. Hubertus deed zijn genegenheid niet openlijk. Hij verstopte ze in enveloppen, droge opmerkingen en schaaklessen waarbij hij Dries genadeloos versloeg, maar hem daarna wel chocolademelk gaf.
Nu lag hij in bed, smaller dan vroeger, maar nog altijd met die strenge waardigheid. Dries zat naast hem op een harde stoel en hield zijn hand vast.
Dries was zevenentwintig, werkte in een boekhandel en woonde boven een bakker, waardoor zijn jassen vaak naar kaneel en vers brood roken. Hij was vriendelijk, onzeker en sociaal onhandig. In moeilijke situaties viel hij soms zo stil dat zijn beste vriend Joep dat “meubelstand” noemde.
Beneden in de salon poetste Tante Gerda het zilver. Gerda had een strak kapsel, priemende ogen en een mond die standaard op afkeuring stond. Zij rouwde graag met rechte rug en glimmende kandelaars.
Neef Karel liep ondertussen langs kasten, laden en sleutelkastjes. Karel had het soort gezicht waarop onschuld altijd net te laat arriveerde.
“Prachtige wagen had nonkel Hubertus toch,” zei hij luchtig.
Marleen keek op. “Hij leeft nog, Karel.”
“Dat weet ik. Ik zeg het met respect.”
“Jij zegt niets met respect. Jij zegt dingen met bijbedoelingen.”
Karel legde beledigd een hand op zijn borst. “Ik toon interesse in familiegeschiedenis.”
“De auto is geen familiegeschiedenis.”
“Dat hangt ervan af wie hem erft.”
Gerda klikte met haar tong. “Jullie maken ruzie terwijl Hubertus boven ligt.”
“Jij poetst zilver alsof de koning straks komt bieden,” zei Marleen.
Gerda snoof. “Iemand moet aan de waardigheid denken.”
Boven kneep Hubertus zacht in Dries’ hand.
“Dries…” fluisterde hij.
Dries boog zich naar hem toe. “Ja, opa?”
“In de commode…”
Dries keek naar de donkere houten kast tegenover het bed.
“Derde la…”
“Ja, opa?”
Hubertus opende één oog. Zelfs stervend kon hij nog iemand tot stilte dwingen.
“Niet die sokken aantrekken.”
Dries knipperde. “Wat?”
“Die jeuken als de hel.”
Dat waren zijn laatste woorden.
Een uur later zat de familie in de salon alsof er een veiling begon. De koffie was koud, de gordijnen halfgesloten en de opgezette fazant keek toe vanuit de gang.
Toen notaris Van Heumen binnenkwam, werd het stil. Hij was dun, met een hoofd als een uitroepteken en een stem als een vastgelopen lade. Zijn aktetas leek ouder dan sommige aanwezigen.
Hij kuchte plechtig.
“Volgens het testament van wijlen Hubertus Vercauteren gaat de volledige nalatenschap — woning, landerijen, aandelen, schilderijen en de opgezette fazant in de gang — naar zijn kleinzoon Dries Vercauteren.”
De kamer verstarde.
“Alles?” vroeg Dries.
“Alles,” zei Van Heumen.
Tante Gerda kneep haar ogen samen. “Dat kan Hubertus nooit bedoeld hebben.”
“Het staat hier letterlijk,” zei de notaris.
Hij stak een vinger op. “Er is echter een voorwaarde.”
Iedereen boog naar voren.
“De erfgenaam dient in het huwelijk te treden vóór de begrafenis van de overledene. Bij gebreke daarvan vervalt het gehele vermogen aan de Stichting tot Behoud van Historische Duivenhokken.”
Er viel een stilte waarin je soep had kunnen roeren.
“Wat?” zei Dries.
“Een huwelijk,” herhaalde Van Heumen. “Vóór morgenmiddag drie uur.”
“Maar dat is over twintig uur.”
“Inderdaad,” zei de notaris tevreden.
Tante Gerda begon te lachen. “Nou jongen, succes ermee. Je bent zevenentwintig, woont boven een bakker, en de langste relatie die je ooit had was met een kamerplant.”
“Die plant liet hem ook nog zitten,” mompelde Karel.
Dries stond langzaam op.
“Ik ga trouwen,” zei hij.
Zijn moeder keek hem aan. “Met wie?”
Dat bleek een ingewikkeld detail.
Hoofdstuk 2 — De eerste bruiden
Buiten voelde de lucht koud en helder. Dries liep over het grindpad terwijl in zijn hoofd één zin bleef rondtollen: vóór morgen drie uur.
Opa had dit expres gedaan. Hubertus deed niets zomaar. Hij had zijn familie gekend: Gerda met haar hebzuchtige fatsoen, Karel met zijn rekensomogen, Marleen met haar stille zorgen, en Dries met zijn eindeloze getwijfel.
De eerste naam die Dries belde was Sanne.
Sanne was zijn ex-vriendin. Hun relatie was geëindigd nadat zij had vastgesteld dat Dries “emotioneel onvoldoende geland was in zijn eigen aanwezigheid”. Dries had dat willen tegenspreken, maar was toen zo lang stilgevallen dat ze haar punt bewezen vond.
Sanne had nu een yogastudio. Toen Dries binnenkwam, zat ze in kleermakerszit voor een groep cursisten.
“Voel je innerlijke spons,” zei ze zacht. “Laat hem opnemen wat hij nodig heeft.”
“Sanne?” zei Dries.
Ze opende één oog. “Dries?”
“Het is dringend.”
“Dringendheid is vaak weerstand tegen overgave.”
“Mijn opa is dood.”
Ze stond meteen op. “O. Dat is wel dringend.”
Buiten vertelde Dries alles. Sanne luisterde met haar serene yogablik. Ze droeg losse kleding, rook naar wierook en muntthee, en leefde naar eigen zeggen los van aardse bezitssystemen.
“Dus,” zei ze, “je moet trouwen vóór morgenmiddag?”
“Ja.”
“Anders gaat alles naar historische duivenhokken?”
“Ja.”
“Wat symbolisch.”
“Sanne, wil je met me trouwen?”
Ze keek hem rustig aan. “Ik probeer juist los te komen van aardse bezitssystemen.”
“Ik erf zes miljoen euro.”
Ze kneep één oog dicht. “Hoeveel aardse bezitssystemen precies?”
“Een huis, grond, aandelen…”
“En waarom ben ik alweer je ex?”
“Omdat jij zei dat ik emotioneel ongeschikt was.”
“En wat doe je nu?”
“Ik vraag je ten huwelijk om fiscale redenen.”
“Helder,” zei ze. “Nee.”
“Zelfs niet voor heel korte duur?”
“Dries, een huwelijk is geen paraplu die je leent tot de bui over is.”
“Het is wel een vrij hevige bui.”
“Dat zie ik. Maar je zoekt geen vrouw. Je zoekt een nooduitgang.”
Daar kon hij weinig tegenin brengen.
Zijn tweede poging was Romy, zijn collega in de boekhandel. Romy stond bij de kookboeken en had de scherpe blik van iemand die mensen kon beoordelen op basis van hun keuze voor pastasaus.
“Trouwen?” vroeg ze, nadat Dries zijn verhaal had gedaan.
“Ja.”
“Met jou?”
“Liefst vóór morgen drie uur.”
“Ik weet niet eens wat je sterrenbeeld is.”
“Maagd.”
“Dat verklaart veel.”
“Er is geld.”
“Dat verklaart alles. Hoeveel?”
“Zes miljoen.”
Romy zette langzaam een kookboek neer. “Vrijstaand huis?”
“Ja.”
“Tuin?”
“Groot.”
“Hm.”
Dries voelde hoop.
“Maar,” zei Romy, “ik trouw volgende maand al met Sven.”
“Sven,” herhaalde Dries.
“Mijn verloofde.”
“Kan je dat niet vervroegen?”
“Met Sven?”
“Nee. Met mij.”
Romy keek hem aan alsof hij net had voorgesteld de boekhandel op geur te sorteren.
“Dries, jij klinkt niet als iemand met een duurzaam plan.”
“Ik heb een pak.”
“Dat is textiel, geen strategie. Nee.”
Op straat belde Marleen.
“Heb je iemand gevonden?”
“Nee.”
“Je hoeft dit niet te doen voor mij.”
Hij wist meteen dat ze aan haar lekkende dak dacht. Marleen deed altijd alsof haar problemen klein waren, zelfs wanneer het regende in haar keuken.
“Jawel,” zei Dries.
“Mijn dak is mijn probleem.”
“Het lekt al jaren.”
“Alleen als het regent.”
“Mam.”
Ze zweeg even.
“Waar ga je nu heen?” vroeg ze.
“Naar Joep.”
“O nee.”
“Dat is niet bemoedigend.”
“Joep is lief,” zei Marleen. “Maar hij denkt dat elk probleem eenvoudiger wordt als er bier naast staat.”
Daar had ze helaas gelijk in.
Hoofdstuk 3 — De Kromme Kurk
Café De Kromme Kurk lag aan het dorpsplein, tussen een bloemenwinkel en een verzekeringskantoor dat altijd gesloten leek wanneer iemand het nodig had. Binnen was het warm, donker en lawaaierig.
Achter de toog stond Fons, de cafébaas. Hij had opgerolde mouwen, een handdoek over zijn schouder en het gezicht van een man die al te veel geheimen had gehoord om nog ergens van op te kijken. Hij tapte bier met de traagheid van iemand die wist dat haast meestal eindigde in gebroken glas.
Joep zat achterin.
Joep was Dries’ beste vriend sinds de middelbare school. Hij had rommelig haar, een jas die altijd naar café rook en de gevaarlijke overtuiging dat slechte ideeën vaak onderschat werden. Hij was loyaal, vrolijk en volledig ongeschikt voor situaties waarin voorzichtigheid gewenst was.
“Je ziet eruit alsof je door een notaris bent overreden,” zei hij.
“Bijna.”
Dries vertelde alles. Joep luisterde aandachtig terwijl hij met pinda’s een schema op tafel maakte. Eén pinda was Dries, één pinda was de erfenis, drie pinda’s waren volgens Joep “juridische paniek”.
Toen Dries klaar was, nam Joep een slok bier.
“Je denkt te klein.”
“Dat lijkt me onmogelijk.”
“Je zoekt liefde. Fout. Je zoekt een bruid.”
“Dat klinkt alsof ik een tweedehands fiets zoek.”
“Exact.”
“Joep.”
“Er moet ergens iemand zijn die snel wil trouwen. Voor goede voorwaarden.”
“Dat is krankzinnig.”
“Dat,” zei Joep trots, “is waarom het kans maakt.”
Een uur later hingen er A4’tjes op drie lantaarnpalen, twee supermarktdeuren en het prikbord van de bibliotheek.
GEZOCHT: BRUID
Spoedhuwelijk vóór morgen 15.00 uur
Goede voorwaarden
Geen ervaring vereist
Graag eigen pen meenemen
Onderaan had Joep geschreven:
M/V niet uitgesloten, maar opa was ouderwets, dus liever V.
“Dat kan echt niet,” zei Dries.
“Transparantie wekt vertrouwen.”
“Dit wekt bezorgdheid.”
“Ook een emotie.”
Om kwart voor één zwaaide de cafédeur open.
Chantal kwam binnen.
Ze droeg een jas met nep bont, glimmende laarzen en een handtas waar vier Chihuahua’s uit keken alsof zij de juridische afdeling vormden.
“Wie zoekt een bruid?” vroeg ze.
Dries stak voorzichtig zijn hand op.
Chantal bekeek hem. “Hm.”
“Is dat positief?”
“Dat hangt af van de voorwaarden.”
Ze ging zitten. “Mag ik na het huwelijk direct scheiden?”
“Van mij wel,” zei Dries.
“Hoe zit het met alimentatie, huisrechten en de Chihuahua-clausule?”
“De wat?”
“Mijn honden slapen tussen ons in.”
“Wij gaan niet samenleven.”
Chantal trok haar wenkbrauwen op. “Dus jij wil wel trouwen, maar niet investeren in intimiteit?”
“Het is een schijnhuwelijk.”
“Ik voel me gebruikt.”
“Dat is letterlijk de kern van de deal,” zei Joep.
Chantal gooide een bitterbal naar hem.
“Kom, kinderen,” zei ze tegen haar honden. “Wij verdienen beter.”
Tegen drie uur ’s nachts begon Dries’ wanhoop lichamelijke vormen aan te nemen. Zijn ogen brandden, zijn haar stond alle kanten op en Joep bleef hinderlijk optimistisch.
Toen ging de deur opnieuw open.
Buurvrouw Elsje stapte binnen.
Elsje was zevenenzestig, droeg een regenjas met eenden print en bezat de energie van iemand die koffiedronk uit woede. Ze had scherpe ogen en een kin die geen tegenspraak duldde.
“Ik hoorde van de briefjes,” zei ze.
“Natuurlijk,” mompelde Dries.
“Hoeveel krijg je?”
“Zes miljoen.”
“En wat moet jij doen?”
“Trouwen voor de begrafenis.”
“Dat is alles?”
“Ja.”
Elsje haalde haar schouders op. “Nou, ik heb dinsdag toch niets.”
Dries knipperde. “U wilt met mij trouwen?”
“Waarom niet? Mijn tweede man was erger. Die at kiwi met schil.”
Joep trapte Dries onder tafel. “Dit is goud. Zeg ja.”
Net toen Dries dacht dat het universum misschien toch een oplossing had gestuurd, stormde Marleen het café binnen.
“Dat gaat absoluut niet door!”
“Waarom niet?” vroeg Elsje. “Ik heb een nette blouse.”
“Omdat jij vroeger met mijn vader hebt geflirt!”
Elsje trok haar kin op. “En hij had smaak.”
“Je droeg die groene jurk.”
“Die stond me fantastisch.”
“Je bracht hem appeltaart.”
“Die was ook fantastisch.”
De ruzie ontspoorde. Twee barkrukken sneuvelden, iemand riep “schande!” zonder duidelijke aanleiding, en Joep probeerde iedereen te kalmeren met kaasblokjes.
Fons keek naar de ravage en zuchtte. “Ik zet het op de rekening van de bruidegom.”
“Ik ben nog geen bruidegom,” zei Dries.
“Dan heb je tenminste nog iets om naar uit te kijken.”
Elsje stond uiteindelijk op met de waardigheid van een keizerin.
“Dries,” zei ze, “je lijkt me aardig. Maar je familie is een kelder vol oude ruzies met het licht uit.”
Ze pakte drie bierviltjes.
“Voor onderweg.”
En weg was ze.
Hoofdstuk 4 — Noor aan de deur
Om acht uur ’s ochtends leek Dries alsof hij in één nacht drie keer gescheiden was.
Zijn appartement boven de bakker rook normaal naar warme broodjes, maar vandaag vooral naar paniek. Zijn pak hing over een stoel. Op de vensterbank stond de lege bloempot van zijn voormalige kamerplant.
Zijn telefoon bleef rinkelen.
De begrafenisondernemer vroeg of het witte of crèmekleurige rozen moesten worden.
Notaris Van Heumen meldde dat “de termijn juridisch gezien onverminderd voortschreed”.
Tante Gerda belde, lachte drie seconden en hing weer op.
Karel stuurde: Als het niet lukt met dat trouwen: weet jij toevallig waar opa zijn reservesleutels lagen? Gewoon praktisch.
Dries gooide de telefoon op de bank.
Toen werd er geklopt.
Op de stoep stond Noor Vermeulen.
Noor woonde twee straten verderop en had vroeger bij Dries in de klas gezeten. Ze was slim, scherp en rechtvaardig op een manier die mensen nerveus maakte. Tijdens een schoolreisje had ze ooit een buschauffeur laten huilen omdat hij haar onterecht van zwartrijden had beschuldigd. Ze had niet geschreeuwd. Ze had alleen zijn eigen regels tegen hem gebruikt.
Dries had al jaren een stille zwak voor haar. In haar buurt veranderde hij in een meubelstuk.
“Ik heb gehoord wat er aan de hand is,” zei ze.
“Van wie?”
“Van heel het dorp. De slager verkoopt al bruidsworstjes.”
Dries sloot zijn ogen. “Natuurlijk.”
Ze stapte binnen en keek rond. Boeken op tafel, boeken op stoelen, koude koffie, lege bloempot.
“Is dat de beroemde kamerplant?”
“Wij hebben besloten elk onze eigen weg te gaan.”
“Hij zag er emotioneel veeleisend uit.”
Dries glimlachte zwak.
Noor bleef staan. Ze was niet iemand die zomaar ging zitten in een situatie die ze nog niet had beoordeeld.
“Is het waar? Alles naar jou als je voor drie uur trouwt?”
“Ja.”
“Anders naar historische duivenhokken?”
“Ja.”
“Wat een merkwaardige man was je opa.”
“Je hebt geen idee.”
Noor keek hem aan. “Goed. Ik wil je helpen.”
Dries verslikte zich bijna in hoop. “Echt?”
“Onder voorwaarden.”
“Welke?”
“Eén: je liegt niet tegen me.”
“Goed.”
“Twee: je doet niet alsof dit romantisch is als het dat niet is.”
“Ja. Helemaal niet romantisch.”
Noor trok één wenkbrauw op.
“Drie: als je die erfenis krijgt, betaal je eindelijk dat dak van je moeder. Dat lekt al jaren.”
Dries staarde haar aan. “Dat is verrassend redelijk.”
“Vier: ik wil na afloop een behoorlijke lunch.”
“Lunch?”
“Ik ga niet op een lege maag een schijnhuwelijk aan.”
“Ja. Alles. Lunch, dak, waarheid, geen romantiek.”
Noor kneep haar ogen samen. “Geen romantiek?”
Dries voelde zijn gezicht warm worden. “Ik bedoel… tenzij… niet dat ik…”
“Daar is het meubelstuk weer.”
Ze keek hem even aan, zachter nu.
“Dries, ik help je niet omdat ik graag in een dorpsklucht meespeel. Ik help je omdat jij gisteren bij je opa zat terwijl de rest waarschijnlijk al meubels in gedachten aan het verdelen was. Dat telt voor mij.”
Dries wist niet wat hij moest zeggen.
Dus zei hij niets.
“Meubelstuk,” zei Noor.
Om half tien kwam Joep binnen met koffie, croissants en een plastic zakje.
“Noor!” zei hij. “Fantastisch. Veel beter dan Elsje. Geen belediging aan Elsje. Sterke vrouw. Eenden print.”
Noor wees naar het zakje. “Wat is dat?”
“Ringen.”
Dries werd bleek. “Wat voor ringen?”
Joep haalde twee dunne metalen ringen tevoorschijn. In beide stond gegraveerd: Forever Friends.
“Uit een automaat,” zei hij trots. “Bij het tankstation.”
Noor draaide er één tussen haar vingers. “Er staat een hartje op.”
“Romantisch.”
“Voor een twaalfjarige op kamp.”
“We werken onder tijdsdruk.”
Noor pakte haar telefoon. “De ambtenaar van de burgerlijke stand is pas om half twee beschikbaar.”
“Waarom?” vroeg Dries.
“Cursus intuïtief vilten.”
Joep knikte ernstig. “Belangrijk vakgebied.”
Dries keek naar de klok.
Elke minuut kreeg tanden.
Hoofdstuk 5 — De werkversie van de liefde
Het gemeentehuis rook naar stof, printerinkt en beslissingen die al jaren geleden genomen hadden moeten worden.
Dries, Noor en Joep stonden aan de balie, waar een medewerker met een aarzelende snor probeerde een formulier af te drukken. De printer gromde, slikte papier in en gaf op.
“Hij doet dit normaal nooit,” zei de medewerker.
“Dat zeggen mannen ook altijd vlak voor het misgaat,” zei Noor.
Dries liep heen en weer langs posters over hondenbelasting, afvalscheiding en een gemeentelijke lentewandeling die hem persoonlijk leek te bespotten.
Joep zat op een plastic stoel en poetste de automatenringen met zijn mouw.
“Ze glimmen best.”
“Er staat Forever Friends op,” zei Dries.
“Dat is de basis van elk huwelijk.”
Noor vulde formulieren in met indrukwekkende snelheid.
“Dries, geboortedatum?”
“Zeventien mei.”
“Geboorteplaats?”
“Hier.”
“Burgerlijke staat?”
“Mentale instorting.”
“Ongehuwd,” zei Noor, en ze schreef door.
Tegen kwart over één kwamen Marleen en Karel binnen. Marleen droeg een nette jurk, maar haar gezicht was vermoeid van zorg. Karel droeg een pak dat iets te feestelijk was voor een begrafenis en iets te zelfingenomen voor een huwelijk waar hij geen voordeel uit haalde.
“Moet dit echt?” vroeg Marleen zacht.
Dries knikte.
Ze keek naar Noor. “En jij weet waar je aan begint?”
“Nooit volledig,” zei Noor. “Maar ik heb voorwaarden gesteld.”
“Goed,” zei Marleen. “Dat is verstandig.”
Op weg naar de trouwzaal kregen Marleen en Karel ruzie over de kristallen schaal van oma.
“Jij hebt die meegenomen,” zei Marleen.
“Geleend,” zei Karel.
“Zeven jaar geleden.”
“Familiebezit kent geen klok.”
“Dat klinkt als iets wat je zegt als je iets gestolen hebt.”
Noor boog naar Dries. “Is dit normaal?”
“Voor ons is dit bijna harmonie.”
De ambtenaar van de burgerlijke stand heette mevrouw De Wilde. Ze droeg een grijs vest, stevige schoenen en een brilketting die geschikt leek om een roeiboot mee vast te leggen.
“U bent het spoedgeval,” zei ze.
“Bruidegom mag ook,” zei Dries.
“Niet in mijn ervaring.”
Ze keek naar de papieren. “Waar is de notaris?”
Op dat moment kwam Van Heumen binnen, ademend alsof hij een trap had verloren.
“Excuses,” zei hij. “Ik had mijn leesbril in de koelkast gelegd.”
Iedereen keek hem aan.
“Naast de huzarensalade,” voegde hij toe.
“Dat verklaart niets,” zei Noor.
“Nee,” zei Van Heumen. “Maar het is wel waar.”
Om kwart over twee stonden ze in de trouwzaal: linoleum, vergeelde gordijnen, kunstbloemen en een foto van het koningspaar dat ook niet leek te weten waarom het hierbij aanwezig moest zijn.
Dries stond naast Noor. Voor het eerst die dag was hij niet alleen bang om te laat te zijn, maar ook bang om te snel te gaan. Naast haar staan voelde anders dan hij had verwacht. Minder als een truc. Meer als iets waarvoor hij eigenlijk te weinig moed had.
Mevrouw De Wilde nam plaats.
“Wij zijn hier bijeen om Dries Vercauteren en…”
Ze fronste.
“Waarom staat hier ‘Noor eventueel’?”
Joep stak zijn hand op. “Werkversie.”
Noor gaf hem een blik die hout kon splijten.
Op dat moment vloog de deur open.
Tante Gerda stond in de opening, volledig in zwart. Niet rouwzwart, maar beschuldigend zwart.
“Ik teken protest aan!” riep ze.
Mevrouw De Wilde keek op de klok. “Daar gaan we.”
“Dit is een schijnvertoning,” zei Gerda. “Een farce. Een belediging voor mijn broer zijn nagedachtenis.”
“Uw broer heeft letterlijk deze voorwaarde in zijn testament gezet,” zei Van Heumen.
“Dat maakt het nog geen nette toestand.”
“Hij verzamelde opgezette fretten,” zei Noor. “Volgens mij was netheid nooit het criterium.”
Gerda hapte naar adem alsof iemand haar met een feit had geslagen.
“Dit huwelijk is ongeldig.”
“Op basis waarvan?” vroeg Van Heumen.
“Op basis van gezond verstand.”
“Dat is geen rechtsgrond.”
“Dan zou het dat moeten worden.”
Mevrouw De Wilde tikte met haar pen. “Als er nog iemand een dramatische entree wil maken, graag nu. Ik heb om drie uur vrij.”
Niemand sprak.
Hoofdstuk 6 — Rechtsgeldig
Mevrouw De Wilde richtte zich tot Dries en Noor.
“Wenst u beiden uit vrije wil met elkaar in het huwelijk te treden?”
Dries keek naar Noor.
Plots viel alles stil.
Niet echt. De verwarming tikte. Gerda ademde boos. Joep rommelde met een broodzak vol confetti. Maar voor Dries verdween de rest.
Alleen Noor bleef over.
Noor, die twee straten verderop woonde maar altijd verder weg had geleken. Noor, die voorwaarden stelde omdat ze om waarheid gaf. Noor, die zijn moeder niet vergat. Noor, die hem hielp zonder hem te sparen.
“Noor,” zei hij.
Ze keek naar hem. “Ja?”
“Ik lieg eigenlijk al sinds je hier bent.”
Haar blik werd scherp. “Dat was voorwaarde één.”
“Ik weet het.”
Dries slikte.
“Ik zei dat dit niet romantisch was. Maar voor mij is het dat wel. Niet op een verstandige manier. Eerder op een volstrekt rampzalige manier. Ik vond je op school al leuk. Ik vind je nog steeds leuk. Misschien is dit het slechtste huwelijksaanzoek uit de geschiedenis van het burgerlijk recht, maar als jij nu nee zegt, snap ik dat.”
Joep fluisterde: “Best sterk.”
Marleen sloeg haar hand voor haar mond.
Gerda rolde met haar ogen.
Noor keek Dries een paar tellen aan. Die paar tellen duurden voor Dries langer dan de hele nacht in De Kromme Kurk.
“Je bent een idioot, Dries.”
“Dat is niet per se een nee,” fluisterde Joep hoopvol.
“Nooit geweest ook,” zei Noor.
Ze pakte zijn hand.
“Ja. Ik wil.”
Tante Gerda maakte een geluid alsof iemand op haar ziel was gaan staan.
Mevrouw De Wilde greep het moment alsof ze een trein moest halen.
“Dan verklaar ik u hierbij tot echtgenoten. Ruim op tijd. U mag elkaar kussen, of elkaar een hand geven, afhankelijk van uw emotionele ontwikkeling.”
Dries keek naar Noor.
Noor glimlachte scheef. “Vooruit dan.”
Ze kusten elkaar.
Het was geen filmkus. Geen violen, geen zonlicht door glas-in-lood, geen bloemenregen. De zaal rook naar linoleum en gemeentelijke koffie. De ringen kwamen uit een automaat. Tante Gerda stond drie meter verderop te trillen van verontwaardiging.
En toch voelde het echt.
Toen gooide Joep de broodzak confetti omhoog.
Veel te hard.
De helft vloog in de ventilator. Binnen twee seconden veranderde de trouwzaal in een feestelijke sneeuwstorm van Action-kwaliteit. Glitters dwarrelden op de papieren, in Karels haar, op Gerda’s hoed en in Van Heumens aktetas.
Mevrouw De Wilde sloot haar ogen. “Natuurlijk.”
Gerda sloeg confetti van haar schouders. “Onwaardig. Volstrekt onwaardig.”
“Maar rechtsgeldig,” zei Van Heumen.
“Dat is niet hetzelfde.”
“Nee,” zei Noor. “Maar vandaag is het genoeg.”
Buiten op de trappen van het gemeentehuis waaide de wind de laatste confetti uit Joep zijn haar.
Van Heumen kwam naast Dries staan.
“Mijn felicitaties. De voorwaarde is vervuld.”
“Dus de erfenis…”
“Komt aan u toe. De administratieve afwikkeling volgt, maar juridisch is alles in orde.”
Marleen omhelsde Dries. Daarna pakte ze Noor vast.
“Dank je,” zei ze.
Noor werd even stiller. “Hij had iemand nodig die formulieren sneller invult dan hij panikeert.”
“Dat is een zeldzame gave,” zei Marleen.
Joep hield de lege broodzak omhoog. “Als ringenmanager vind ik dat dit vlekkeloos verlopen is.”
“Je hebt confetti in de ventilator gegooid,” zei Noor.
“Details.”
Karel keek naar Van Heumen. “Dus er is geen enkele mogelijkheid dat de erfenis alsnog verdeeld moet worden?”
“Niet tenzij u kunt bewijzen dat de klok, de wet en het huwelijk gelijktijdig ongeldig zijn,” zei Van Heumen.
Karel zuchtte. “Typisch.”
Toen verscheen Tante Gerda bovenaan de trap.
“Dit krijgt nog een staartje,” zei ze.
“Hopelijk geen opgezette,” zei Joep.
Noor begon te lachen. Dries ook.
Maar lang konden ze niet blijven staan.
Om drie uur was de begrafenis.
Hoofdstuk 7 — De duif en de lunch
De begraafplaats lag achter een lage stenen muur waar klimop overheen groeide. De paden waren smal, de zerken oud, en achteraan stond een kastanjeboom die leek te waken over iedereen die daar lag.
Meneer Verbruggen, de begrafenisondernemer, stond klaar in een donker pak. Hij was een man van zachte stemmen, bloemstukken en plechtige stiltes. Deze familie was duidelijk niet zijn eenvoudigste opdracht.
De kist van Hubertus stond tussen witte rozen.
Dries keek ernaar, en toen kwam het verdriet terug.
Niet als een golf, maar als gewicht.
Opa was dood. Niet alleen de bedenker van een krankzinnige clausule. Niet alleen de man van de sokken. Maar de man die hem had leren schaken, die hem ooit geld had toegestopt toen hij zijn huur niet kon betalen, en die hem had aangekeken alsof hij meer in hem zag dan Dries zelf durfde.
Hubertus was onmogelijk geweest.
Maar hij was er geweest.
Noor nam zacht zijn hand.
Deze keer pakte Dries haar terug.
Meneer Verbruggen begon te spreken.
“Wij zijn hier samen om afscheid te nemen van Hubertus Vercauteren…”
Gerda snikte een paar meter verderop. Niemand wist zeker of ze huilde om haar broer, om de erfenis of om het verval van de familie-eer.
Karel probeerde ernstig te kijken.
Joep stond opmerkelijk stil.
Toen de kist langzaam daalde, voelde Dries zijn keel dichtgaan. Hij dacht aan opa’s stem, aan de schaakstukken op de oude tafel, aan de manier waarop Hubertus nooit “ik ben trots op je” had gezegd, maar wel altijd precies wist wanneer Dries hulp nodig had.
Na de plechtigheid kwam Van Heumen naar hem toe.
“Gefeliciteerd,” zei hij zacht. “Alles is nu rechtsgeldig.”
“Dank u.”
De notaris keek naar het graf. “Uw grootvader was een eigenaardige man.”
“Ik heb hem ooit gevraagd waarom hij deze clausule toevoegde.”
Dries keek op. “En?”
Van Heumen schraapte zijn keel.
“Hij zei: ‘Die jongen denkt te lang na. Als hij ooit gelukkig wil worden, moet ik hem een beetje in brand steken.’”
Dries staarde naar het graf.
Toen begon hij te lachen.
Eerst zacht. Toen harder. Noor keek hem aan en begon ook te lachen. Marleen hoorde het, begreep het en lachte door haar tranen heen.
“Ongepast,” siste Gerda.
Maar toen gebeurde het.
Een duif vloog uit de kastanjeboom. Hij cirkelde kort boven het pad, alsof hij zocht naar het juiste doelwit. Daarna liet hij precies boven Karel iets vallen.
Het kwam vol op zijn hoofd terecht.
Karel verstijfde.
Joep keek. Joep beet op zijn lip. Joep verloor.
Zijn lach begon als een kuch en eindigde als een lichamelijke instorting. Meneer Verbruggen draaide zich om, maar zijn schouders schokten. Marleen moest tegen een grafsteen leunen. Noor veegde tranen uit haar ogen.
Dries keek omhoog.
“Je opa had humor,” zei Noor.
“Gruwelijke humor.”
“De beste soort.”
Karel zocht naar een zakdoek. Gerda deed alsof ze hem niet zag.
“Dit,” zei Gerda, “is precies het verval van de familie-eer.”
“Door een duif?” vroeg Joep.
“Door gebrek aan beschaving.”
“De duif begon.”
Niemand luisterde nog echt naar Gerda.
Toen de mensen richting uitgang liepen, bleef Dries nog even bij het graf staan. Noor bleef naast hem.
“Wat nu?” vroeg ze.
“Eerst het dak van mijn moeder.”
“Goed.”
“Dan het huis bekijken zonder dat Karel in elke kast hangt.”
“Ook goed.”
“Dan misschien de opgezette fazant verplaatsen. Hij kijkt te veel.”
“Nooit,” zei Noor. “Die hoort bij de raad van toezicht.”
Dries glimlachte.
Hij keek naar hun handen. De goedkope ring glom dof om zijn vinger.
“En wij?”
Noor keek ook naar de ring. “Wij beginnen met lunch.”
“Dat meen je echt.”
“Ik stel grenzen vanaf dag één.”
“We zijn nog maar net getrouwd.”
“Juist. Een cruciale fase.”
“En daarna?”
Noor dacht even na. “Daarna praten we. Zonder deadlines. Zonder testament. Zonder Joep met kantoorartikelen.”
“Dat klinkt moeilijker dan trouwen.”
“Voor jou waarschijnlijk wel.”
Hij knikte. “Eerlijk?”
“Altijd.”
“Ik weet niet hoe dit moet.”
Noor werd zachter. “Ik ook niet. Maar ik weet wel dat jij uiteindelijk de waarheid koos. Dat is geen slecht begin.”
Achter hen riep Joep: “Gaan we nog lunchen of moet ik hier symbolisch verhongeren?”
Noor draaide zich om. “Jij bent niet uitgenodigd.”
“Ik was ringenmanager.”
“Je kocht automatenringen.”
“Met emotionele waarde.”
“Er staat Forever Friends in.”
“Een sterk fundament.”
Dries lachte. “Kom mee, Joep.”
Noor keek hem aan.
“Wat?” zei Dries. “Hij gaat anders jammeren.”
“Dat doet hij sowieso.”
Ze liepen naar het plein. Onderweg kwamen ze langs de slager. In de etalage hing een bord:
BRUIDSWORSTJES — VANDAAG EXTRA VERSE LIEFDE
Dries zakte bijna door de grond.
“Het dorp vergeet dit nooit,” zei hij.
“Nee,” zei Noor. “Maar ze vergeten ook niet dat een duif Karel koos.”
“Dat helpt.”
Ze kozen een klein eetcafé aan het plein. Noor bestelde soep, brood en koffie. Dries bestelde hetzelfde, omdat hij plots vergeten was wat mensen aten. Marleen nam thee. Joep bestelde alsof hij zijn trauma moest verwerken met kroketten.
“Jij betaalt zelf,” zei Noor.
Joep legde een hand op zijn borst. “Rijkdom heeft jullie nu al veranderd.”
Dries keek rond de tafel.
Zijn moeder zat naast hem, moe maar glimlachend. Joep zat tegenover hem, met nog altijd confetti in zijn kraag. Noor zat naast hem alsof ze daar niet per ongeluk terecht was gekomen, maar bewust.
Buiten trok de lucht open.
Hij dacht aan opa. Aan de commode. Aan de derde la. Aan Sanne, Romy, Chantal, Elsje, Gerda, Karel, Joep, Noor en de tankstation ringen.
Het was allemaal belachelijk geweest.
En toch zat hij hier.
Met verdriet in zijn borst, een ring om zijn vinger, een toekomst die hij niet begreep en Noor naast zich.
Niet alleen de erfenis.
Ook de bruid.
Noor tikte met haar lepel tegen zijn hand. “Waar denk je aan?”
Dries keek naar haar.
“Dat mijn opa misschien wist wat hij deed.”
“Laten we hem niet te veel krediet geven,” zei Noor. “Hij heeft ons laten trouwen met tankstation ringen.”
Dries keek naar de ring.
“Forever Friends,” zei hij.
“Voorlopig past het.”
“Voorlopig?”
Ze nam een hap soep en keek hem aan met die scherpe, warme blik.
“Doe je best, Vercauteren.”
Hij glimlachte.
“Ja,” zei hij. “Dat ga ik doen.”
Buiten vloog een duif over het plein.
Iedereen keek automatisch omhoog.
Karel, die net voorbij het raam liep met een zakdoek op zijn hoofd, dook instinctief weg.
Joep verslikte zich in zijn kroket.
Noor begon te lachen.
En ergens, als je heel goed luisterde, leek het alsof Hubertus Vercauteren nog één keer tevreden in zijn graf grinnikte.
Reactie plaatsen
Reacties