De Afvalcrisis van het Elzenbos
Herman verdwaalt tijdens een wandeling in een verborgen deel van het bos en ontdekt daar de Vuilnikkers, kleine wezentjes die leven van afval dat mensen achterlaten. Omdat er al lange tijd geen mensen meer in het bos komen, hebben de wezentjes te weinig materiaal om te overleven en dreigen ze uit te sterven. Herman besluit hen te helpen en organiseert wandelingen en inzamelacties, zodat er opnieuw bruikbaar afval in het bos terechtkomt. Dankzij zijn hulp kan het dorp van de Vuilnikkers weer opgebouwd worden en zijn ze gered.
Inspiratiebron is een strip van Urbanus genaamd De Hittentitten zien het niet zitten.
Op een grijze woensdagmiddag, waarop alles even zinloos voelde als een natte sok, besloot Herman een wandeling te maken. Herman was een man van middelbare leeftijd met een licht uitstekende buik en het opmerkelijke talent om altijd verkeerd te lopen, zelfs met gps.
Hij wilde eigenlijk gewoon het bospad volgen, maar na een discussie met een eigenwijze eekhoorn, een misstap over een boomwortel en een onfortuinlijke ontmoeting met een plas modder, belandde hij in een deel van het bos dat op geen enkele kaart stond.
“Prachtig,” bromde Herman terwijl hij een tak uit zijn haar trok. “Ik ga de krant halen en eindig in Narnia.”
Toen hoorde hij stemmen.
“Heeft iemand dat gezien?”
“Dat ding beweegt!”
“Misschien is het een vallende jas!”
Herman keek omlaag en zag tot zijn verbazing een groepje piepkleine wezentjes tussen de wortels van een oude eik. Ze waren niet groter dan een meter, hadden puntige oren, jasjes gemaakt van snoeppapiertjes en droegen dopjes van frisdrankflessen als helmen.
Een van hen stapte naar voren. Hij had een indrukwekkende snor voor iemand van veertig centimeter.
“Reusachtig persoon,” zei hij plechtig, “u hebt ons ontdekt.”
Herman knipperde een paar keer. “Ik wist niet dat dat mogelijk was, maar goed. Hallo.”
“We zijn de Vuilnikkers van het Elzenbos,” zei de kleine man. “Mijn naam is Burgemeester Plof.”
“Plof?”
“Ik ben ooit van een champignon gevallen. De naam is blijven hangen.”
Dat vond Herman eerlijk gezegd redelijk.
De burgemeester zuchtte diep en gebaarde naar het dorpje, dat gebouwd was uit oude blikjes, kromme lepels, kurken en een halve broodrooster.
“Wij verkeren in groot gevaar. Al generaties lang leven wij van wat mensen in het bos achterlaten: dopjes, wikkels, verdwaalde boterhamzakjes, af en toe een verloren teenslipper. Maar sinds enige tijd komen er bijna geen mensen meer in dit deel van het bos. Niemand laat nog afval achter. Onze huizen vallen uit elkaar. Onze voorraadkast is leeg. Onze kinderen moeten spelen met… natuurproducten.”
Hij spuugde dat laatste woord bijna uit.
Een klein meisje hield huilend een dennenappel omhoog.
“Het is gewoon geen speelgoed,” snikte ze.
Herman keek om zich heen. Overal zag hij sombere gezichten. Een oude Vuilnikker zat triest op een batterijtje zonder lading. Twee anderen probeerden een dak te repareren met schors, maar dat werkte duidelijk voor geen meter.
“Dus,” zei Herman langzaam, “jullie staan op uitsterven… door een tekort aan zwerfafval?”
“Precies,” zei de burgemeester. “Wij zijn slachtoffer van een veel te proper wandelbeleid.”
Herman krabde zich achter het oor. Dit was zonder twijfel het vreemdste gesprek van zijn leven, en hij had ooit tien minuten met een klantenservice van zijn energieleverancier gesproken.
“Goed,” zei hij. “Dan lossen we dat op.”
De Vuilnikkers begonnen door elkaar te juichen, struikelen en op lege pepermuntdoosjes te slaan alsof het trommels waren.
“Niet te vroeg,” zei Herman. “Ik heb nog geen idee hoe.”
Die avond keerde Herman terug naar huis met een plan. Een slecht plan, maar wel een plan, en volgens Herman waren dat meestal de doeltreffendste.
Drie dagen later hing er in het dorp een poster op het prikbord van de supermarkt:
GROOTSE WANDELTOCHT!
Ontdek het mysterieuze Elzenbos!
Gratis koek en limonade aan het einde!
Voor kinderen, ouders en mensen die per ongeluk meegaan!
De wandeling werd georganiseerd door Herman, zogenaamd namens de vereniging “Vrienden van Gezellig Buiten Zijn”, een vereniging die niet bestond, maar wel een behoorlijk overtuigend logo had met een blije laars erop.
Op zondagochtend kwamen er tot Hermans verbazing bijna vijftig mensen opdagen. Gezinnen, joggers, twee gepensioneerde zussen met wandelstokken en een man die dacht dat het een barbecue zou zijn.
Herman leidde de stoet door het bos, expres langs de mooiste paadjes, een beekje, een heuvel met prachtig uitzicht en uiteindelijk… precies langs het verborgen gebied van de Vuilnikkers.
En Herman had gelijk gehad over één ding: waar mensen wandelen, daar verschijnt vanzelf rommel.
Niet veel, maar genoeg.
Een chips zak waaide uit een rugzak.
Een limonadeflesdop rolde tussen de bladeren.
Een servetje ontsnapte aan een picknicktas.
Iemand verloor zelfs een plastic lepel, wat bij de Vuilnikkers bekendstond als “luxe bouwmateriaal”.
Vanuit de struiken keken tientallen kleine gezichtjes toe met tranen in hun ogen.
“Een dopje van sportdrank…” fluisterde Burgemeester Plof. “Dat heb ik in jaren niet meer gezien.”
Maar Herman, die ondanks alles een fatsoenlijk mens was, wilde ook niet dat het bos een vuilnisbelt werd.
Dus hij bedacht fase twee.
Aan het einde van de wandeling stond er een groot bord:
WEDSTRIJD VOOR KINDEREN: BOUW IETS GEKS VAN AFVAL!
Lever schoon verpakkingsmateriaal hierin!
Kinderen vonden het fantastisch. Binnen een uur lagen er stapels gewassen potjes, doosjes, dopjes, verpakkingen en ander keurig verzameld materiaal in bakken. De volwassenen vonden het educatief. De kinderen vonden het smerig leuk. En Herman vond vooral dat hij onverwacht talent had voor evenementen waar niemand om gevraagd had.
Die nacht droeg hij, gewapend met een zaklamp en een thermos koffie, de hele buit naar het verborgen dorp.
De ontvangst was heroïsch.
De Vuilnikkers trokken zingend door de straten met een lege tube tandpasta op een kussen. Oude huizen werden hersteld met yoghurtdeksels. De school kreeg nieuwe ramen van doorzichtig plastic. Het meisje met de dennenappel kreeg een miniatuurstep, gemaakt van twee knopen en een tandenborstelkop.
“U bent onze redder,” zei Burgemeester Plof ontroerd.
Herman haalde zijn schouders op. “Ik heb gewoon een wandeltocht georganiseerd en mensen misleid tot recycling.”
“Voor ons bent u een legende.”
Vanaf dat moment werd Herman ereburger van het Elzenbos. Eén keer per maand organiseerde hij een wandeling, een knutselmiddag of een “toevallige picknick” waarbij precies genoeg bruikbaar afval werd ingezameld om het dorp draaiende te houden.
Alles ging uitstekend, tot een Vuilnikker op een dag bezorgd bij hem kwam aanrennen.
“Probleem!” riep hij. “Groot probleem!”
Herman schrok. “Wat nu? Tekort aan blikjes?”
“Nee,” zei het wezentje. “Overschot aan wijnkurken. We hebben per ongeluk een operahuis gebouwd.”
Herman zweeg even.
“En is dat erg?”
Uit het bos klonk ineens dramatisch gezang. Iemand zong een aria vanaf een colablik.
Herman glimlachte. “Nee,” zei hij. “Ik denk dat het eigenlijk precies goed is.”
En zo leefden Herman en de Vuilnikkers nog lang en gelukkig samen in en rond het Elzenbos, waar afval eindelijk eens echt gewaardeerd werd — al was het maar door een beschaving van veertig centimeter hoog met een verrassend sterke mening over plastic bestek.