Wat van Mij Overblijft
Hoofdstuk 1 – Het dossier zonder naam
Greg sliep zelden langer dan vier uur per nacht.
Meestal werd hij wakker voordat zijn wekker afging, met zijn ogen open en zijn lichaam gespannen alsof iemand zijn naam had geroepen. Hij bleef dan roerloos liggen en luisterde. Naar voetstappen in de gang. Naar het gezoem van de lift. Naar auto’s die beneden door de natte straten reden. Pas wanneer hij zeker wist dat er niets ongewoons was, kwam hij overeind.
Het was geen angst, hield hij zichzelf voor.
Het was training.
Altijd observeren. Altijd controleren.
Zijn appartement bevond zich op de vierde verdieping van een oud gebouw in een naamloze wijk van de stad. De kamers waren klein en sober ingericht. Er stonden geen familiefoto’s, geen souvenirs en nauwelijks persoonlijke bezittingen. Alleen in de werkkamer was iets van Greg zelf terug te vinden. Aan de muur hingen stadskaarten waarop hij wandelroutes had uitgetekend. Op een plank stonden oude recorders, radio’s en kapotte camera’s die hij in zijn vrije tijd herstelde.
Het priegelwerk kalmeerde hem. Kleine tandwielen, kabels en contactpunten gedroegen zich tenminste voorspelbaar. Als iets niet werkte, bestond daar een reden voor.
Mensen waren ingewikkelder.
Herinneringen nog meer.
Die ochtend zette Greg koffie en ging achter zijn computer zitten. De regen tikte zacht tegen het raam. Hij had de vorige avond een beschadigde harde schijf aangesloten die jarenlang in een afgesloten kist had gelegen. Hij wist niet meer hoe hij aan de kist was gekomen. Ze had achter in een kast gestaan toen hij in het appartement trok, alsof hij haar ooit bewust had verborgen.
De meeste bestanden op de schijf waren onleesbaar. Toch had zijn computer die nacht een verborgen map gevonden.
De map had geen naam, alleen een code.
J-17.
Greg staarde naar de letters terwijl de koffie naast hem afkoelde. Er ging een onaangename herkenning door hem heen. Niet als een herinnering, maar als het gevoel dat je krijgt wanneer je een deur aantreft waarvan je dacht dat die niet bestond.
Hij opende de map.
Eerst verschenen er lijsten met data, locaties en operaties. Veel informatie was gedeeltelijk verwijderd. Namen waren vervangen door nummers. Foto’s toonden kamers zonder ramen, metalen bedden en bewakingscamera’s achter donker glas. Op andere beelden stonden kinderen in kleurloze kleding. Sommigen keken recht in de camera. Anderen hielden hun gezicht afgewend.
Geen van hen had een naam.
Greg klikte verder.
Een foto vulde zijn scherm.
Een jongen van ongeveer twaalf jaar zat op een metalen stoel. Hij was bleek en mager. Zijn haren waren kort afgeschoren en rond zijn pols zat een witte band met een nummer. De jongen keek niet bang naar de camera. Hij keek erdoorheen, alsof hij probeerde te onthouden wie zich aan de andere kant bevond.
Greg herkende zijn ogen.
Het waren zijn ogen.
Onder de foto stond één regel:
Subject J-17 — gesplitste respons stabiel.
De druk achter zijn ogen begon onmiddellijk. Greg duwde zijn stoel naar achteren en bracht beide handen naar zijn slapen. Het voelde alsof iemand vanbinnen tegen zijn schedel duwde.
Een beeld schoot door zijn hoofd.
Witte muren.
Een stem achter glas.
Een kind dat zijn handen voor zijn oren hield.
Toen was het voorbij.
Greg bleef een tijdlang voorovergebogen zitten. Zijn ademhaling was kort en onregelmatig. Hij kende technieken om paniek te beheersen. Vier tellen inademen. Vier tellen vasthouden. Zes tellen uitademen. Hij herhaalde het tot zijn hartslag vertraagde.
Op het scherm stond nog steeds de jongen.
“Wie ben jij?” fluisterde Greg.
De jongen gaf geen antwoord.
Greg scrolde door de documenten. In een verslag werd gesproken over een primaire persoonlijkheid laag die opdrachten kon uitvoeren zonder emotionele weerstand. Elders stond dat een secundaire laag succesvol was geïsoleerd. Een derde document bevatte een lijst met observaties.
Geheugenverlies na iedere sessie.
Verhoogde gehoorzaamheid.
Afwezigheid van schuldrespons tijdens operaties.
Secundaire activiteit blijft waarneembaar in dromen.
Verderop vond Greg zijn eigen gezicht terug, maar nu als jongvolwassene. Hij droeg donkere operationele kleding en keek zonder enige uitdrukking in de lens. Achter hem stond een stevig gebouwde man met kort haar. Zijn gezicht was gedeeltelijk onscherp, maar zijn houding riep opnieuw herkenning op.
Een begeleider.
Iemand die bevelen gaf.
Greg wilde het volgende bestand openen, maar het scherm werd zwart.
Hij knipperde.
Buiten was het donker geworden.
De koffie naast hem was koud. Het kopje stond niet meer rechts van zijn toetsenbord, maar op de vensterbank. Het raam was geopend en regenwater had een donkere vlek op de vloer gevormd.
Greg kwam overeind.
Dat kon niet. Het was nog ochtend geweest toen hij de map opende. Hij keek op de klok.
18.43 uur.
Er ontbraken bijna tien uren.
Hij doorzocht het appartement. De voordeur zat op slot. Niets was verdwenen. In de keuken lag een mes op het aanrecht, hoewel hij zeker wist dat hij het die ochtend in de lade had gelegd. In de slaapkamer stond de kast open.
Toen zag hij licht onder de deur van de badkamer.
Greg pakte het mes en duwde de deur langzaam open.
De badkamer was leeg.
Op de spiegel stond met een natte vinger één woord geschreven.
Terug.
Greg bleef naar het woord kijken. Het water liep in dunne strepen naar beneden, alsof iemand het enkele seconden geleden had geschreven.
Hij veegde het haastig weg.
“Vermoeidheid,” zei hij tegen zijn spiegelbeeld. “Meer is het niet.”
Zijn spiegelbeeld keek bleek terug.
Die nacht sliep hij helemaal niet.
Hij kopieerde de map naar een losse geheugenkaart en verwijderde daarna alle sporen van de harde schijf. Vervolgens nam hij de bestanden opnieuw door. Sommige pagina’s leken veranderd. Zinnen die hij zich herinnerde, waren verdwenen. Andere stonden er plotseling wel.
Op één bladzijde werd een locatie genoemd: een verlaten safe house aan de rand van de oude industriële wijk.
Greg kende het adres.
Of beter gezegd: zijn lichaam kende het.
Hij kon zich niet herinneren er ooit geweest te zijn, maar hij wist precies welke tram in de buurt stopte, waar de achteringang lag en welke ramen vanaf de straat zichtbaar waren.
Om 02.17 uur ging zijn telefoon.
Er verscheen geen nummer op het scherm.
Greg nam niet op.
De telefoon bleef rinkelen. Na de zevende keer drukte hij toch op de groene toets.
Eerst hoorde hij alleen ademhaling.
“Wie is daar?”
Een zacht gekraak volgde. Daarna klonk een stem, ver weg en vervormd.
Greg herkende haar onmiddellijk.
Het was zijn eigen stem.
“Je had me niet mogen vinden.”
De verbinding werd verbroken.
Greg bleef met de telefoon in zijn hand zitten. In het zwarte scherm zag hij zijn weerspiegeling.
Heel even dacht hij dat de man in het glas glimlachte.
Greg deed dat niet.
De volgende ochtend stopte hij de geheugenkaart, een oude zaklamp en een kleine recorder in zijn jas. Hij dronk één kop sterke koffie, controleerde de straat vanuit drie verschillende ramen en verliet het appartement via de noodtrap.
Hij vertelde zichzelf dat hij alleen naar buiten ging om na te denken.
Maar diep vanbinnen wist hij dat hij op weg was naar het safe house.
En dat iets in hem daar al op wachtte.
Hoofdstuk 2 – De man in de ruit
Tegen de avond regende het harder.
Druppels tikten ritmisch op Gregs jas terwijl hij door een smalle straat liep. Zijn adem was zichtbaar in de koude lucht. Hij had urenlang omwegen gemaakt, trams genomen zonder bestemming en winkels via een andere uitgang verlaten. Geen enkele route had hem rechtstreeks naar het safe house gebracht.
De training zat in zijn lichaam als een tweede skelet.
Controleer reflecties. Verander onverwacht van richting. Blijf nooit langer dan vijf minuten op dezelfde plaats. Kijk naar schoenen in plaats van gezichten. Mensen konden hun uitdrukking beheersen, maar hun voeten verraadden waarheen ze werkelijk wilden.
Greg had niemand gevonden die hem volgde.
Toch voelde hij die aanwezigheid nog steeds.
Niet achter zich, maar bijna naast zich. Alsof iemand voortdurend net buiten zijn blikveld liep.
Bij een kruispunt bleef hij voor een etalage staan. In het raam zag hij een vrouw met een paraplu, twee fietsers en een jongen die op zijn telefoon keek. Verderop stond een donkere figuur onder een lantaarn.
Greg draaide zich om.
De lantaarn stond er.
De figuur niet.
Hij liep verder en versnelde zijn pas. Zijn hoofdpijn was teruggekeerd. Flarden van stemmen bewogen door zijn gedachten. Soms hoorde hij één los woord. Soms een bevel.
Rechts.
Greg sloeg automatisch rechtsaf.
Pas na enkele stappen besefte hij wat hij had gedaan. De straat waarin hij terechtkwam, was vrijwel leeg. Aan beide kanten stonden gesloten werkplaatsen. Een metalen uithangbord piepte in de wind.
Hij draaide zich om.
In een plas achter hem verscheen zijn weerspiegeling. De man in het water stond een fractie langer stil dan Greg.
Toen begon het beeld te lopen.
Greg deinsde achteruit en trapte in de plas. Het water brak uiteen. Toen het oppervlak opnieuw stil werd, was alleen zijn eigen gezicht nog zichtbaar.
Hij zocht beschutting in een klein café. Binnen was het warm en rook het naar koffie en natte jassen. Hij koos een tafel achteraan, vanwaar hij zowel de ingang als de spiegel boven de bar kon zien.
“Wat mag het zijn?” vroeg de serveerster.
“Koffie. Zwart.”
Ze knikte en liep weg.
Greg legde de recorder op tafel. Het was een oud toestel dat hij enkele maanden geleden op een rommelmarkt had gekocht. De verkoper had beweerd dat het onherstelbaar was. Greg had drie avonden nodig gehad om de motor, de leeskop en de bedrading te herstellen.
Nu drukte hij op opnemen.
“Mijn naam is Greg,” zei hij zacht. “Het is donderdag. Ik zit in een café aan de noordkant van de stad. Ik ben onderweg naar een adres dat vermeld staat in dossier J-17.”
Hij zweeg en keek naar de spiegel boven de bar.
“Als ik later niet meer weet dat ik dit heb gezegd, is er iets met mijn geheugen gebeurd.”
De serveerster bracht zijn koffie. Greg draaide de recorder om, zodat ze het lampje niet zag.
“Lange dag?” vroeg ze.
“Dat zou je kunnen zeggen.”
Ze glimlachte onzeker en liep verder.
Greg nam een slok. De bittere smaak bracht hem even terug naar het heden. Hij probeerde de jongen op de foto voor zich te halen. Bleek gezicht. Magere armen. Een blik die zich aan ieder detail vastklampte.
Plotseling hoorde hij potlood over papier krassen.
Hij was niet langer in het café.
Hij zat op een vloer in een witte kamer. Voor hem lag een vel papier. Een kinderhand tekende lijnen: een gang, drie deuren, een trap en een vierkant dat een raam moest voorstellen.
“Wat teken je, J-17?” vroeg een stem.
De jongen bedekte het papier met zijn arm.
“Een huis.”
“Dat is geen huis. Het is een route.”
Achter het glas stond een vrouw in een witte jas. Naast haar bevond zich de stevig gebouwde begeleider. Hij hield een klein schaakstuk tussen zijn vingers: een zwarte pion.
“Waar leidt de route heen?” vroeg de vrouw.
“Naar buiten.”
“Er is geen buiten.”
Het beeld verdween.
Greg schrok op. De serveerster stond naast zijn tafel.
“Meneer? Gaat het?”
Hij keek naar de klok. Er waren slechts twee minuten voorbijgegaan.
“Het gaat,” zei hij.
Op het papieren servet naast zijn koffie stond een plattegrond getekend.
Greg had geen potlood vast.
De lijnen vormden dezelfde route als in zijn herinnering. Onderaan stond een adres geschreven: het safe house.
Hij stopte het servet in zijn jas en betaalde.
Buiten was de avond volledig gevallen. Lichtreclames kleurden het natte wegdek rood en blauw. Greg mengde zich tussen de voorbijgangers, in de hoop dat de drukte hem bescherming bood.
Maar de aanwezigheid bleef.
In iedere winkelruit zag hij beweging. Soms was het slechts een schaduw. Soms zijn eigen gezicht, bleek en scherp tussen de lichten. Eén keer zag hij de twaalfjarige jongen achter zich lopen.
Greg draaide zich zo plotseling om dat hij tegen een voorbijganger botste.
“Kijk uit je doppen,” snauwde de man.
“Sorry.”
Er was geen kind.
Greg begon sneller te lopen. De stad leek om hem heen te veranderen. Stegen werden langer dan hij zich herinnerde. Lantaarns flikkerden precies wanneer hij eronderdoor ging. Achter hem klonken voetstappen die stopten zodra hij stopte.
Hij besloot een test te doen.
Zonder op het verkeer te letten, stapte hij de straat op.
Banden piepten. Een auto kwam vlak voor hem tot stilstand. De bestuurder sloeg op zijn claxon en riep iets door het raam, maar Greg hoorde hem nauwelijks.
Op de natte motorkap zag hij een weerspiegeling.
Een donkere gestalte stond midden op de weg, precies achter hem.
Greg draaide zich om.
Er was niemand.
Toen keek hij opnieuw naar de motorkap.
De figuur was er nog. Ze had zijn gezicht, maar haar ogen waren zwart.
“Ga van de weg af!” schreeuwde de bestuurder.
Greg sprong opzij. De auto reed weg en nam de weerspiegeling met zich mee.
Hij rende.
Niet naar huis. Niet naar een politiebureau. Hij wist dat geen enkele agent zijn verhaal zou geloven. Er bestond maar één plaats waar hij antwoorden kon vinden.
Het safe house.
De industriële wijk lag aan de rand van de stad. Verlaten pakhuizen stonden als donkere skeletten langs het kanaal. Greg vermeed de hoofdweg en volgde een smal pad tussen twee omheiningen. Zonder erbij na te denken bukte hij op het juiste moment voor een kapotte beveiligingscamera.
Hij kende deze route.
Bij een verlaten spoorzone hield hij stil. Achter een verroeste wagon lag een metalen kist onder een zeil. Greg knielde en schoof twee vingers in een nauwelijks zichtbare opening. Er klonk een klik.
In de kist lagen een sleutel, een opgevouwen stadskaart en een cassettebandje.
Op het bandje stond met zwarte inkt:
J-17 — HERINTEGRATIEPROEF 4
Greg stopte het in zijn recorder.
De stem van een vrouw vulde de stilte.
“Primaire persoonlijkheid gereed voor activering.”
Een man antwoordde: “En de secundaire laag?”
“Blijft geïsoleerd.”
“Het subject hoort stemmen.”
“Restactiviteit. Geen gevaar zolang hij de oorsprong niet ontdekt.”
Een kind begon te huilen.
Greg zette de recorder uit.
Achter hem kraakte grind.
Hij draaide zich om en hief zijn zaklamp.
Niemand.
Toen klonk zijn eigen stem vanuit de duisternis.
“Je bent bijna thuis.”
Greg greep de sleutel steviger vast en liep het laatste stuk naar het safe house.
Hoofdstuk 3 – Het huis dat hem kende
Het safe house stond aan het einde van een verlaten straat.
Van buiten leek het op een gewone, vervallen rijwoning. De gordijnen waren verdwenen en sommige ramen waren met platen dichtgetimmerd. Onkruid groeide tussen de stenen van het pad.
Greg bleef aan de overkant staan en bestudeerde het gebouw.
Bovenaan bevond zich een camera onder de dakrand. De lens was kapot. Het slot van de voordeur vertoonde geen recente beschadigingen. Toch wist hij dat er vroeger een tweede ingang in de kelder was geweest.
Hij wist ook waar de camera’s binnen hingen.
“Hoe vaak ben ik hier geweest?” fluisterde hij.
De sleutel uit de metalen kist paste.
De deur kraakte toen hij haar openduwde. Binnen rook het naar stof, oud hout en vergeten angst. Greg sloot de deur achter zich en bleef luisteren.
Stilte.
Alleen zijn ademhaling.
Hij scheen met zijn zaklamp door de gang. Langs de muren stonden metalen rekken. In de woonkamer lag een stoel omgevallen naast een kale tafel. Op de vloer lag gebroken glas. Aan de muur hingen restanten van kaarten, rode lijnen en punaises.
Greg liep naar een kast in de hoek.
De deur was vergrendeld.
Hij tastte onder de onderste plank, vond een verborgen hendel en hoorde het slot opengaan. Pas daarna besefte hij dat hij precies had geweten waar hij moest zoeken.
In de kast lagen oude radio-onderdelen, batterijen en een koptelefoon. Op de bovenste plank stond een tweede recorder. Het toestel was bedekt met stof, maar van hetzelfde model als het apparaat dat Greg zelf had hersteld.
Hij nam het mee naar de tafel.
De aandrijfriem was uitgedroogd en de batterijcontacten waren geoxideerd. Greg haalde gereedschap uit zijn jas en begon te werken. Zijn handen trilden eerst, maar werden rustiger zodra hij zich op de kleine onderdelen concentreerde.
Na twintig minuten draaide de motor weer.
Hij plaatste het cassettebandje in de recorder en drukte op afspelen.
Dezelfde vrouwenstem klonk, nu helderder.
“Herintegratieproef vier. Subject J-17, leeftijd twaalf jaar en drie maanden. Primaire persoonlijkheid laag blijft operationeel. Secundaire laag toont verhoogde weerstand.”
Er volgde een stilte.
Toen sprak een kind.
“Ik wil mijn naam terug.”
“Je naam is niet relevant,” zei de vrouw.
“Ik heet Greg.”
De begeleider bemoeide zich ermee. “Je heet J-17.”
“Greg.”
Er klonk een klap. Niet hard, maar duidelijk genoeg.
Greg verstijfde.
Op de opname begon het kind sneller te ademen.
“Wat is je opdracht?” vroeg de begeleider.
“Observeren.”
“En daarna?”
“Controleren.”
“Wat doe je met gevoelens?”
“Negeren.”
“Wat doe je met pijn?”
“Opsluiten.”
“Waar?”
Het kind gaf geen antwoord.
De begeleider herhaalde de vraag.
“Waar sluit je de pijn op?”
“Bij hem.”
“Wie is hij?”
“Degene die jullie niet kunnen bereiken.”
De opname kraakte. Daarna klonk een scherp elektronisch geluid.
De projectleider sprak opnieuw. “De secundaire laag heeft een zelfstandige identiteit ontwikkeld. Beëindig de proef.”
Het bandje stopte.
Greg bleef met beide handen op tafel zitten. Hij voelde kou door zijn jas trekken.
Een herinnering drong zich aan hem op.
De jonge Greg zat tegenover de begeleider aan een metalen tafel. Tussen hen stond een schaakbord.
“Waarom speel je nooit met de witte stukken?” vroeg de jongen.
“Omdat wit altijd moet beginnen.”
“Is dat slecht?”
“Wie begint, laat als eerste zien wat hij van plan is.”
De begeleider schoof een zwarte pion naar voren.
Greg keek niet naar het bord, maar naar de spiegelwand achter de man. Hij wist dat de projectleider hen observeerde. Soms hoorde hij klassieke muziek achter het glas. Zachte strijkers, koel en precies.
“Waar denk je aan?” vroeg de begeleider.
“Aan niets.”
“Goed.”
Maar de jongen dacht wel degelijk aan iets.
Aan regen tegen een raam dat hij één keer had gezien. Aan een straat met bomen. Aan de smaak van warme melk. Hij wist niet of het echte herinneringen waren. Misschien had hij ze verzonnen omdat hij iets nodig had wat van hemzelf was.
In zijn hoofd sprak een andere stem.
Geef ze niet alles.
Greg bewoog een pion.
“Wat zei hij?” vroeg de begeleider.
De jongen keek op.
“Wie?”
“De andere.”
“Er is geen andere.”
De begeleider sloeg een schaakstuk van het bord. “We kunnen hem verwijderen.”
Nee, dat kunnen ze niet, zei de stem.
Greg keek naar de zwarte pion die op de grond was gevallen.
Die avond tekende hij in zijn kamer een plattegrond. Niet van het onderzoekscentrum, maar van een huis dat hij nog nooit had gezien. Een safe house met een verborgen kast, een kelderdeur en een spiegel in de woonkamer.
Hij verstopte de tekening onder zijn matras.
De volgende ochtend was ze verdwenen.
Greg kwam terug in het heden met zijn hand op de recorder.
Hij keek om zich heen.
De spiegel uit zijn herinnering hing nog steeds aan de muur. Hij was gebarsten en zo vuil dat zijn weerspiegeling nauwelijks zichtbaar was.
Onder de tafel vond Greg een smalle metalen map. Op de kaft stond dezelfde code als op het dossier.
J-17.
Bovenaan lag het formulier met zijn kinderfoto. Daaronder bevonden zich medische verslagen, observaties en kaarten van hersenactiviteit.
Primaire persoonlijkheid laag: operationeel.
Secundaire laag: geïsoleerd.
Herintegratie: verboden.
Een handgeschreven notitie trok zijn aandacht.
De primaire laag gelooft dat hij de oorspronkelijke persoonlijkheid is. Dit is onjuist. Geen van beide lagen is afzonderlijk compleet.
Greg las de zin drie keer.
Verderop werd beschreven hoe de onderzoekers angst, mededogen, schuld en persoonlijke herinneringen uit zijn operationele persoonlijkheid hadden losgemaakt. Ze konden die gevoelens niet vernietigen. Daarom hadden ze ze opgesloten in een tweede bewustzijn.
De Schim.
Een deel van Greg dat alles had gevoeld wat hijzelf niet kon verdragen.
Er zat nog een cassette in de map. Greg stopte haar in de recorder.
Deze keer hoorde hij zijn volwassen stem.
“Mijn naam is Greg. Als ik dit opnieuw hoor, ben ik opnieuw delen van mijn geheugen kwijt.”
Greg hield zijn adem in.
“De organisatie bestaat niet meer zoals vroeger,” vervolgde de opname. “De locaties zijn ontruimd. De onderzoekers zijn verdwenen of overleden. Maar het programma zit nog altijd in mij. Iedere opdracht, iedere blokkade en ieder bevel. De secundaire laag probeert contact te maken. Ik heb haar jarenlang aangezien voor een vijand.”
De stem op het bandje zweeg even.
“Als ik het dossier vind, moet ik naar het safe house komen. Dat is de enige plaats waar de oorspronkelijke herintegratieapparatuur nog aanwezig is.”
Greg keek naar de spiegel.
“Maar er is een risico,” zei zijn opgenomen stem. “De laatste proef mislukte. Ik verloor achtenveertig uur en werd wakker met bloed aan mijn handen. Ik weet niet van wie het was. Daarom heb ik alles opnieuw verborgen.”
De opname eindigde met zware ademhaling.
Daarna sprak een tweede stem.
Het was ook Gregs stem, maar zachter en dieper.
“Je hebt beloofd terug te komen.”
De zaklamp viel uit.
De recorder stopte.
Duisternis vulde de kamer.
Greg hoorde iets achter zich bewegen.
Niet buiten.
Binnen.
Een ademhaling kwam tegelijk met de zijne, maar stopte telkens een fractie later.
Hij dwong zichzelf niet om te vluchten.
Langzaam draaide hij zich naar de spiegel.
Zijn weerspiegeling staarde hem aan.
Greg trok één wenkbrauw op.
De man in de spiegel deed hetzelfde.
Te laat.
Greg zette een stap achteruit.
Zijn weerspiegeling bleef staan.
Toen glimlachte ze.
Het oppervlak van de spiegel rimpelde alsof het uit donker water bestond. De figuur boog naar voren en plaatste één hand tegen het glas. Lange druppels schaduw liepen over zijn vingers.
Daarna stapte hij uit de spiegel.
Hij had Gregs gezicht en lichaam. Zijn kleding leek uit duisternis geweven. Zijn ogen waren zwart, maar achter die leegte lag iets dat Greg meer angst aanjoeg dan woede.
Pijn.
“Je had het niet moeten openen,” zei de Schim.
Greg bleef bij de tafel staan. “Wat ben jij?”
De Schim kantelde zijn hoofd.
“Ik ben wat jij achterliet.”
Hoofdstuk 4 – De kamer zonder buiten
Greg greep naar het mes in zijn jas.
De Schim keek naar zijn hand, maar bewoog niet.
“Denk je dat je mij daarmee kunt doden?” vroeg hij.
“Als jij uit die spiegel kon komen, kun je ook terug.”
“Dat heb je al geprobeerd.”
De woorden troffen Greg harder dan een klap.
“Wanneer?”
“Telkens wanneer je mij hoorde en besloot dat ik niet bestond. Telkens wanneer je een herinnering voelde aankomen en haar opnieuw opsloot. Telkens wanneer je voor een spiegel stond en wegkeek.”
Greg trok het mes toch. De Schim glimlachte niet. Hij leek vooral moe.
“Blijf waar je bent.”
“Waar zou ik anders heen moeten?” vroeg de Schim. “Ik heb mijn hele bestaan in jou doorgebracht.”
“Je volgde me.”
“Ik probeerde je in te halen.”
“Je nam uren van me af.”
“Die uren waren altijd van mij.”
Greg dacht aan de koude koffie, het geopende raam en het woord op zijn badkamerspiegel.
“Jij schreef ‘terug’.”
“Wij schreven het.”
“Wij?”
“Je begrijpt het nog steeds niet.” De Schim wees naar de documenten. “Jij bent niet Greg en ik ben niet iets anders. Ze namen één kind en maakten er twee functies van.”
Greg voelde de hoofdpijn sterker worden. “Ik ben de primaire persoonlijkheid.”
“Dat is een technische term. Geen bewijs dat jij de echte bent.”
“Ik leefde zijn leven.”
“Je voerde hun opdrachten uit.”
“Ik overleefde.”
“En ik voelde wat dat kostte.”
De Schim stapte dichterbij. Greg hief het mes, maar zijn arm trilde.
In de zwarte ogen zag hij beelden.
Een deur die openging.
Een bevel.
Een donkere gang.
Zijn eigen handen die niet wilden gehoorzamen, maar het toch deden.
Daarna telkens dezelfde kamer. Witte muren. Klassieke muziek achter glas. De projectleider die aantekeningen maakte terwijl de begeleider de zwarte schaakstukken opnieuw op het bord zette.
“Stop,” zei Greg.
“Ik doe niets.”
“Ga uit mijn hoofd.”
“Ik bén een deel van je hoofd.”
Greg haalde uit met het mes.
De Schim ontweek hem niet.
Het lemmet ging door zijn borst alsof hij uit rook bestond. Tegelijk trok een felle pijn door Gregs eigen lichaam. Hij liet het mes vallen en zakte op één knie.
“Alles wat je mij aandoet,” zei de Schim, “doe je jezelf aan.”
Greg kneep zijn ogen dicht. “Waarom nu?”
“Omdat je het dossier hebt geopend.”
“Het was maar informatie.”
“Het was een sleutel. Jij hebt die sleutel zelf klaargelegd.”
Greg dacht aan de verborgen harde schijf, de metalen kist en zijn eigen stem op de cassette. Hij had dit voorbereid. Misschien maanden geleden. Misschien jaren.
“Waarom herinner ik me dat niet?”
“Omdat je bang werd.”
“Waarvoor?”
“Voor wat wij hebben gedaan.”
De muren van het safe house leken te verdwijnen.
Greg bevond zich plotseling in een lange, witte gang. Lampen zoemden boven zijn hoofd. Aan beide kanten stonden deuren zonder klinken. Achter iedere deur hoorde hij stemmen.
Namen.
Honderden namen.
Sommige werden gefluisterd. Andere werden geschreeuwd. Ze klonken bekend, maar Greg kon geen gezichten bij hen plaatsen.
De Schim stond naast hem.
“Waar zijn we?”
“Waar jij alles hebt achtergelaten.”
Een deur ging open.
Binnen zat de twaalfjarige Greg aan een tafel. Voor hem lag een vel papier waarop hij een straat met bomen had getekend. De jongen keek op.
“Ben je eindelijk terug?” vroeg hij.
Greg wilde antwoorden, maar kreeg geen geluid over zijn lippen.
De projectleider stond achter het glas. Haar gezicht bleef gedeeltelijk verborgen door reflecties. Naast haar stond de begeleider met zijn handen op de rug.
“Activeer de primaire laag,” zei ze.
De begeleider stapte de kamer binnen en legde de zwarte pion voor het kind neer.
“Wat is je opdracht?”
“Observeren,” antwoordde de jongen.
“Daarna?”
“Controleren.”
“Wat doe je met angst?”
De jongen keek naar Greg.
“Die geef ik aan hem.”
Een schok trok door Gregs hoofd.
De witte kamer veranderde in een regenachtige straat. Hij zag zichzelf als jongvolwassene naast de begeleider in een auto zitten. Voor hen brandde licht in het raam van een huis.
“Je gaat naar binnen,” zei de man. “Je haalt het dossier op. Geen vragen.”
“Wie woont daar?”
“Niet relevant.”
“Er is een kind.”
“Ruis.”
Greg zag hoe zijn jongere zelf uitstapte. De herinnering brak voordat hij wist wat er daarna was gebeurd.
Een andere volgde.
Hij stond in een lift met een map onder zijn jas. Een vrouw rende door de gang en riep een naam. Greg drukte op de knop en keek niet terug. In zijn hoofd schreeuwde iemand dat hij de deur moest openhouden.
Nog een herinnering.
Een donkere kamer. De begeleider die hem feliciteerde omdat hij geen enkele emotionele reactie had getoond. Op tafel lag een zwarte pion.
“Genoeg!” riep Greg.
De beelden verdwenen.
Hij stond opnieuw in het safe house. Zijn handen steunden op de tafel. Tranen liepen over zijn gezicht zonder dat hij wist wanneer hij was begonnen te huilen.
De Schim stond tegenover hem.
“Dat was jij,” zei Greg.
“Dat waren wij.”
“Ik herinnerde me niets.”
“Ik herinnerde me alles.”
“Waarom heb je het me niet eerder laten zien?”
“Ik heb het geprobeerd. In dromen. In verloren minuten. In reflecties. Maar zodra je mij voelde, deed je wat ze je hadden geleerd. Je observeerde, controleerde en sloot mij opnieuw op.”
Greg veegde met zijn mouw langs zijn gezicht. “Ik wilde dit niet weten.”
“Nee,” zei de Schim. “Daarom moest ik bestaan.”
Buiten sloeg regen tegen de ramen. In de verte reed een trein door de verlaten spoorzone. Het geluid liet de vloer trillen.
“Wij waren nooit één persoon,” zei Greg.
“Wij waren ooit één kind.”
“En daarna?”
“Daarna werd jij de functie. Ik werd de rest.”
Greg keek naar de oude spiegel. Het glas was nu volledig zwart. Geen kamer, geen meubels en geen gezicht waren erin zichtbaar.
“Wat gebeurt er als je terugkomt?”
“Dat weet ik niet.”
“Word jij mij?”
“Misschien.”
“Verdwijn ik dan?”
“Misschien verdwijnen we allebei zoals we nu zijn.”
Greg keek hem aan. “Dat klinkt niet als een keuze.”
“Je hebt wel een keuze. Je kunt blijven lopen. Nacht na nacht. Spiegel na spiegel. Je kunt blijven vergeten tot er niets van je overblijft behalve gewoontes en angst.”
“En als ik het toelaat?”
De Schim zweeg lang.
“Dan doet het pijn,” zei hij. “Maar dan zijn we tenminste echt.”
Greg dacht aan zijn appartement. Aan de lege muren, de zorgvuldig uitgetekende routes en de toestellen die hij herstelde omdat machines eenvoudiger waren dan mensen. Hij dacht aan het kind dat een huis had getekend zonder ooit een thuis te hebben gekend.
“Ben jij mijn vijand?” vroeg hij.
De Schim keek hem recht aan.
“Ik ben degene die nog wist dat wij geen machine waren.”
Hij stak zijn hand uit.
Greg keek naar de vingers. Zijn eigen hand, maar donkerder en kouder. In de houding zat geen dreiging. Alleen een eindeloos geduld.
“Wat als we niet sterk genoeg zijn?” vroeg Greg.
“Dan breken we samen.”
Greg haalde diep adem.
Voor het eerst probeerde hij de angst niet te beheersen. Hij liet haar door zich heen bewegen. Zijn hart bonsde. Zijn benen wilden vluchten. Zijn training schreeuwde dat hij afstand moest bewaren.
Toch hief hij zijn hand.
Toen hun vingers elkaar raakten, verdween het licht.
Eerst verdwenen de muren.
Daarna de regen.
Daarna het safe house.
In de duisternis hoorde Greg honderden stemmen tegelijk. Een kind dat huilde. Een vrouw die resultaten voorlas. Een man die bevelen gaf. Zijn eigen ademhaling. Zijn eigen hartslag.
En daaronder klonk de stem van de Schim.
“Ik ben niet je vijand.”
Toen kwam alles terug.
Hoofdstuk 5 – Wat van mij overblijft
De eerste herinnering was warmte.
Greg was nog heel jong en zat aan een keukentafel. Een vrouw zette een beker melk voor hem neer. Hij kon haar gezicht niet goed zien, maar hij herinnerde zich haar handen en de manier waarop ze zijn naam uitsprak.
Niet J-17.
Greg.
Daarna kwam de dag waarop mannen hem meenamen. Een auto zonder ramen. Een gang die naar ontsmettingsmiddel rook. De witte band rond zijn pols.
Hij herbeleefde de onderzoeken, de trainingen en de eindeloze vragen. Iedere angst die hij destijds had weggestopt, keerde terug alsof er geen tijd was verstreken. Hij voelde opnieuw hoe de begeleider hem dwong naar de zwarte pion te kijken terwijl de projectleider zijn hersenactiviteit bestudeerde.
Hij hoorde zichzelf smeken.
Hij hoorde zichzelf zwijgen.
Hij zag het moment waarop zijn geest zich splitste.
Er was geen bliksem, geen machine die ontplofte en geen duidelijke scheur. Alleen een kind dat begreep dat het niet langer alles tegelijk kon dragen.
Een deel stond op, keek naar de begeleider en zei: “Wat is mijn opdracht?”
Het andere deel bleef achter in de kamer en huilde.
Greg voelde beide momenten tegelijk.
Hij was degene die vertrok.
Hij was degene die achterbleef.
De jaren daarna stroomden door hem heen. Opdrachten, locaties en gezichten. Hij zag mensen die hem hadden vertrouwd en mensen die bang voor hem waren geweest. Hij herinnerde zich deuren die hij niet had geopend, waarschuwingen die hij had genegeerd en namen die hij bewust had laten verdwijnen.
Maar tussen de harde beelden waren ook andere herinneringen.
Een bewaker die hem ooit een potlood had gegeven.
Een oude vrouw die hem tijdens een operatie koffie aanbood zonder te weten wie hij was.
Een kind dat vanaf de overkant van een straat naar hem zwaaide.
De eerste keer dat hij regen rook nadat hij jarenlang in kamers zonder ramen had geleefd.
Die herinneringen waren niet verdwenen. De Schim had ze bewaard.
De pijn werd zwaarder. Greg dacht dat zijn lichaam het niet zou verdragen. Hij voelde zichzelf uiteenvallen onder het gewicht van alles wat hij had gedaan en alles wat hem was aangedaan.
Toen vond hij de jongen.
De twaalfjarige Greg zat midden in de duisternis met zijn knieën tegen zijn borst. Naast hem lag het vel papier met de getekende ontsnappingsroute.
“Waar leidt die heen?” vroeg de volwassen Greg.
“Naar buiten.”
“Ze zeiden dat er geen buiten was.”
De jongen keek op. “Ze logen.”
Greg ging naast hem zitten.
“Ik heb je achtergelaten.”
“Je moest wel.”
“Ik had terug moeten komen.”
“Dat heb je nu gedaan.”
Aan de andere kant van de jongen verscheen de Schim. Zijn ogen waren niet meer zwart. Hij was gewoon Greg, vermoeid en bleek.
De jongen stak beide handen uit.
Greg nam de ene.
De Schim nam de andere.
De duisternis barstte open.
Na lange tijd opende Greg zijn ogen.
Hij lag op de vloer van het safe house, tussen stof en gebroken glas. De recorder naast hem klikte zacht. Het cassettebandje was afgelopen. Door een kier in de dichtgetimmerde ramen viel bleek ochtendlicht naar binnen.
De regen was opgehouden.
Greg bleef liggen en luisterde naar zijn ademhaling.
Er was maar één ritme.
Hij kwam langzaam overeind. Zijn lichaam deed overal pijn. Zijn handen trilden en zijn wangen waren nat. Toen hij probeerde terug te denken aan de afgelopen nacht, verdwenen de herinneringen niet. Ze bleven aanwezig, zwaar maar helder.
Ook de andere stem was er nog.
Niet als een indringer.
Niet als iemand die achter een gesloten deur sprak.
Eerder als een gedachte die eindelijk niet meer van de rest van hem was afgesneden.
Greg liep naar de spiegel.
Het glas was opnieuw gewoon glas. Zijn gezicht keek hem aan: bleek, ouder dan hij zich gisteren had gevoeld en met een kleine wond boven zijn wenkbrauw.
Hij hief zijn hand.
De weerspiegeling deed hetzelfde.
Geen vertraging.
Geen glimlach die niet van hem was.
Alleen hij.
En toch niet alleen.
Op tafel lag het dossier nog open. Greg pakte het eerste blad met zijn kinderfoto. Onder het beeld stond opnieuw die ene regel.
Subject J-17 — gesplitste respons stabiel.
Hij scheurde het papier langzaam doormidden.
Toen het brak, voelde hij geen opluchting. Papier kon niet ongedaan maken wat er gebeurd was. Het vernietigen van de map zou niemand zijn naam teruggeven.
Daarom stopte hij de overige documenten in zijn tas.
De projectleider had op de opnames gezegd dat namen niet relevant waren. Toch stonden ze verborgen in de bestanden. Namen van kinderen, onderzoekers, bewakers en slachtoffers. Sommige mensen leefden misschien nog. Andere families wachtten mogelijk al jaren op antwoorden.
Greg wist niet hoe hij de waarheid naar buiten zou brengen. Hij wist niet wie hij kon vertrouwen of welke delen van de oude organisatie nog bestonden.
Maar voor het eerst was onzekerheid geen reden om te vluchten.
Hij vond de zwarte schaakpion onder de tafel. Het stuk was dof geworden en langs de onderkant liep een barst. Greg draaide het tussen zijn vingers.
“Wie begint, laat als eerste zien wat hij van plan is,” had de begeleider vroeger gezegd.
Greg zette de pion rechtop naast de kapotte recorder.
Deze keer vond hij het niet erg om te beginnen.
Voor hij vertrok, nam hij een nieuw cassettebandje en plaatste het in zijn eigen recorder. Hij drukte op opnemen.
“Mijn naam is Greg,” zei hij.
Zijn stem beefde, maar hij begon opnieuw.
“Mijn naam is Greg. Ik was Subject J-17. Ik ben gebruikt binnen een programma dat kinderen opsplitste in afzonderlijke persoonlijkheidslagen. Een deel van mij werd getraind om opdrachten uit te voeren. Een ander deel werd gedwongen alle pijn te dragen.”
Hij keek naar de spiegel.
“Vannacht zijn die delen opnieuw samengekomen. Ik weet niet precies wie ik nu ben. Maar ik weet wie ik niet langer wil zijn.”
Greg vertelde wat hij zich herinnerde. Hij noemde locaties, data en namen. Soms moest hij stoppen omdat een herinnering te zwaar werd. Dan ademde hij langzaam en wachtte.
Hij onderdrukte de pijn niet.
Hij liet haar bestaan.
Toen de opname klaar was, maakte hij drie kopieën. Eén stopte hij in zijn jas, één verborg hij in de metalen kast en één legde hij samen met de documenten in zijn tas.
Daarna trok hij de voordeur open.
De stad lag stil onder een bleke ochtendhemel. Regenwater droop van de daken. In de verte kwamen de eerste trams op gang.
Greg stapte naar buiten.
Hij verwachtte opnieuw die blik in zijn rug te voelen, maar er was niets. Geen voetstappen die stopten wanneer hij stopte. Geen schaduw in de winkelruiten.
Bij de oude spoorzone bleef hij even staan. De metalen kist lag nog achter de wagon. Hij dacht aan alle voorzorgsmaatregelen die hij voor zichzelf had achtergelaten: de sleutel, de kaart, de cassette en de verborgen harde schijf.
Een vroegere versie van hem had geweten dat deze dag zou komen.
Misschien was hij nooit werkelijk opgejaagd geweest.
Misschien had een deel van hem al die tijd geprobeerd hem thuis te brengen.
Greg volgde niet zijn gebruikelijke omwegen. Hij nam de kortste route naar zijn appartement. Onderweg kocht hij koffie en een broodje. De vrouw achter de toonbank wenste hem een prettige ochtend.
“Voor u ook,” antwoordde hij.
De woorden voelden vreemd eenvoudig.
Thuis opende hij de gordijnen. Ochtendlicht vulde de kamers en liet zien hoeveel stof er op de lege planken lag. Hij zette zijn koffie op de vensterbank en keek naar de stadskaarten aan de muur.
De routes waren getekend vanuit angst. Iedere lijn was een mogelijke ontsnapping. Iedere cirkel wees op een plaats waar hij camera’s, uitgangen of schuilplekken had gevonden.
Greg pakte een potlood.
Naast de bestaande routes tekende hij een nieuwe lijn. Niet naar een safe house, station of verlaten gebouw, maar naar het archief waar hij de documenten veilig kon laten registreren. Daarna markeerde hij het kantoor van een onderzoeksjournalist wiens werk hij vroeger had gevolgd.
Hij had nog altijd training nodig.
Maar ditmaal niet om te verdwijnen.
Op zijn bureau stond de oude camera die hij enkele weken geleden had hersteld. Greg nam het toestel, zette de timer aan en ging voor de open gordijnen staan.
De camera klikte.
Op de foto stond een bleke, vermoeide man die nog niet wist hoe een normaal leven eruitzag. Toch keek hij recht in de lens. Niet door de camera heen, zoals de jongen op de onderzoek foto.
Er recht in.
Greg legde de nieuwe foto naast die van Subject J-17.
Hij schonk zichzelf verse koffie in en ging aan tafel zitten. Voor het eerst probeerde hij zich de vrouw uit zijn vroegste herinnering voor te stellen. Misschien was ze zijn moeder geweest. Misschien iemand die kort voor hem had gezorgd. Haar gezicht bleef vaag, maar haar stem kwam helder terug.
Greg.
Zijn naam.
Geen code.
Buiten vulde de straat zich langzaam met mensen. Fietsers reden naar hun werk. Een bestelwagen stopte bij de bakkerij. Buren liepen door de gang zonder te weten wat zich enkele kamers verder afspeelde.
Het gewone leven ging verder.
Greg nam de tas met documenten en verliet opnieuw zijn appartement. Beneden bleef hij bij de voordeur staan. Naast de stoep lag een grote plas waarin de gevels en de bleke hemel werden weerspiegeld.
Hij keek naar beneden.
De man in het water keek terug.
Deze keer bewoog hij precies tegelijk met Greg.
Toch was er iets veranderd. Achter zijn ogen lag geen leegte meer. Er was angst, verdriet, schuld en pijn. Maar ook vastberadenheid. Alles wat hij jarenlang als zwakte had beschouwd, maakte nu deel van hem uit.
Greg knikte.
Zijn weerspiegeling knikte terug.
Daarna liep hij verder, de ontwakende stad in, zonder om te kijken.
Wat achter hem lag, kon niet worden hersteld.
Wat voor hem lag, was onzeker.
Maar wat van hem overbleef, was eindelijk van hem.
Reactie plaatsen
Reacties