De verkeerde man

Bernard, een vriendelijke en nietsvermoedende man, raakt verzeild in een absurde reeks achtervolgingen wanneer twee hopeloos onhandige schurken hem aanzien voor iemand anders. Terwijl zij steeds nieuwe plannen bedenken om hem uit de weg te ruimen, draaien hun pogingen steevast uit op pure chaos. Het resultaat is een luchtig en doldwaas komisch verhaal vol misverstanden, slapstick en krankzinnige pech.

Inspiratiebron is een strip van Urbanus genaamd Het Fritkotmysterie

Op een dinsdag die al van bij het ontbijt verdacht naar mislukking rook, liep Bernard Van Hove fluitend door de stad met een net brood onder de arm en een boodschappentas vol prei. Bernard was een man van regelmaat. Om halfnegen kocht hij zijn brood, om kwart voor negen groette hij dezelfde duif op dezelfde vensterbank, en om negen uur stootte hij zich meestal lichtjes aan hetzelfde paaltje op de hoek van de Korte Klinkerstraat.

Die ochtend stond er echter iets nieuws op het programma: vermoord worden.

Tenminste, dat dachten Gustaaf en Norbert.

Gustaaf en Norbert waren twee mannen die eruitzagen alsof ze zelfs een spelletje ganzenbord verloren hadden van een kamerplant. Ze droegen allebei een veel te lange regenjas, een veel te kleine hoed en een blik alsof nadenken hen lichamelijke pijn bezorgde. Ze zaten al sinds zonsopgang in een geparkeerde bestelwagen naar Bernard te turen.

“Dat is hem,” fluisterde Gustaaf.

“Ben je zeker?” vroeg Norbert.

“Absoluut. De man met de grijze jas. Dat heeft de baas gezegd.”

“De baas zei ook dat hij een litteken had.”

“Dat heeft deze vast ergens verstopt.”

“Onder zijn neus misschien?”

“Dat is een snor, Norbert.”

“Een sluwe vermomming,” knikte Norbert ernstig.

Dat Bernard helemaal niet hun doelwit was, maar gewoon een leraar aardrijkskunde met een zacht karakter en een voorliefde voor kervelsoep, was voor hen een detail van ondergeschikt belang.

Hun eerste poging was elegant in theorie. Ze zouden een bloempot van driehoog naar beneden laten vallen net wanneer Bernard onder het balkon passeerde. Gustaaf tilde de pot op, Norbert keek naar beneden en siste: “Nu!”

Gustaaf duwde.

Alleen stond de pot nog op een sierlijk ijzeren rekje vastgeklemd. Het rekje schoot los, de pot bleef heel, maar Gustaaf maakte een achterwaartse salto zonder enige sportieve voorbereiding en belandde in een wasmand vol natte lakens. Norbert schrok, deed een stap achteruit, trapte op een hark die wonderbaarlijk genoeg op een balkon lag, en kreeg de steel vol tegen zijn voorhoofd.

Beneden liep Bernard intussen verder, stopte even, keek omhoog omdat hij iets hoorde, en zei vriendelijk tegen een oude dame: “Wat een bedrijvigheid al zo vroeg, hè?”

De oude dame knikte. “De jeugd van tegenwoordig.”

De tweede poging vond plaats aan de fontein op het Marktplein. Gustaaf had een “geniaal plan” bedacht: Norbert zou zich voordoen als straatmuzikant, Bernard lokken, en Gustaaf zou van achter een standbeeld toeslaan met een verdovingspijltje. Waar hij dat pijltje vandaan had, was onduidelijk. Waarom het verdovend moest zijn als ze iemand wilden vermoorden, nog onduidelijker.

Norbert zette een accordeon op schoot, haalde diep adem en begon te spelen. Het klonk alsof een geit met liefdesverdriet klem zat in een kleerkast. Bernard, die uit beleefdheid voor alles stopte wat op cultuur leek, bleef inderdaad staan luisteren.

“Mooi,” zei Bernard.

“Dank u,” piepte Norbert, zichtbaar ontroerd.

Van achter het standbeeld richtte Gustaaf zorgvuldig. Hij kneep één oog dicht, haalde de trekker over en trof... de accordeon. Het ding gaf een helse uithaal, blies zichzelf met een zucht open en klapte dicht op Norberts vingers.

“Aaauuuw!”

Bernard schrok. “Mijn hemel, meneer, bent u gewond?”

“Nee,” jammerde Norbert met tranen in de ogen, “ik groei gewoon muzikaal.”

Bernard gaf hem vijftig cent uit medelijden en wandelde verder.

“Waarom schiet jij altijd mis?” siste Norbert later in een steegje.

“Omdat jij beweegt!”

“Ik zat op een stoel!”

“Je ademde verdacht.”

De derde poging liep nog slechter, wat op zich een indrukwekkende prestatie was. Ze hadden remkabels van Bernards fiets willen doorknippen. Alleen had Bernard die ochtend geen fiets bij zich. Hij had zijn buurman toevallig geholpen met het verplaatsen van een kast, had daardoor de bus gemist en besloot te voet te gaan.

Gustaaf en Norbert vonden wel een fiets die sterk op die van Bernard leek en knipten ijverig de kabels door. Daarna wachtten ze in spanning af.

Een kwartier later kwam de eigenaar van de fiets, een postbode met kuiten als eikenstammen, de hoek om, stapte op, reed drie meter, remde niet en vloog dwars door een kraam met meloenen.

“Wegwezen!” riep Gustaaf.

Ze zetten het op een lopen, gleden uit over meloen sap, botsten tegen elkaar, en belandden met hun gezichten in een krat pruimen. De postbode sprong overeind, zag twee mannen met paarse vlekken en fruit in hun oren en brulde: “Jullie!”

Bernard, die net terugkwam van de kruidenier, zag de ravage en zuchtte bezorgd. “De verkeersveiligheid gaat achteruit.”

Zo ging het de hele week.

Op woensdag probeerden ze hem te vergiftigen met een eclair in een tearoom. Norbert struikelde met het gebakje, Gustaaf ving het op met zijn gezicht en at in paniek de helft op om “bewijsmateriaal te vernietigen”. Het bleek laxeermiddel te bevatten. Hij bracht de rest van de namiddag door in een openbaar toilet, filosoferend over zijn levenskeuzes.

Op donderdag wilden ze Bernard van een parkbank duwen zodat hij in de vijver viel en “mogelijk onderkoeld zou raken”. Ze namen een aanloop, maar Bernard stond net op om een eendje brood te geven. Daardoor duwden ze enkel de bank omver en vielen samen voorover in de vijver. Een zwaan, die niet van onbekenden hield, joeg hen vervolgens de hele oever rond.

Op vrijdag maakten ze een val met een touw over een steegje. Bernard bleef toevallig thuis met lichte hooikoorts. De eerste die over het touw struikelde was Norbert. De tweede was Gustaaf, die over Norbert struikelde. De derde was een politieagent die hen daarop meenam voor “een ernstig gesprek over openbare dwaasheid”.

Na hun vrijlating zaten ze gehavend in hun bestelwagen. Gustaaf had een verband rond zijn hoofd, Norbert zijn arm in een draagdoek, en allebei roken ze lichtjes naar vijverwater, banketbakkersroom en wanhoop.

“Misschien,” zei Norbert zacht, “is dit een teken.”

“Een teken waarvan?”

“Dat wij niet gemaakt zijn voor dit vak.”

Gustaaf dacht na. Dat duurde zichtbaar lang.

“Waar zijn wij dan wel voor gemaakt?”

Op dat moment liep Bernard voorbij met een bos chrysanten. Hij zag de twee sneuvelende gezichten achter de voorruit en glimlachte vriendelijk.

“Zware week gehad, heren?”

Gustaaf en Norbert verstijfden.

Bernard knikte meelevend. “Je ziet het meteen aan de ogen. Stress. Mijn neef had dat ook. Die is toen in een klooster gegaan. Helemaal van opgeknapt. Rust, regelmaat, soep.”

Hij wandelde weer verder, zonder te weten dat hij zojuist het lot van twee mislukte huurmoordenaars had bepaald.

Norbert keek naar Gustaaf.

“Rust, regelmaat, soep,” herhaalde hij.

Gustaaf keek voor zich uit, naar zijn gekneusde knieën en de resten van een meloenpit in zijn mouw.

“Denk je dat ze daar ook harken hebben?”

“Vast minder.”

Drie weken later meldde Bernard zich aan bij een benedictijnenabdij om een mand confituur af te leveren voor een liefdadigheidsactie. In de moestuin zag hij twee bekende gezichten in bruine pijen tussen de kolen staan.

“Wel wel,” zei Bernard verrast. “Jullie!”

Gustaaf, nu broeder Augustinus, glimlachte sereen met slechts één wenkbrauw in het verband. Norbert, nu broeder Norbertus – daar hadden ze in het klooster weinig creativiteit aan verspild – knikte hem toe met een rust die hij vroeger alleen had wanneer hij bewusteloos was.

“Het leven is hier eenvoudiger,” zei broeder Augustinus.

“En veiliger,” voegde broeder Norbertus eraan toe.

Bernard keek goedkeurend rond. “Mooie plek. En jullie zien er veel beter uit.”

De twee ex-klunzen wisselden een blik.

“Dank u,” zeiden ze tegelijk.

Bernard gaf hun de confituur af en wandelde weer fluitend naar huis, met brood onder de arm en zonder enig idee dat hij ooit het middelpunt was geweest van een reeks moordpogingen die vooral uitgedraaid waren op zelfkastijding.

Achter hem zuchtte broeder Augustinus tevreden.

“Denk je soms nog aan vroeger?” vroeg broeder Norbertus.

“Alleen bij het zien van een accordeon,” zei Augustinus somber.

Toen kregen ze allebei tegelijk een riek tegen hun scheenbeen, omdat ze tijdens het praten achteruit waren gelopen in precies dezelfde hark.

Sommige mensen veranderen nooit echt.

Alleen hun kledij.