Het gemaskerde bal van de wanhoop
Een jonge man die al veel te lang vrijgezel is, ontvangt onverwacht een uitnodiging voor een gemaskerd bal speciaal voor singles. Hoewel hij eerst twijfelt, besluit hij toch te gaan. Daar belandt hij in een absurde en hilarische avond vol excentrieke gasten, vreemde kostuums en bizarre situaties. Tussen alle chaos en komische ontmoetingen door groeit de vraag of deze merkwaardige avond misschien toch meer voor hem in petto heeft dan alleen ongemak en verwarring.
Inspiratiebron is een strip van Urbanus genaamd Het Fritkotmysterie.
Tobias was negentwintig en al zo lang vrijgezel dat zelfs zijn moeder was gestopt met vragen of er “nog iemand speciaals” in zijn leven was. In plaats daarvan vroeg ze nu alleen nog of hij wel genoeg groente at, wat eigenlijk nog vernederender was.
Zijn liefdesleven was een aaneenschakeling van misverstanden, pijnlijke stiltes en dates waarop vrouwen na twintig minuten plotseling “heel vroeg op moesten”. Tobias gaf zichzelf daar niet eens meer de schuld van. Meestal.
Op een druilerige dinsdag vond hij tussen de reclamefolders en een aanmaning van de tandarts een crèmekleurige envelop met gouden letters:
UITNODIGING
Voor het Groot Gemaskerd Bal der Vrijgezellen
Waar liefde, mysterie en een goed buffet op u wachten
Tobias fronste.
“Dit is óf mijn grote kans,” mompelde hij, “óf een zeer creatieve manier om mijn nieren te stelen.”
Drie dagen lang twijfelde hij. Hij legde de uitnodiging op tafel. Stopte haar in een la. Haalde haar er weer uit. Googelde of gemaskerde bals nog bestonden. Op zaterdagavond, na een diepzinnig gesprek met zijn kamerplant Sergio, besloot hij toch te gaan.
“Wat is het ergste dat er kan gebeuren?” zei hij.
Sergio zweeg veelbetekenend.
Het bal vond plaats in een oud landhuis aan de rand van de stad. Bij de ingang kreeg Tobias een zwartfluwelen masker dat hem, volgens de dame bij de deur, “een zweem van gevaar” gaf. Zelf vond hij dat hij eruitzag als een boekhouder die per ongeluk in een toneelvereniging was beland.
Binnen trof hij een zaal vol vrijgezellen in de vreemdste uitdossingen die hij ooit had gezien. Een man in een pauwenmasker liep rond alsof hij werkelijk veren had. Een vrouw in een Venetiaans masker had een chihuahua bij zich met een nóg kleiner masker op. Er was iemand verkleed als Napoleon die voortdurend afgewezen werd door iemand in een glitterjurk en daar steeds luid op reageerde met: “Dan verklaar ik u de oorlog!”
Nog voor Tobias bij de drankjes was, botste hij tegen een man in een wolvenmasker aan die een dienblad vol gehaktballetjes liet vliegen. Een balletje landde in het decolleté van een dame verkleed als Cleopatra, die zuchtte:
“Niet weer.”
De avond werd almaar gekker. Tijdens een mysterieus dansmoment bleek de helft van de aanwezigen geen idee te hebben hoe een wals werkte, waardoor het meer leek op een collectieve noodsituatie. Tobias werd per ongeluk driemaal rondgeslingerd door een energieke dame in een zwanenmasker die hem aansprak met “Gerard!”, hoewel hij tot twee keer toe had gezegd dat hij Tobias heette.
“Dat zeggen ze allemaal, Gerard!”
Bij het buffet ging het nog verder mis. Iemand had de chocoladefontein naast een schaal met garnalen gezet, wat leidde tot culinair onverantwoord gedrag en minstens twee huilbuien. In een hoek stond een goochelaar-vrijgezel die zijn openingszin “Mag ik uw hart laten verdwijnen?” veel geestiger vond dan de vrouwen aan wie hij het vroeg.
Tobias begon spijt te krijgen van zijn besluit. Misschien was vrijgezel zijn toch veiliger. Minder chaos. Minder schaaldieren in chocola.
Net toen hij overwoog ongezien naar huis te glippen, zag hij haar.
Aan de rand van de dansvloer stond een vrouw met een eenvoudig zilveren masker. Geen veren, geen glitters, geen hond in kostuum. Ze keek om zich heen met precies dezelfde mengeling van verbazing en lichte paniek als hij.
Tobias liep naar haar toe.
“Ook het gevoel dat we per ongeluk in een koortsdroom zijn beland?” vroeg hij.
Ze keek hem aan en schoot in de lach.
“Ja. Ik dacht dat dit chic zou zijn. Maar ik heb net een man gezien die zichzelf heeft voorgesteld als ‘Graaf Ronny van de liefde’.”
“Die heeft mij daarnet gevraagd of ik opensta voor broederschap.”
Ze lachte opnieuw. Dat was een goed teken. Een héél goed teken.
Ze heette Elise. Ze was hier ook met flinke tegenzin gekomen, aangespoord door een vriendin die had gezegd dat “het universum soms een duwtje nodig heeft”. Volgens Elise had het universum beter eerst even kunnen bellen.
Ze praatten. Eerst voorzichtig, daarna steeds makkelijker. Over rampzalige dates, over vreemde hobby’s, over waarom mensen op feestjes altijd doen alsof olijven lekker zijn. Tobias merkte dat hij voor het eerst in lange tijd niet nadacht over wat hij moest zeggen. Het ging vanzelf.
Toen begon de muziek opnieuw en riep een omroeper:
“Dames en heren, het moment is aangebroken! Maskers af!”
In de hele zaal gingen handen naar gezichten. Tobias voelde ineens een absurde spanning. Wat als Elise hem zonder masker niet leuk vond? Wat als hij eruitzag als iemand die vrijwillig postzegels sorteert?
Elise glimlachte.
“Op drie?” vroeg ze.
“Prima. Maar als ik tegenval, wil ik dat je weet dat dit masker veel voor me deed.”
“Eén, twee, drie.”
Ze deden hun maskers af.
Elise keek hem aan. Tobias keek terug. Een seconde gebeurde er niets.
Toen zei ze:
“O gelukkig.”
Tobias slikte.
“Wat?”
“Ik was bang dat jij Graaf Ronny zou zijn.”
Tobias begon zo hard te lachen dat hij bijna achteroverviel. Elise lachte mee. En ergens achter hen riep inderdaad een man:
“Ronny behoeft geen masker! Ronny ís het mysterie!”
Ze bleven nog uren praten, lachen en mensen observeren. Ze zagen Napoleon in discussie raken met een vrouw verkleed als heks over fiscale voordelen van romantiek. Ze zagen de chihuahua in het kleine masker ontsnappen met een mini-quiche. Ze zagen de goochelaar per ongeluk zijn eigen telefoon verdwijnen en in paniek raken.
Toen Tobias en Elise samen naar buiten liepen, was het al diep in de nacht. De regen was gestopt. De lucht rook fris.
“Dus,” zei Elise, “heb je de liefde gevonden?”
Tobias dacht even na.
“Minstens een heel veelbelovende eerste date.”
“Dat telt.”
En terwijl ze samen de straat in liepen, voelde Tobias iets wat hij al heel lang niet had gevoeld: hoop. Niet het grootse, dramatische soort uit films, maar het rustige, warme soort.
Alsof er zomaar iets moois kon beginnen.
En dat op een avond waar iemand bijna ten huwelijk was gevraagd door een man in een pauwenmasker die later tegen een ficus was gebotst.
Soms, dacht Tobias, werkt de liefde op mysterieuze wijze.
En soms verschijnt ze gewoon tussen de gehaktballetjes.